5. Tegen deze inwendige roeping en wedergeboorte wordt echter van pelagiaansche zijde altijd het bezwaar ingebracht, dat zij in het geestelijke een physischen dwang invoert, met de natuur van een redelijk wezen in strijd is, den mensch geheel passief maakt, de zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid ondermijnt. Het pelagianisme is er daarom altijd op uit, om de weerstaanbaarheid der roeping te handhaven en wedergeboorte, bekeering, heiligmaking, volharding enz. te laten afhangen van eene beslissing van den wil. Wedergeboren en gerechtvaardigd wordt hij alleen, die vooraf vrijwillig eene of andere conditie volbrengt, gelooft, zich bekeert, gezind is om Gods geboden te onderhouden enz. Het wikkelt zich daarmee terstond in tal van onoplosbare moeilijkheden. Indien de mensch tot het volbrengen van die conditiën van nature in staat is, is hij zoo goed, dat |506| er heel geen wedergeboorte in den zin der Schrift van noode is; eenige zedelijke opvoeding en verbetering is dan meer dan voldoende. Indien de mensch de kracht, om het evangelie al dan niet aan te nemen, vooraf door de gratia praeveniens in doop of roeping ontvangen moet, dan gaat er ook hier een gratia irresistibilis aan het gelooven vooraf, want de gratia praeparans wordt aan allen zonder hun willen of weten geschonken; dan heeft feitelijk de wedergeboorte al plaats vóór de beslissing van den mensch, want operari sequitur esse, de daad volgt op het vermogen, de wil, die tot het aannemen van het evangelie in staat stelt, is blijkens het evangelie van Johannes reeds een vernieuwde en herboren wil. Alleen is dan niet in te zien, hoe er na dat alles nog eene vrije wilskeuze mogelijk is; de wil is immers door de buiten zijn toedoen hem geschonken goede kracht reeds ten goede gedetermineerd, en juist in diezelfde mate ten goede gedetermineerd, als zij kracht tot eene goede keuze ontving; hoe meer men den wil door de zonde verzwakt laat zijn en hoe meer kracht men hem in de gratia praeveniens schenken laat, des te meer en in diezelfde mate houdt ook zijne indifferente vrijheid op. Daarbij is het raadselachtig, waartoe zulk eene vrije wilskeuze nog noodig is; als God toch reeds van te voren en onwederstandelijk den mensch in zooverre vernieuwen moet, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, waartoe dient de handhaving van de indifferente wilsvrijheid dan nog anders, dan alleen om Gods genade wederom te verijdelen, zijn genadeverbond weer even wankel en onvast te maken als dat der werken vóór den val, en Christus nog machteloozer en liefdeloozer voor te stellen dan Adam? Want Hij heeft alles volbracht en alles verworven, maar als Hij het wil toepassen, stuit zijne macht en zijne liefde af op den, nog wel met nieuwe krachten toegerusten wil van den mensch! Alleen om eene schijnvrijheid van den mensch te redden, wordt God van zijne souvereiniteit, het genadeverbond van zijne vastigheid, Christus van zijne koninklijke macht beroofd.

