5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig en de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25 : 1, en aller geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige veroordeelt Hij niet, Ex. 20 : 5v., 34 : 7, Num. 14 : 18. Wie den goddelooze rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden, Spr. 17 : 15, cf. Ex. 23 : 7, Spr. 24 : 24, Jes. 5 : 23. En toch schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak, Rom. 1 : 18, 2 : 13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt, 4 : 5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in zichzelven, op grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in het geloof, d.i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de christelijke belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64 : 6, Rom. 3 : 19, 20, 8 : 7, Ef. 2 : 2 enz. De werken, na de rechtvaardiging uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils |533| omgekeerd en de rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en ook die goede werken nog altijd onvolkomen en niet zonde besmet zijn, niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22 : 37, Gal. 3 : 10, Jak. 2 : 10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid, die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10 : 3, Phil. 3 : 9; zij sluiten elkander uit als werken en geloof, Rom. 3 : 28, Gal. 2 : 16, als loon en genade, Rom. 4 : 4, 11 : 6. Terwijl de wet dus den mensch vanwege zijne zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Gode behaagd, eene andere gerechtigheid te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn. Deze gerechtigheid wordt door Paulus dikaiosunj qeou genoemd. De uitdrukking komt, behalve Jak. 1 : 20 en 2 Petr. 1 : 1, bij Paulus voor in Rom. 1 : 17, 3 : 5, 21, 22, 25, 26, 10 : 3, 2 Cor. 5 : 21, Phil. 3 : 9 en heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het O.T. is de gerechtigheid Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt, en dan vervolgens vooral de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun rechi erkent, boven bl. 340. Maar deze gerechtigheid Gods scheen bij het einde der O.T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan; immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3 : 19, uit de werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd, 3 : 20, de tevoren geschiede zonden waren in Gods lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan, 3 : 25. Het was dus noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard werd. Dat deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar door in Christus een ³lastjrion, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig was, maar daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in overeenstemming met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is, 3 : 25, 26. Immers, en zoo komt Paulus tot de hem eigene wijziging van het begrip der dikaiosunj qeou, in Christus, in het evangelie heeft God, |534| zonder de wet, eene tegenover de ¸dia dikaiosunj staande „gerechtigheid Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid heeft geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het geloof van Jezus is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet deze, niet omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke wel buiten hem is maar door hem in het geloof is aangenomen en werkelijk „voor God” (gen. object., met beroep b.v. op Rom. 2 : 13, Gal. 3 : 11, para tû qeû, 3 : 20, nwpion aÇtou) als zoodanig geldt, Luther , Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit, Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan, Osiander, Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.; maar wijl zij eene gerechtigheid is, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft en geven kan, die niet uit den mensch maar k qeou is, Rom. 10 : 3, 5, Phil. 3 : 9; zoo de meeste nieuwere exegeten, hetzij zij den genetiviis meer opvatten als een gen. subjecti (Haussleiter), possessivus (Fricke) of originis, auctoris, causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann, Godet, Weiss, Pfleiderer, Holtzmann enz); cf. behalve de reeds vroeger deel II 198v. genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de loco Paulino, qui est de dikaiwsei, L.B. 1852. Lipsius, Die Paulin. Rechtfertigungslehre, Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol. u. Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v.d. Gerecht. aus d. Glauben im A. u. N.B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer s.v. dik. Weiss, Bibl. Theol. § 82. Pfleiderer, Der Paulin.2 183. Weiszäeker, Das apost. Zeitalter2 143. H. Beck, Die dik. qeou bei Paulus, Neue Jahrb. f. d. Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann, Neut. Theol. II 127. Häring, Dik. qeou bei Paulus, Tübingen 1896 (vat dik. qeou als daad op, rechtvaardiging Gods, evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17).

Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt toch aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar en den mensch wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze gerechtigheid Gods is er, zij wordt evenmin als de katallagj, 2 Cor. 5 : 19, door den mensch, door het geloof bewerkt, maar ligt objectief in Christus, Rom. 4 : 25, 1 Cor. 1 : 30, zij wordt |535| geopenbaard in het evangelie, 1 : 17, 3 : 21, zij is eene gave, eene gave der genade, 3 : 24, 5 : 15, 16, 17; desniettemin, of liever juist daarom, 4 : 16, is zij dia pistewv HIjsou Cristou, 3 : 22, Phil. 3 : 9, k pistewv, 9 : 30, 10 : 6, eene dikaiosunj pistewv, 4 : 11, 13, in het bezit des menschen pi tÛ pistei, Phil. 3 : 9; zij wordt geopenbaard in het evangelie k pistewv en e¸v pistin, 1 : 17, e¸v pantav touv pisteuontav, 3 : 22, cf. 10 : 4, 10; God rechtvaardigt ton k pistewv HIjsou, 3 : 26, k of dia pistewv, 3 : 30, Gal. 3 : 8, en de mensch wordt gerechtvaardigd pistei, 3 : 28, k pistewv, 5 : 1, Gal. 3 : 24, dia pistewv, Gal. 2 : 16; het geloof wordt gerekend e¸v dikaiosunjn, Rom. 4 : 3, 5, 9, 11, 22, en de rechtvaardige leeft k pistewv, 1 : 17, Gal. 3 : 11. Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof in de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren, het geloof als goede gezindheid opvatten en God den wil laten nemen voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat van Roomschen, Remonstranten, Mystieken, Ethischen en vele nieuwere Protest. theologen, die zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan Christus is maar het toch opvatten als de gansche of als een stuk van die gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch der wet; maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid en stelt er zich mede tevreden, hetzij om den wille van Christus, of omdat het toch eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het evangelie is en den mensch Gode aangenaam maakt, of wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der toekomstige volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei redenen met de Schrift in strijd. 1º De gerechtigheid, die de grond der rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en niet des menschen; zij wordt den mensch slechts ten deel door eene gave der genade; zij ligt dus vóór zijn geloof in Christus gereed en heeft geen enkele aanvulling van noode. God heeft n.l. Christus gesteld tot een ³lastjrion, 3 : 24, en deze Christus is overgeleverd om onze zonden, 4 : 25, voor ons gestorven, 5 : 6-11, een vloek geworden, Gal. 3 : 13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5 : 21, en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4 : 25, d.i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij is onze gerechtigheid, 1 Cor. 1 : 30, en wij worden gerechtvaardigd |536| dia tjv ‡polutrwsewv tjv n Cristû HIjsou, 3 : 34, n tû a³mati aÇtou, 5 : 9, n Cristû, Gal. 2 : 16. In Rom. 5 : 12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid in Christus tot dikaiwma, d.i. tot een vrijsprekend oordeel voor velen, 5 : 16. Door één dikaiwma toch, d.i. het vrijsprekend oordeel over Christus in zijne opstanding, 4 : 25, komt het bij alle menschen tot dikaiwsiv zwjv, d.i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven meebrengt, 5 : 18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen tot rechtvaardigen gesteld, dikaioi katastaqjsontai, 5 : 19. Naast de gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen. 2º Nergens wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging voorgesteld. De gerechtigheid, de rechtvaardiging is k of dia pistewv, maar nooit dia pistin. Wel staat Phil. 3 : 9, dat Paulus tjn dia Cristou, tjn k qeou dikaiosunjn bezat pi tÛ pistei, op grond van zijn geloof, maar de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als dia pistewv, k qeou; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan; integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof. Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken, Rom. 3 : 20-28, 4 : 4-6, 13, 14, 9 : 32, 10 : 5, 6, Gal. 2 : 16, 3 : 11, 12, 23, 25, 5 : 4, 5, Ef. 2 : 8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl het geloof in Christus onze gerechtigheid is. Indien het geloof om zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.l. Christus, geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2 : 21. |537| Zoo weinig komt het geloof bij de rechtvaardiging als grond in aanmerking dat Paulus zeggen kan, dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4 : 5. Zelfs als zijne leer de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3 : 5-8, 6 : 1, maar houdt hij staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn, wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8 : 33, 34. 3º Wijl het geloof dus geen werk is maar een afstand doen van alle werk, een onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4 : 17, die Christus opgewekt heeft, 4 : 24, die in Christus eene dikaiosunj qeou gegeven heeft, 3 : 22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods in Christus door God wordt aangenomen. Het woord logizesqai toch kan wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor. 4 : 1, 2 Cor. 12 : 6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, Rom. 4 : 8, 2 Cor. 5 : 19, cf. 2 Tim. 4 : 16; zoo werden zij wel toegerekend aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53 : 4, 5, 6, Mt. 20 : 28, Rom. 3 : 25, 8 : 3, 2 Cor. 5 : 21, Gal. 3 : 13, 1 Tim. 2 : 6; en zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4 : 5, en daarom is dat toerekenen kata carin, 4 : 4, het is een logizesqai dikaiosunjn cwriv rgwn, 4 : 6. De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: é dikaiov k pistewv zjsetai. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5 : 17, 18, 6 : 4v., 2 Cor. 4 : 10, 11, Gal. 2 : 20, Col. 3 : 3, 4, 2 Tim. 1 : 10, cf. Joh. 1 : 4, 6 : 33v., 11 : 25, 1 Joh. 1 : 2, 5 : 11 enz. Wie gelooft, die heeft het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie gelooft, heeft de dikaiosunj qeou, welke God in Christus hem |538| schenkt. 4º Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het evangelie bevestigt dan niet, gelijk Rom. 3 : 31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid. De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf zoo klein is en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen, naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, christelijk leven in den dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van waarlijk goede werken sprake kan zijn.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004