4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook bekeering, heiligmaking, goede werken, volbarding enz. worden ons deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. qydch duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor onschuldig verklaart, en staat tegenover vyHrh, verdoemen, Deut. 25 : 1, Joh 32 : 2, 33 : 32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23 : 7, 1 Kon. 8 : 32, 2 Chron. 6 : 23, Jes. 50 : 8. De vergeving der zonden wordt in het O.T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. 39 : 9, 51 : 16, niet toerekenen, Ps. 32 : 2, vergeten, niet gedenken, Jes. 43 : 25, Jer. 31 : 34, achter den rug werpen, Jes. 38 : 17, uitdelgen of uitwisschen, Ps. 51 : 3, 11, Jes. 43 : 25, vergeven, Ex. 34 : 9, Ps. 32 : 1. Het grieksche woord dikaioun beteekent in het algemeen: recht en billijk achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem, den goddelooze recht doen, d.i. straffen, als in bonam partem, den rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd. In het N.T. heeft het onder den invloed des O.T. steeds eene juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het algemeen voor, Mt. 11 : 19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte van, ‡po, hare kinderen; evenzoo Luk. 7 : 29, Waar de tollenaars God rechtvaardigen, en verder Mt. 12 : 37, Luk. 10 : 29, 16 : 15, 18 : 14. Ook bij Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3 : 4 kan het geen ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af |530| met logizesqai e¸v dikaiosunjn, 4 : 3, 5, staat tegenover krinein, gkalein en katakrinein, 8 : 33, 34, evenals dikaiwma tegenover katakrima, 5 : 16. Het beteekent iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig verklaren, dikaion kaqistanai, Rom. 5 : 19.

Nu kan het woord qydch, dikaioun, rechtvaardigmaken op zichzelf wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door kerkvaders gebezigd, Suicerus s.v.; bij Luther en Melanchton en in de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed. Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs, Die Bedeutnng der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415 490 en Zitzlaff, Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522 f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist, dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch of juridisch, maar in: rechtvaardigmaking door werken (liefde) of door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch, daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam regeneratio, quia ex filio irae fit filius Dei et hoc modo e morte in vitiam transfortur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d.d. Prot. II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms, dat het |531| woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in Jes. 53 : 11, Dan. 12 : 3, 1 Cor. 6 : 11, Tit. 3 : 7, Op. 22 : 11 zoo verstaan moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol. VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl. 140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den staat en den stand. der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt, of deze er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk. Jes. 53 : 11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d.i. per cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt waarschijnlijk door de bijvoeging, en hunne overtredingen zal hij dragen. Evenzoo wordt in Dan. 12 : 3 van de voorgangers en leeraars van het volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d.i. door hun gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn, om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te worden. In 1 Cor. 6 : 11 is de juridische beteekenis van dikaioun thans schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij, vroeger ‡dikoi, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ‡lla bevatten zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der dikaioi, geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun deel geworden in den naam van den Heere Jezus kai n tû pneumati tou qeou Ómwn; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke in Christus haar objectieven grondslag |532| heeft en in den Geest zich aan de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud. n. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3 : 7 bevat geen enkele reden, om van de gewone, juridische beteekenis van dikaioun af te wijken. In Op. 22 : 11 verdient de lezing dikaiwqjtw om de parallele vormen de voorkeur en beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen, nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle stringent bewijs, dat het woord dikaioun in de Schrift ooit in ethischen zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval, als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs, dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b.v. B. Bartmann, St. Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004