7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge het waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus aan de zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is toch nog niet genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog niet. Het is waar dat de Geref. theologie reeds spoedig ging onderscheiden tusschen de justificatio activa, die vóór, en de justificatio passiva, die na het geloof plaats had, en de eerste als de eigenlijke rechtvaardigmaking tegen de laatste als een tot bewustzijn komen van de reeds geschiede rechtvaardigmaking ging overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4 : 25 en 2 Cor. 5 : 19 eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is menigmaal, zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling, de juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene belangrijke waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk tot Remonstrantsche voorstellingen voert. God wacht niet met de vrijspraak van den zondaar, totdat deze als het ware buiten Hein om de gerechtigheid van Christus door het geloof heeft opgenomen; de toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in het besluit des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatiointerna des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam |542| van rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat die vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op zijn minst ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit het geloof in de orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt dan degenen, die het zwaartepunt leggen in de justificatio activa, haar kunnen toekennen. Behalve dat deze voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking afwijkt van het doorloopend spraakgebruik der H. Schrift, geeft zij ook aanleiding tot misverstand, ziet zich genoodzaakt tot exegetische gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking uit het geloof niet genoegzaam als vrijsprekende daad Gods tot haar recht komen. Men kan wel van eeuwige rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin bedoelen en opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch niet; de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering, ook Maccovius, L.C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn. XI 4, en zelfs Comrie, Brahe e.a. namen ze slechts aan in beperkten en wel omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv. Sneek 1858 bl. 91v. Brahe, Godg. Stellingen over de leer der rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers is in God niet alleen de rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en doet eeuwig. In dien zin, als actus immanens, is ook de schepping eeuwig, deel II 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging spreken, zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie invoeren. En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering, de wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en niet minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin van eene rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en in het evangelie gesproken worden; maar toch is er tusschen deze en die, welke uit het geloof geschiedt en die meer bepaald in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt, een groot onderscheid. Gene betreft toch Christus als borg der zijnen, maar deze gaat over de geloovigen zelven, en niet alleen over die geloovigen als geheel, als gemeente gedacht, gelijk Ritschl beweert, Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over hen allen persoonlijk, zooals uit Rom. 3 : 26, 4 : 3, 24, 5 : 19, 8 : 1, 30, 10 : 4, 10, 1 Cor. 6 : 11, Gal. 2 : 16, Phil. 3 : 9 enz. onwedersprekelijk bewezen wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking in Gods besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door |543| het evangelie bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking, die als het ware in de eeuwigheid begint en eerst in het laatste oordeel haar volle beslag krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst moment. De toepassing des heils door den H. Geest mag in geenerlei opzicht tot eene verwerving des heils worden gemaakt, want de H. Geest neemt alles uit Christus; maar de toepassing is toch op haar terrein even noodzakelijk en van even groote beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof en bekeering wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing staan daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de laatste en omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar of bestaanbaar is. De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing mede; door zijn lijden en sterven heeft Christus ook verworven, dat al zijne weldaden, dus ook de vergeving der zonden aan al de zijnen persoonlijk en individueel zouden worden toegepast. Het is Christus als Zaligmaker niet alleen om objectieve voldoening maar ook om subjectieve verlossing der zijnen van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer de mensch beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de zonde bevrijd wordt, en dus wedergeboren en gerechtvaardigd wordt. Op deze rechtvaardigmaking heeft nu gewoonlijk de Schrift het oog, als zij dit woord gebruikt of ook van vergeving der zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de rechtvaardigmaking niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt van haar als k, dia pistewv. Ook geeft hij met geen enkel woord te kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik, bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in de hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is een actus immanens, maar alle andere werken Gods, schepping, onderhouding, regeering, verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren tot de actus transeuntes; zij zijn niet ratio ordinis maar executio ordinis, boven bl. 6. Ook denkt Paulus bij de rechtvaardigmaking uit het geloof niet aan de zoogenaamde juslificatio passiva, ten minste niet, als deze van de justificatio activa temporeel gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds lang |544| te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij legt er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door het geloof. Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der verhouding van eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij, dat het eeuwige willen Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot inhoud hebben kan, deel II 413. In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt niet eene eeuwen geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk tot bewustzijn van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof. Van Hem gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die werkzaamheid uit, welke door den mensch als rechtvaardiging uit het geloof ontvangen en genoten wordt. De toepassing is evengoed als de verwerving des heils van oogenblik tot oogenblik eene werkzaamheid Gods, van den Vader, den Zoon en den H. Geest. Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn alle drie personen betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in den Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8 : 33, 34, 1 Cor. 6 : 11. Paulus denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de rechtvaardigmaking door den Vader in de eeuwigheid, die van den Zoon in de opstanding, en die van den H. Geest in het bewustzijn van den mensch te verleggen. Maar gelijk zij alle drie saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook saam in de toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf weggenomen en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar. Gelijk de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde bevrijdt, zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg. Beide zijn even noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de offerande van Christus, maar ook in de toepassing van eene zelfde hooge beteekenis.

Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch om maar geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt daarbij ongetwijfeld meestentijds aan het geloof als actus. Maar natuurlijk is daardoor het geloof als habitus niet uitgesloten; wedergeboren kinderkens en volwassen geloovigen hebben en houden in dezen habitus fidei de vrijspraak Gods, de getuigenis des |545| H. Geestes, dat zij kinderen Gods zijn, ook al getuigt hun geest niet altijd mede. Maar verder stelt de Schrift deze rechtvaardigmaking uit het geloof scherp en streng tegen die uit de werken over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat het geloof geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt ons niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit is De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus maakt, is deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt door de werken der wet, d.i. niet in zulke werken haar grond, haar causa meritoria heeft. Immers heeft God in Christus eene andere, betere dikaiosunj gegeven, dan die zondige werken kunnen bieden; en die dikaiosunj, dat is Christus, is de eenige en genoegzame grond onzer rechtvaardigmaking. In de tegenstelling oÇk x rgwn ‡llH k pistewv heeft de praepositie k dus beide malen eene verschillende beteekenis. In het eerste lid geeft zij te kennen dat werken der wet niet de dikaiosunj kunnen zijn, op grond waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt zij aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd te worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten hem in Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus: niet de eigen gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid Gods in Christus. Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door Christus verworven is en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de vocatio interna en dus in logischen zin vóór de wedergeboorte en het geloof toegerekend en geschonken wordt, zij wordt toch van ’s menschen zijde eerst aanvaard in het geloof (habitus of actus fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop hij zelf persoonlijk door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd wordt. Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het is zelfs geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde, waarop en geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking ontvangen, maar het is de daad van het aannemen van Christus zelf en wel van Christus, gelijk Hij zich inwendig door den Geest en uitwendig door het Woord aan ons geeft, en dus de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is en ik zijn |546| eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de mensch Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes, waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met zichzelven getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid. Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc. S. II 792. 797 sq. Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6, 28. Owen, De rechtv. uit het geloof c. 3. Moor IV 695. M. Vitringa III 295. Jon. Edwards bij Dorner II 752. Daarom staat het geloof niet in elk opzicht tegen alle werk over. Het staat tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l. daarin dat zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken, die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegen de werken des geloofs over, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H. Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat. vr. 86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6 : 29, het beste werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk, waardoor God ons hier op aarde van onze schuld bevrijden en van onze gerechtigheid in Christus verzekeren kan. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat het wel is fides sola, quae justificat, fides tamen, quae justificat non est sola, Calvijn, C.R. 7, 477. Inst. III 11, 20, en spraken zij na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak. Wel is het niet juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof, dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en Jacobus ijvert tegen een dood |547| geloof. Het geloof, dat rechtvaardigt, is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons. Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken, Jak. 2 : 22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq. Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf., 384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21-26. M. Vitringa III 317. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinb. 1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889, 2tes Heft. Schwarz ib. 1891, 4tes Heft. Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 S. 251-256.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004