En als men er dan nog maar iets mede won; maar inderdaad verliest men er alles bij. Niet alleen wordt bij de volwassenen de indifferente wilsvrijheid slechts in schijn gered. Maar bij de kinderen blijkt heel de leer onvoldoende en de onbarmhartigheid zelve. Want één van beide: de gratia, die aan de kinderen geschonken wordt, is voldoende ter zaligheid en opent hun, indien zij vroeg sterven, de poorte |507| des hemels — en dan worden zij behouden zonder hun toedoen en zonder zelf gekozen en beslist te hebben; of zij is niet voldoende, maar dan zijn ook alle kinderkens verloren, die vroeg, voordat zij kiezen konden, stierven; en van de kinderen, die opwassen, vallen er door vrije wilskeuze weer duizenden bij duizenden af. Het pelagianisme in zijne verschillende vormen schijnt barmhartig te zijn; maar het is niets anders dan de barmhartigheid van den farizeër, die zich om de tollenaars niet bekommert. Om de wilsvrijheid bij enkele duizenden volwassenen te redden, en dan nog maar in schijn, geeft het, naar evenredigheid, millioenen van kinderkens aan de verdoemenis prijs. Ten slotte blijft het een raadsel, wat het pelagianisme daarop tegen hebben kan, dat God zijne krachtdadige genade aan zondaren verheerlijkt. Indien het de vraag opwierp, waarom God die genade slechts aan velen en niet aan allen schenkt, zou het bij iedereen een welwillend oor vinden. Wie heeft die vraag niet in zich voelen oprijzen en wie is er niet tot in het diepste zijner ziel door ontroerd? Maar die vraag keert op ieder standpunt weer en wordt door Pelagius even min als door Augustinus beantwoord; allen zonder onderscheid moeten rusten in het welbehagen Gods. De belijders van Gods souvereiniteit zijn hierbij in geen geval in ongunstiger conditie dan de verdedigers van den vrijen wil. Want, gelijk boven aangetoond werd, schenkt de gratia externa volgens de Gereformeerden aan allen, die onder het evangelie leven, minstens zooveel genade, als volgens de Pelagianen in de zoogenaamde gratia sufficiens hun verleend en door hen tot eene vrije keuze vóór of tegen het evangelie genoegzaam wordt gekeurd. De leer der inwendige roeping ontneemt aan de uitwendige roeping geen enkele zegening en. weldaad, welke er naar het pelagianisme of semipelagianisme, volgens Roomschen, Lutherschen of Remonstranten door God mede verleend wordt. Op Gereformeerd standpunt blijven alle uitwendig geroepenen objectief in dezelfde conditie verkeeren, als waarin zij naar andere belijdenissen zich bevinden. De bewering der Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in den mensch, als zij niet bepaald genade der wedergeboorte is, ongenoegzaam is, om den mensch tot eene vrije, besliste aanneming van het evangelie te brengen. Om te gelooven in Christus, is volgens de duidelijke leer van het evangelie van Johannes, niet minder dan wedergeboorte van noode, eene werking van Gods |508| kracht als in de opwekking van Christus, Ef. 1 : 19, 20. Alle mindere genade, hoe rijk en heerlijk, is onvoldoende; eene genade, die zonder te wederbaren toch den wil zoover herstelt, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd en is ook eene psychologische ongerijmdheid. Al ware deze hunne belijdenis ook onjuist, (des neen), zij brengt hoegenaamd geen verandering ten nadeele in den toestand van hen, die volgens de belijdenissen van alle Christenen ten slotte om hun ongeloof verloren gaan. Doch boven de voorstanders van de vrije wilskeuze hebben die van de Gereformeerde religie dit in elk geval voor, dat, Gods raad zal bestaan, dat zijn genadeverbond niet wankelt, dat Christus waarachtig en volkomen Zaligmaker is, dat het goede i.e.w. eens onfeilbaar zal triumfeeren over het kwade. Wat ernstig bezwaar kan daartegen worden ingebracht? Indien wij zonder ons weten der verdoemenis in Adam kunnen deelachtig zijn — een feit, dat niemand loochenen kan — waarom zouden wij dan niet veelmeer zonder ons weten door God in Christus tot genade aangenomen kunnen worden? Van dwang is toch bij deze genade geen sprake. Om een oogenblik sterk te spreken, indien deze genade niet krachtens haar aard dwang uitsloot en God werkelijk dwang gebruikte; wie zou dan toch nog aan het einde het recht of ook zelfs den lust hebben zich te beklagen, indien hij alzoo aan het eeuwig verderf ontrukt en in het eeuwige leven overgebracht werd? Wie zou den man gelijk geven, die zich er over beklaagde, dat men hem, zonder zijne wilsvrijheid te eerbiedigen, uit levensgevaar had gered? Maar het is niet zoo; er is in de inwendige roeping en wedergeboorte geen dwang bij God, bia oÇ prosesti tû qeû, Ep. ad Diogn. 7. Geen enkele vrome, van wat belijdenis ook, die in het werk der genade van dwang heeft gesproken, ook al werd hij als een brandhout uit het vuur gerukt. Veeleer zou het zijn wensch zijn, dat God met meer macht in hem de zonde brak en zonder den langen weg van strijd de zaligheid hem deelachtig maakte. Maar zoo doet God in de genade niet; alle dwang is met haar wezen in strijd.

