3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift voorkomt, is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal uit elkander gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat het geloof op als assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credendo proponit en verwerpt de Protestantsche definitie, dat het zou zijn eene fiducia specialis, dat mij de zonden vergeven zijn; vertrouwen is vrucht van het geloof in den wil en kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen, wijl anders de Protestanten zelf niet zouden kunnen volhouden, dat alleen het geloof rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook hoop en liefde in. |522| Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome onvoldoende ter rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden wel eene voorbereiding ervan, maar is in zichzelf informis en moet door de liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog in het geheel niet eene persoonlijke, religieuse, verhouding tot God, het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides implicita, een voor waar aannemen van alles, quod credit sacrosancta mater ecclesia. De persoonlijke relatie tot God komt eerst in de liefde tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt en zalig maakt, cf. boven bl. 442 en deel I 476. In het wezen der zaak komt daarmede de opvatting van het geloof in de Grieksche kerk, bij Socinianen, Remonstranten, Rationalisten enz. overeen; het is op zichzelf niets dan een historisch voor waar houden, eigenlijk geen religieus maar een erkenntnisstheoretisch begrip, niet uit de Schrift geput maar van het gewone, dagelijksche spraakgebruik in de theologie ingedragen. De Hervorming heeft echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen? en daarnaar het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging naar de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting, van de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome: het is niet alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia; het geloof is de centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des menschen tot God. Maar het valt niet te ontkennen, dat deze bepaling des geloofs eigenaardige moeilijkheden medebracht en tot allerlei verschillende zienswijzen aanleiding gaf. Ten eerste moest spoedig de vraag opkomen, in welke verhouding deze beide elementen des geloofs tot elkander staan. Van den aanvang af stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand, omschreven het liefst door cognitio certa, certitudo, en beschouwden de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil; anderen zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het zetelen in het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de tegenstelling van orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde door het verstand tot het hart, door de leer tot het leven komen en werd dikwerf onverschillig voor het leven; het pietisme bewandelde den omgekeerden weg en achtte menigmaal de leer van geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig verschil over de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De Reformatie had |523| het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat Christus mijn Zaligmaker is en dat mij de zonden vergeven zijn. Maar het scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus tusschen een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en welwezen des geloofs onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde later tot de tegenstelling van nomisme en antinomisme; het nomisme meende, dat er allerlei conditiën en bevindingen aan de zekerheid van de vergeving der zonden moesten voorafgaan en stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken, hongeren, dorsten naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles overbodig, eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten derde eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk te omschrijven. Het was een levend geloof, fides sola doch niet solitaria, dat volgens de Hervorming rechtvaardigde. In tegen stelling met alle werken staande, mocht, het geloof dus eenerzijds volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt Comrie, Heid. Cat. Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de innerlijke natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken, hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het toch een levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want de potentia of habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt ingeplant, is formaliter nog geen fides, evenmin als een ei reeds een kip is, Voetius, Disp. II 403. 499. Dit verschil over de verhouding van geloof en werk leidde in de practijk tot de tegenstelling van de lijdelijke en de werkdadige Christenen; genen blijven bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de heiligmaking niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en van de laatste afhankelijk te maken.

Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods. Het is to rgon tou qeou bij |524| uitnemendheid, Joh. 6 : 29, het een en al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten, geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart, zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen, pistoi. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking, heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift eraan toekomt. 1º Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën, die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg, waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van hen, voor wie zij verworven zijn. 2º In zooverre is het volkomen juist te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor. 5 : 19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar de zonden niet toegerekend, en Rom. 4 : 25 zegt duidelijk, dat Christus, gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is dia tjn dikaiwsin Ómwn. d.i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking, omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats gerechtvaardigd waren. De katallagj is niet van den ³lasmov daarin onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God is verzoend, |525| neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl. 383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3º Te meer dient dit vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt, dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken kan in de gemeenschap van Christus. 4º Met name behoort onder die weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5º Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar, toen Hij mensch geworden, gestorven en, opgewekt is; zij moge ook zakelijk de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6º Deze reëele schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter heeft hetgeen geschiedt in |526| den tijd beteekenis voor de eeuwigheid, wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7º Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg. Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt, moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het antinomianisnie ook hier wederom met zijne pantheistisebe vervluchtiging van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt. 8º Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden weldaden te ontvangen en te genieten. 9º Wijl de schenking van Christus en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen, hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen. De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk, waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10º Het geloof als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het |527| geloof ook naar zijn aard onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6 : 31, 8 : 26, 10 : 31, vreeze, Mk. 4 : 40, 5 : 36, twijfel, Mt. 14 : 31, 21 : 21, Rom. 4 : 20, Jak. 1 : 6, ontroering, Joh. 14 : 1, het is onbepaald vertrouwen, Mt. 17 : 20, Ãpostasiv en legcov der ongeziene dingen, Hebr. 11 : 1. Uit die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N. Verbonds, Gen. 49 : 18, Ps. 16 : 8-10, 23 : 4- 6, 31 : 2, 56 : 5, 10, 57 : 3 enz., Rom. 4 : 18, 21, 8 : 38, 2 Tim. 4 : 7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-45, heeft de Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat, Sohnius, Op. I 976. 11º De fout van het antinomianisme bestond dan ook niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte, wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12º Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest, maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn Woord. Daardoor herschept Hij ons zij en ons bewustzijn, ons doen en ons denken, ons hart en verstand Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als van haar schuld en van hare gevolgen. Zelf profeet en priester en koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot priesters, |528| die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft, Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13º Of men het geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II 6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10 : 10 van als eene firma et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis, wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef. 3 : 12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712 sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe, maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz., Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’ tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10 : 27, 11 : 23, 24, dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4 : 24, 10 : 9, nog dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept alsof zij waren, Rom. 4 : 17. |529|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004