2. In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging, eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven aan den Vader, Joh. 17 : 17, 1 Thess. 5 : 23, Hebr. 13 : 20, 21, den Zoon als pneuma zwopoioun, 1 Cor. 15 : 45, Ef. 5 : 26, Tit. 2 : 14, en vooral ook, gelijk boven bleek, aan den H. Geest, Tit. 3 : 5, 1 Petr. 1 : 2. De geloovigen zijn daarbij passief, zij worden geheiligd, Joh. 17 : 19, 1 Cor. 6 : 11, zij zijn met Christus gestorven en opgewekt, Rom. 6 : 4v., zij zijn Ógiasmenoi n Cristû Ijsou, 1 Cor. 1 : 2, Gods poijma, Ef. 2 : 10, ktisiv, 2 Cor. 5 : 17, Gal. 6 : 15, rgon, Rom. 14 : 20; ta de panta k tou qeou, 2 Cor. 5 : 18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen van de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere relatie tot God komen te staan. In het O.T. duidde heiligheid die verhouding van God tot zijn volk en van het volk tot God aan, welke in de verschillende wetten omschreven en geregeld was, deel II 184-191. Ook in het N.T. heeft het begrip heilig deze beteekenis van eene relatie behouden. Er is sprake van heilige stad, Mt. 4 : 5, heilige plaats, 24 : 15, heilig verbond, Luk. 1 : 72, heilig land, Hd. 7 : 33, heilige Schrift, Rom. 1 : 2, heilige berg, 2 Petr. 1 : 18, heilige profeten, Luk. 1 : 70, heilige |558| offerande, Rom. 12 : 2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij zonder zonde was, dat Hij zich heiligde, d.i. zich in zijn dood Gode tot eene heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17 : 19; en zoo heeten de geloovigen met een staand epitheton ƒgioi, omdat zij door de roeping, cf. Rom. 1 : 7, 1 Cor. 1 : 2, kljtoi ƒgioi, in eene bijzondere verhouding tot God staan en, in de plaats van het oude Israel, genov klekton, basileion ³erateuma, qnov ƒgion, laov e¸v peripoijsin, zijn, 1 Petr. 2 : 9. Maar deze verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al niet onder het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich verbonden, om Israel zijn verbond en wet te geven, om het te redden of ook te kastijden, en was Israel verplicht, om in Gods inzettingen te wandelen, deel II 189. Nu is in het N.T. de wet in Christus vervuld; zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer, welke tusschen God en zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus in de plaats getreden; in en door Hem regelt God de verhouding tusschen zich en zijn volk; de geloovigen zijn ƒgiasmenoi n Cristû HIjsou, 1 Cor. 1 : 2; en deze heiligt zijn volk door den H. Geest, n pneumati, 1 Cor. 6 : 11, die nu als zoodanig pneuma ƒgion heet en het principe der heiliging is. Deze heiliging bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans voorstellen, bijv. Paul Wernle, Der Christ und die Sünde bei Paulus, 1897 S. 31, 39, 62, dat de Christenen van de wereld afgezonderd en Gode in uitwendigen, cultischen zin toegeeigend zijn; maar zij heeft eene diepe, ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart, reinigt, vernieuwt, Joh. 3 : 3, 1 Cor. 6 : 11, Tit. 3 : 5; met de inwoning des H. Geestes begint voor de geloovigen eene kainotjv zwjv, Rom. 6 : 4, welke eene tegenstelling vormt met den vroegeren wandel in allerlei zonden en ongerechtigheden, 1 Cor. 6 : 10, Ef. 2 : 1; zij zijn thans nieuwe menschen, 2 Cor. 5 : 17, Ef. 2 : 10, 15, 4 : 24, Gal. 6 : 15, Col. 3 : 10, die Gode leven en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot heiligmaking, Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den H. Geest brengt mede, dat de geloovigen van alle schuld en ook van alle smet der zonde bevrijd zijn. En daarom bestaat de heiliging in het N.T. ten volle daarin, dat de geloovigen den beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt, Rom. 8 : 29, Gal. 4 : 19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking saam; deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met de |559| roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij en die Hij rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom. 8 : 30; en deze verheerlijking zet zich in dit leven voort, 2 Cor. 3 : 18, totdat zij voltooid wordt bij de wederkomst van Christus, 1 Cor. 15 : 49, 51v., Col. 3 : 4. Phil. 3 : 21, cf. deel II 191.