Want immers de genade is geen physische kracht. De Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio, de Roomschen vatten het beeld Gods hoe langer hoe meer op als een substantieel toevoegsel aan de natuur van den mensch. Maar de Gereformeerden spraken niet alzoo. Niet alleen hielden zij het beeld Gods |509| voor wezenlijk eigen aan den mensch, maar zij weigerden zelfs, om de genade Gods in de vocatio interna als eene physische te omschrijven; zij was wel niet louter ethisch of moreel, maar zij was ook niet van physischen aard, en daarom het best als supernaturalis en divina te bepalen. Zij brengt toch in geen enkel opzicht eenige nieuwe substantie in de bestaande schepping in, gelijk Manicheën en Anabaptisten dat leeren, M. Vitringa III 224 sq. Dat doet zij niet objectief, inzoover met de genade de persoon en het werk van Christus kan worden aangeduid, want Christus, schoon ontvangen van den H. Geest, nam zijne menschelijke natuur aan uit Maria en bracht ze niet uit den hemel mede. Maar zij doet het ook niet in subjectieven zin. De genade schept nooit, zij herschept. De wedergeboorte, welke zij tot stand brengt, beteekent noch in haar eerste, noch in haar tweede, noch in haar derde beteekenis, dat er van buiten af eenige substantie aan mensch of wereld toegevoegd of in hen ingedragen wordt. Het zijn dezelfde menschen, die eertijds duisternis, Ef. 5 : 5, dood in zonden en misdaden, Ef. 2 : 2, roovers, gierigaards enz, 1 Cor. 6 : 11 waren, en die nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn. De continuiteit van het ik blijft gehandhaafd. En zoo is het ook dezelfde hemel en dezelfde aarde, die aan het einde der dagen vernieuwd zullen worden. Christus is geen nieuwe, tweede Schepper, maar Herschepper, Reformator aller dingen. Wijl de zonde niet eene substantie is maar de forma der dingen aangetast en verwoest heeft, daarom kan de herschepping in geen creëeren van eenige substantie, maar moet zij in eene herstelling der forma, in reformatie bestaan. Reeds hierdoor is alle gedachte aan physischen dwang bij de genade uitgesloten. Maar er is meer. Niet alleen brengt zij geen nieuwe substantie in de schepping in, maar zij ontneent er ook niets wezenlijks aan, niets, dat haar (ofschoon wel „van nature”, toch) wezenlijk eigen is. De zonde behoort niet tot het wezen der schepping. En de genade neemt niets anders uit ons weg dan de zonde alleen. Zij onderdrukt niet, zij herstelt de natuur; non tollit sed restituit et perficit voluntatem. Zij neemt uit ons verstand de duisternis, uit onzen wil de zwakheid, de machteloosheid weg. Zij geeft ons terug, wat wij naar ons wezen, naar de idee, moesten hebben doch door de zonde verloren. Zij herschept ons naar het evenbeeld desgenen, die ons geschapen heeft. Het is waar, dat zij, gelijk |510| ze eenerzijds niet in het inplanten eener nieuwe substantie bestaat, zoo ter andere zijde niet in eene uitwendige, zedelijke verbetering van gezindheid en daden opgaat. Zij is niet maar eene reformatio vitae, gelijk de Socinianen haar omschreven, M. Vitringa III 225 cf. 227; de Schrift spreekt daartoe van de wedergeboorte in veel te sterke bewoordingen; reeds het O.T. duidt haar aan als eene besnijdenis des harten, Deut. 30 : 6, een scheppen van een rein hart en vernieuwen van een vasten geest, Ps. 51 : 12, een wegnemen van het steenen en geven van een vleeschen hart, Jer. 31 : 33v. Ezech. 