§ 45. Geloof en Rechtvaardigmaking.

1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tusschen beide anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft zijn oorsprong in God, niet als Schepper maar als Zaligmaker; het is verworven door de opstanding van Christus; het is een eeuwig leven, dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de wedergeborene voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden door den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking |512| des geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God en den rijkdom zijner genade. Het leven van den geestelijken mensch is ook na zijn ontstaan geen oogenblik los te denken van God en zijne gemeenschap. Het is in denzelfden strikten en bijzonderen zin, waarin het uit God is, ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan, die niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken werkt naar zijn welbehagen, Phil. 2 : 13, 2 Cor. 3 : 5. Het is een leven in de gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6 : 5, zij zijn in Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20, zij kunnen niets doen zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den wijnstok, Joh. 15 : 4, 5; zij kunnen alleen sterk worden n kuriû kai n tû kratei tjv ¸sxuov aÇton, Ef. 6 : 10, door den Geest van Christus en in zijne gemeenschap, Rom. 8 : 13, 26, 2 Cor. 13 : 13, EL 3 , 16. Maar die Geest werkt in de wedergeborenen naar verschillende zijden. Dat kan en dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar wel in „deelen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft uit en in Christus weer op, Gal. 2 : 20; het is terstond een kainov ‡nqrwpov, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4 : 24, Col. 3 : 10, wel klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H. Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen niet allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15 : 13, 1 Cor. 12 : 3v., Gal. 5 : 22. Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3 : 8, is het geestelijk leven toch, zoodra het zich in den mengch bewust wordt, van het eerste oogenblik af gebonden aan het Woord Gods. Het is door den H. Geest uit een logov mfutov, uit de inwendige, evangelische roeping van Christus gewekt; het blijft bij zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra het bewust wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van |513| Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in rapport met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin zij wortelt en waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift alleen als uitwendig in letteren beschreven, maar ook als bij den voortduur door den H. Geest gedragen, bezield en gesproken in het hart. De vocatio interna is niet alleen noodig bij het ontstaan maar ook bij den wasdom van het geestelijk leven. Zij geschiedt niet eenmaal en is met de schepping van het leven niet afgeloopen, maar zij zet zich altijd voort; gelijk God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord alle dingen onderhoudt, zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen zijn kljtoi, Rom. 1 : 6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn, Hebr. 3 : 1, die bij den voortduur door God geroepen worden tot zijn koninkrijk, totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2 : 12, 5 : 24. De daad nu, waardoor de H. Geest het Woord van Christus in zijn geestelijken zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit, draagt in de Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1 : 21, 1 Cor. 1 : 21, 2 : 14, Ef. 4 : 18, 5 : 8, is er ook nogdig eene ‡pokaluyiv tou noov, Rom. 12 : 2, Ef. 4 : 23. Deze komt tot stand door God, die door ‡pokaluyiv, in den mensch, n moi, Gal. 1 : 16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis der zaken tot dusverre belette, Mt. 11 : 25, 16 : 17, Gal. 1 : 16, cf. deel I 245. Hij doet dit door den H. Geest te geven, die een pneuma sofiav kai ‡pokaluyewv is, Ef. 1 : 17, in de waarheid leidt, Joh. 16 : 23, alles leert, Joh. 14 : 26, 1 Joh. 2 : 20, en de dingen Gods doet verstaan, 1 Cor. 2 : 10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de duisternis liet schijnen, zoo laat Hij het ook door den Zoon, Mt. 11 : 27 en door den Geest licht worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4 : 6, en maakt de oogen des harten verlicht, Ef. 1 : 18. Daardoor weten zij de dingen, die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor. 2 : 12, hebben zij eene gnwsiv en pignwsiv, d.i. eene hen persoonlijk aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, MI. 11 : 27, 2 Cor. 4 : 6, Ef. 1 : 17, van Christus, Mt. 16 : 17, van de dingen des Geestes Gods, 1 Cor. 2 : 14 enz., en zijn zij kinderen des lichts, Luk. 16 : 8, Ef. 5 : 8, 1 Thess. 5 : 5, burgers van het |514| rijk des lichts, 1 Petr. 2 : 9, Col. 2 : 12 en wandelen in het licht, Ef. 5 : 8, 1 Joh. 1 : 7, 2 : 9, 10. Door de verlichting des H. Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht.

Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als eene kennis des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt, 1 Kon. 8 : 43, 1 Chr. 28 : 9, Ps. 89 : 16, Jes. 1 : 3, 11 : 9, 53 : 11, Jer. 4 : 22, 31 : 34, Hos. 2 : 19, 4 : 1, 6, Mt. 11 : 27, Luk. 1 : 77, Joh. 8 : 32, 10 : 4, 14, 17 : 3, Rom. 10 : 3, 2 Cor. 2 : 14, Gal. 4 : 9, Ef. 4 : 13, Hebr. 8 : 11, 1 Joh. 5 : 20, 2 Petr. 1 : 2, 3 : 18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt zij echter daarmede echter volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap. Er is geen kennis zonder eenig geloof; het dualisme tusschen geloof en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt men in de dogmatiek, behalve van zaligmakend, ook van historisch, Mt. 7 : 26, Joh. 12 : 42, 43, 13 : 17, Hd. 26 : 27, 28, Jak. 2 : 19, tijd-, Mt. 13 : 21, en wondergeloof, Mt. 9 : 2, 17 : 20, Hd. 14: 9, 1 Cor, 13 : 2, welke van het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten, dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum superadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave Gods, Hd. 5 : 31, Ef. 2 : 8, Phil. 1 : 29, vrucht van zijne dunamiv, 1 Cor. 2 : 4, 5, Ef. 1 : 19, 1 Thess. 2 : 13, en bepaaldelijk door den H. Geest geschonken, |515| 1 Cor. 12 : 3, 2 Cor. 4 : 13. Maar zij is toch eene gave, die niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid, welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menschelijke natuur niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen de Remonstranten, b.v. Arminius, Op. 160, dat Adam vóór den val in zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet noodig, Gomarus, Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II 482v. En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven 294. Wijl nu de wedergeboorte principieel eene herschepping is van den ganschen mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des verbonds zijn, ook fideles ante fidem actualem. Wel is het onjuist, om met oudere Luthersche theologen de wedergeboorte in donatio fidei te laten opgaan, cf. M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden evengoed de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den wedergeboren mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor ieder mensch natuurlijk is, om aan de zienlijke wereld te gelooven. Wel gaat, gelijk iedere potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en een tarwegraan alleen in den schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de voortgaande vocatio interna tot de daad des geloofs over. Maar in de wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk tussche:n Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan zijnen Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan zijne kerk, aan zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der wereld gekruisigd en der zonde gestorven, leeft hij Gode. En |516| daarom, verlicht wordende door den H. Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17 : 3.

Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft ten allen tijde Woord en Geest tegenover elkander gesteld, de letter veracht, het inwendige woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich beroepen op de H. Schrift, Jes. 54 : 13, Jer. 31 : 34, Mt. 11 : 25, 27, 16 : 17, Joh. 6 : 45, 1 Cor. 2 : 10, 2 Cor. 3 : 6, Hebr. 8 : 10, 1 Joh. 2 : 20, 27. Daartegen valt op te merken: 1º dat zeer zeker alle kennis, op natuurlijk en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en object en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object en het kennend subject voor elkander schiep. Zoo ook moet op geestelijk terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen kennen in het aangezicht van Christus. 2º De Schrift spreekt dit in bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene de stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh. 2 : 20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de geloovigen van den Heilige, d.i. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24; als zij daarin blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geen nadere onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut. 4 : 1, Jes. 8 20, Joh. 5 : 39, Rom. 1 : 20, 15 : 4, 2 Tim. 3 : 15, 1 Petr. 1 : 25, 2 Petr. 1 : 19 enz. 3º In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch allen inhoud der kennis van buiten verkrijgen moet, deel I 161v. II 39v. Veelmeer is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan zichzelven overgelaten, |517| zouden zij terstond vervallen tot dwaling en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die tot regel strekt van leer en leven. 4º Daar komt nog bij, dat niet zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen, het voorwerp dezer religieuse kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat heeft God in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver en onvermengd, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd te worden. 5º En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van Christus, naar de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker maar steeds onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zelven, deel I 503v. Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het geloof in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet zalig, maar God maakt zalig in Christus door den H. Geest. Hij maakt zalig, door de weldaden des verbonds, door Christus, door zichzelven te schenken aan den zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien zij ons niet bewust ware en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te kennen en door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving der zonden, aan de wedergeboorte en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan de hemelsche |518| heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis van hadden. Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten. Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier op aarde nog slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap met God, de wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, wijl de kennis onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift gebonden is, daarom is de kennisse Gods hier op aarde een kennis des geloofs. Het geloof is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt, de eenige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving, wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze; wij zijn alleen in hope zalig.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004