8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken der Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met Piscator de obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie beperken tot de vergeving der zonden en dus vroeger of later tot de gevolgtrekking komen, dat de geloovigen, na door Christus bevrijd te zijn van de schuld en straf der zonde, zelven de wet hadden te volbrengen, ten einde het eeuwige leven teverwerven, boven bl. 350v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.2 I 271. II 61 f. Daarom werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al kon de vergeving der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor heel de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in dan de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar in den staat van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor ons de wet onderhouden en het eeuwige leven verworven, cf. boven 351 v. 361. 373 en vooral ook Gomarus op Luk. 1 : 77, Op. 1664 I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI 4. Moor IV 681. Hodge III 125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen, dat de rechtvaardiging meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch was er nog weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere theologen noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de toerekening van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard, Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned. Gel. art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon dit niet bepaald onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende gerechtigheid van Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt |548| verstaan, zijn de deelen toch niet zuiver gecoordineerd en maken zij ook eene te sterke scheiding tusschen Christus’ passieve en actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht, VI 6, 17. Beter is het daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven door de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij Paulus het woord dikaioun afwisselt met logizesqai e¸v dikaiosunjn, cf. Heid. Cat. vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus, Theol. El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 90. Pfleiderer, Paulinismus 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar anderen, zooals Martyr, L.C. p. 354, beschouwden deze liever als eene vrucht der rechtvaardigmaking.

Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae er de vergeving van de heiligmaking laat af hangen. Zij bestaat ook niet alleen in de wegneming van de reatus culpae, d.i. feitelijk in de bevrijding van de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peceata venialia, na de infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in het vagevuur geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate begrippen, boven bl. 162 cf. 98. Maar de vergeving, welke een deel der rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige zonden. Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme, tegen deze rijke en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene zonden, met beroep ook op Mt. 6 : 12, 1 Joh. 1 : 9, 2 : 1 enz., Rivetus, Op. III 1099. Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd. 34, 53-62. 56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e.a. Tegenover het antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, |549| soms zelfs in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat de geloovigen nog zelf voor hunne peccata venialia hebben te boeten, en doet alzoo aan den rijkdom en de genade der vergeving te kort; het antinomianisme wil deze laatste eeren en meent daarom, dat de zonden, die de geloovigen bedrijven, niet voor rekening komen van den nieuwen maar alleen van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen vergeving der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de reatus actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde; d.w.z. de vergeving neemt wel weg de straf maar niet de strafwaardigheid van de zonde. Deze laatste blijft, zoolang de zonde blijft. Zonde brengt, ook en vooral bij de geloovigen, schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering van God, verootmoediging enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens, de vrijmoedigheid en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders; de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang vergeving te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in de verdorvenheid van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis te doen zelfs van de zonden hunner jeugd en hunne schuld terug te leiden tot hunne ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25 : 6, 51 : 6, 7. Deze belijdenis is dan geen voorwaarde der vergeving; maar wie zijne zonde waarlijk kent, belijdt ze vanzelf en voelt daartegenover te sterker behoefte aan den troost der vergeving. Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige dagelijks noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt niet, alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het geloof, als een kind tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt amen op zijn gebed. En dit bidden is niet alleen eene behoefte, maar het is ook noodig; want de rechtvaardigmaking bestaat niet in eene transcendente vrijspraak van den zondaar bij God in foro coeli, maar zij is een actus transiens, die door den H. Geest ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en in deze eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt. Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn der vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt. |550| Onder de zonde gaat het schuil; het geloof als habitus blijft wel, maar het kan zich niet meer uiten in daden. Opdat dit geloof weer opleve, opdat de Geest Gods weer luide enkrachtig met onzen geest getuige, dat wij kinderen Gods zijn; daartoe is na de zonde weer verootmoediging, belijdenis, bede om vergeving noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden, zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter niet met Rivetus e.a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis, vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen, worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. En de werkzaamheden des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8 : 30, Gal. 3 : 27, Hebr. 9 : 12, 10 : 12, 14 enz. Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der genade te gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping onberouwelijk zijn, Rom. 11 : 29, Hebr. 4 : 12, 1 Joh. 1 : 9, cf. Calvijn, Inst. III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol. probl. nova XVII 10. Witsius, Mise. Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 813.

Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat ze voor den natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid, cf. Witsius, de theol. gentilium circa justificationem, |551| Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken de meeste Christenen haar van geloof en goede werken afhankelijk. Alles pleit ook tegen haar, de zonde zelve, die straf eischt, het geweten, dat beschuldigt, de wet, die veroordeelt, de wereld, die geen barmhartigheid kent, Satan, die een aanklager is van heel het menschelijk geslacht, God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de zonde niet gedoogen kan. De vergeving der zonden is eene gave, die alleen door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid te belijden, is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot het aannemen van de Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van de Godheid van Christus, van zijne voldoening en opstanding in staat stelt. De bezwaren, tegen alle deze dogmata ingebracht, zijn in het wezen der zaak geen andere, dan die ook tegen de vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar. Maar het geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een God, die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze rechtvaardigt. Zoozeer staat deze vergeving der zouden in de Schrift op den voorgrond, dat zij soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd wordt. Toch is met haar nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er wel niet van afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is de toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming tot kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd, Gal. 4 : 5, cf. Dan. 9 : 24, Hd. 26 : 18, Op. 1 : 5, 6. Reeds in het O.T. heet God de Vader van zijn volk en Israel zijn zoon, deel II 113. Maar in het N.T. krijgt dit vader-, en zoonschap een veel dieper zin. God is nu, niet in theocratischen maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen, en dezen zijn zijne kinderen, tekna, uit Hem geboren, en daarom door het geloof in Christus de xousia verkrijgend, om het te worden, genesqai, totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen gelijk Hij is, 1 Joh. 3 : 2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes vooral voorkomt, behoort echter hier niet maar bij wedergeboorte en heiligmaking ter sprake te komen. Daarentegen spreekt Paulus van de u³oqesia in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van Christus’ gerechtigheid de |552| vergeving der zonden ontvangen, zoo worden zij ook tot kinderen, u³oi qeou (niet tekna) aangenomen. Deze u³oqesia, welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven, Gal. 4 : 5, en wordt door het geloof ons deel, 3 : 26. Wie van de schuld en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus, die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8 : 29. Hij was de Zone Gods van natuur, 8 : 32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1 : 3; de geloovigen worden u³oi qeou door aanneming. En evenals Christus bij zijne opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is kata pneuma ƒgiwsunjv, 1 : 3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn n tû pneumati tou qeou Ómwn, 1 Cor. 6 : 11, zoo worden zij ook door het pneuma u³oqesiav tot zonen Gods, Rom. 8 : 14-16, en daarna ook door dienzelfden Geest van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4 : 6. Als zonen zijn zij dan tevens katH paggelian kljronomoi, Gal. 3 : 29, 4 : 7, Rom. 8 : 17; en wijl deze erfenis nog in de toekomst ligt, is ook de u³oqesia in haar volle verwezenlijking nog een voorwerp der hope, Rom, 8 : 23. De rechtvaardiging, die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert, krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt en alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar al wacht de „Rechtsfolge der Adoption” nog, de geloovigen zijn toch hier op aarde reeds tot kinderen aangenomen; zij worden door den H. Geest als waarborg en onderpand verzegeld tot den dag hunner verlossing, 2 Cor. 1 : 22, 5 : 5, Ef. 1 : 13, 14, 4 : 30, en voor de hemelsche erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1 : 4, 5. Door dien Geest, worden zij voortdurend geleid (‡gontai, niet ferontai als 2 Petr. 1 : 21), Rom. 8 : 14, van de liefde, die God tot hen heeft, 5 : 5, cf. vs. 8, en van hun kindschap, 8 : 15, 16, Gal. 4 : 6 verzekerd, en thans reeds vrede, Rom. 5 : 1, Phil. 4 : 7, 9, 1 Thess. 5 : 23, en vreugde, Rom. 14 : 17, 15 : 13, 1 Thess. 1 : 6 deelachtig. |553|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004