Uit deze heerlijke beselrijving van den Christenstand in het N.T. is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten, Schwencfeld, Weigel, Böbme, Poiret, Labadie, Quietisten, Pietisten, Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz., cf. bij M. Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren tijd vooral door Moody, Sankey e.a., cf. Jellinghaus, Das volle, gegenwärtige Heil durch Christum, 1880, gematigder in de latere uitgaven, 4e Aufl. Basel 1898. Er is van andere zijde aan deze bewering steun geboden. Ritschl, merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen in het geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen werkten deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf. Scholz, Zur Lehre vom „armen Sünder”, Zeits. f. Th. u. K. 1896 S. 463 f. Clemen, Chr. Lehre v.d. Sünde I 109 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral Wernle in zijn boven aangehaald geschrift, cf. ook Karl, Beiträge zum Verständniss der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap. Paulus, Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier geen woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk Gods. Zij noemt Israel in het O.T. een priesterlijk koninkrijk, door God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19 : 5, 6, Deut. 7 : 7 v., 32 : 6, 8, 9, 18, Jes. 41 : 8, Ezech. 16 : 14 enz.; en de geloovigen in het N.T. zijn het zout der aarde, Mt. 5 : 13, het licht der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 11 : 12, 13, zijn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2 : 9, 10, der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1 : 4, gezalfd met den |560| H. Geest, 1 Joh. 2 : 20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters, Op. 1 : 5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3 : 9, 5 : 18v. enz. Wie de leer der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats; noemt haar met de schoonste namen en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en heerlijkheid toe. In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet, Dogm. Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de H. Geest aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar recht dan in de Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging uit het geloof, en de verwachting van de hemelsche zaligheid de leer der Schrift over den Christenstand uitgeput acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij Abraham, Gen. 12 : 11, Izak, 26 : 7, Jakob, 27 : 35, Mozes, Num. 20 : 7-12, Ps. 106 : 33, David, Ps. 51 enz., Salomo 1 Kon. 8 : 46, Spr. 20: 9, Jesaja, cap. 64 : 6, Daniël, cap. 9 : 4 enz. En ook Paulus weet, dat hem, als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus zich steeds helder bewust is van de groote verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd, roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15 vs. 17, 1 Cor. 4 : 3, 9 : 15, 15 : 30, 31, 11 1 : 12, 6 : 3, 11 : 10, |561| Phil. 2 : 16, 1 Thess. 2 : 10, 19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal. 2 : 20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5 : 17, dat in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7 : 18, en dat hij de volmaaktheid nog niet heeft verkregen, Phil. 3 : 12. Vooral Rom. 7 : 7-26 is in dit opzicht van groote beteekenis, cf. reeds boven bl. 106; hoezeer de reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren tijd meest prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet geweten wat men deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet geheel zonder reden: in der That bedeutet das Zurückgehen auf die alte (griechische) Tradition von Röm. 7 einen viel schwereren Schlag für unsere Dogmatik, als in der Regel von ihr empfunden wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm. 7 sich nicht auf den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass durch dies Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird, t.a.p. 108. Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der reformatorische uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven. Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige te verstaan. In Wahrheit macht man den Apostel zum Komödianten, wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht, nur in der Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand reden können, Clemen t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen, Paulus II 1891 bl. 71. Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7 met de overige uitspraken van Paulus in overeenstemming te brengen en zegt daarom: sie entstammt wohl einer besonders trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst vorherrschenden Bewusstsein! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in de heiligen des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege uitgaat van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het einde huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede om vergeving, Mt. 6 : 12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1 : 9. Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen, dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3 : 2; indien zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 1 : 8. Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders. Hij plaatst hen zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen, heiligen, merkt met vreugde de christelijke deugden op, die in hen openbaar worden, en geeft hun gaarne en herhaaldelijk een roemvol |562| getuigenis. Hierin overdrijft de apostel zeker niet; de verandering moet groot geweest zijn, als hij van de geloovigen uit de Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in allerlei schrikkelijke zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest Gods, 1 Cor. 6 : 11. Desniettemin heeft hij een open oog voor de zonden, die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1 Cor. 3 : 1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5 : 7v., in de Colossers is het goede werk wel begonnen maar niet voleindigd, Col. 1 : 6, ja, hun leven is nog met Christus verborgen in God, 3 : 3. In Rom. 6 zegt Paulus niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot wapenen der gerechtigheid, Rom. 6 : 13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug te komen, die eens uit en door het geloof geschied. is, dringt hij er op aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar den Geest openbaren en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen, onkreukbaren eisch der wet: weest heilig, want Ik ben heilig, 1 Petr. 1 : 16, weest volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5 : 48, Jak. 1 : 4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen zonde gedaan heeft, 1 Petr. 2 : 21v. Ef. 5 : 1, en in den dag van Christus ‡negkljtoi, e¸likrineiv, ‡proskopoi, ‡memptoi, ‡mwmoi zijn, 1 Cor. 1 : 8, Phil. 1 : 10, 2 : 15, Col. 1 : 22, 1 Thess. 3 : 13, 5 : 23. Met allen ernst en zonder ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij de rechtvaardiging bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker is, alleen door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods wil doen en onstraffelijk voor zijn aangezicht wandelen. |563|

De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1 : 5, 1 Thess. 5 : 23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12 :1, 2 Cor. 7 : 1, 1 Thess. 4 : 3, Hebr. 12 : 14. Evenals bij de prediking van het evangelie het geloof eene gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9 : 1-29 en 9 : 30 -10 : 21, zoo wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving, kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave, door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11 : 26, 16 : 17, 22 : 14, 24 : 22, Luk. 10 : 20, 12 : 32, 22 : 29, en toch is het een loon, een schat in de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst Gods verworven moet worden, Mt. 5 : 12, 20, 6 : 20, 19 : 21, 20 : 1v. enz. De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr. 1 : 10 ; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt, Hebr. 10 : 10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13 : 21, en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3 : 6, 14, 4 : 14, 6 : 11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds aandoen, Ef. 4 : 24, Col. 3 : 10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn, Gal. 5 : 24, Col. 3 : 5; of, om al deze tegenstellingen saam te vatten: eenerzijds is het een feit, dat de Schrift niet eens maar herhaaldelijk van loon spreekt, aan het geringste werk, in Jezus’ naam verricht, loon verbindt, aan het einde een iegelijk vergelden laat naar zijne werken en menigmaal met het oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt. 5 : 12, 6 : 4, 16 : 27, 25 : 34, Rom. 2 : 6, 1 Tim. 4 : 7, 8, Op. 22 : 12 enz.; en daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste en loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen zal, Mt. 20 : 9, Mk. 10 : 30, Luk. 12 : 37, 43, 44; dat hij, als hij alles doet, wat hij schuldig was te doen, nog een onnutte dienstknecht is, Luk. 17 : 10, dat er geen loon is dan uit genade, Rom. 4 : 3, 4, en dat alle weldaden des verbonds, |564| de heiligmaking en de verheerlijking, even goed als de rechtvaardigmaking, door Christus verworven zijn, in Hem gereed liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven maar ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het geloof kunnen aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze alwerkzaamheid Gods in de genade en de toch daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen eene tegenstrijdigheid gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke tegenspraak beschuldigd en voor zichzelven de eene aan de andere opgeofferd. Zoo werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient, om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den anderen kant beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook zelfs schadelijk voor de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze eenzijdigheden staat de H. Schrift, als de hemel boven de aarde, als de gedachten Gods boven de gedachten der menschen. Zij houdt beide vast, predikt beide met gelijken nadruk en ziet tusschen beide geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat God in de geloovigen werkt het willen en het werken, hebben zij huns zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2 : 12, 13. Zij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2 : 10. God en mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature geen tegenstelling. Zij zijn het geworden door de zonde; en door haar brengt de mensch telkens weer strijd tusschen beide. Maar zij zijn oorspronkelijk ten nauwste vereenigd; zij zijn door Christus, die onze vrede is, in hunne eenheid hersteld; zij zijn in het christelijk leven in beginsel verzoend. Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de geborenen uit God worden kinderen Gods omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet: werde was du bist! Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste; zij zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons voorbereid en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze zwakheid steeds onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch ongeevenredigd aan de zaligheid, die geschonken wordt; ipsa hominis bona merita sunt Dei munera, Augustinus, Ench. 107. En desniettemin zijn zij dringend noodzakelijk, om het gebod Gods, Rom. 6 : 18, 7 : 4, 8 : 12, 13, 1 Thess. 4 : 3, om het doel der |565| verlossing, Ef. 1 : 4; als vruchten des geloofs, Jak. 2 : 14, uit dankbaarheid, 1 Cor. 6 : 20, Col. 1 : 10, 1 Thess. 2 : 12, ter verheerlijking Gods, Joh. 15 : 8, als weg tot de zaligheid, Hebr. 12 : 14; Cf. later den locus de vita christiana.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004