11 : 19, 36 : 25, en het N.T. bezigt de woorden: geboorte van boven, Joh. 3 : 3, uit God, 1 : 13, uit den Geest, 3 : 5, 6, 8, wedergeboorte, Tit. 3 : 5, en zegt, dat degenen, die deze weldaad ontvingen, daardoor een nieuw schepsel, 2 Cor. 5 : 17, Gods maaksel, Rom. 14 : 20, Ef. 2 : 10, nieuwe menschen, Ef. 2 : 15, 4 : 10, 24 zijn, ééne plante met Christus geworden zijn in zijn dood en opstanding, Rom. 6 : 5, in Christus of in den H. Geest leven en wandelen enz. De weldaad der wedergeboorte is dus veel te groot, dan dat ze door eene suasio moralis van het woord der prediking zou kunnen worden voortgebracht, zij onders telt veeleer eene Goddelijke almachtige kracht, Ef. 1 : 19, 20; en zij is ook te rijk, dan dat zij alleen in eene verandering van de daden of uitingen van de menschelijke vermogens zou bestaan. Immers is de zonde, schoon met eene daad begonnen zijnde, in de natuur des menschen zelve ingedrongen; zij is geen substantia maar ook geen actus alleen; zij is eene innerlijke verdorvenheid van den ganschen mensch, van zijne gedachten en woorden en daden niet slechts, maar ook van zijn verstand en wil, en wederom van deze niet alleen maar ook van zijn hart, waaruit alle ongerechtigheden voortkomen, van het innerlijkste, de kern, den wortel van zijn wezen, van het ik des menschen zelf. En daarom is de wedergeboorte zulk eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste, verborgene en onuitsprekelijke werking Gods, waardoor Hij indringt tot in de binnenste deelen des menschen, het gesloten hart opent, het harde vermurwt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe hoedanigheden in den wil instort en dien van dood levend, van kwaad goed, van niet-willende gewillig, van wederspannig gehoorzaam maakt, Can. Dordr. III 11. 12. Nieuwe hoedanigheden zijn het dus wel, welke de wedergeboorte in den mensch inplant, maar het zijn toch geen andere, dan die tot zijn wezen behooren, |511| hebbelijkheden, gezindheden, neigingen, die oorspronkelijk in het beeld Gods begrepen waren en met Gods wet overeenstemden, en die de gevallen, zondige menschelijke natuur van haar duisternis en slavernij, van haar dood en ellende bevrijden. Al is het dan ook, dat de genade, die de wedergeboorte werkt, terecht irresistibilis of nog beter insuperabilis heet, wijl zij allen tegenstand van den zondigen mensch verwint; al is zij eene gratia operans, die in den mensch werkt zonder eenige medewerking van zijn wil; toch is en blijft zij eene potentissima simul et sua vissima operatio, die in de menschen niet als in stokken en blokken werkt, den wil en zijne eigenschappen niet wegneemt noch hem dwingt met geweld, maar maakt hem geestelijk levende, geneest, verbetert en buigt hem op eene wijze, die liefelijk en tegelijk krachtig is. Cf. Can. Dordr. III IV en de oordeelen der afgevaardigden over het 3e en 4e art. der Remonstranten, voorts de werken over de genade, boven bl. 479 aangehaald en verder nog Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, de statu electorum ante conversionem, Disp. II 402-432, de regeneratione, ib. 432-468, an Christus electis et salvandis specialem gratiam regenerationis et fidei sit meritus, ib. V 270-277. Turretinus, Theol. El. XV qu. 3-6. Spanhemius, Elenchus controv. de religione, Op. III 875 sq. Id. Disp. theol. de quinquarticulanis controversiis, Op. III 1167-1188. Hoornbeek, Theol. pract. lib. 6. Moor IV 442-534 enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004