4. Deze roeping, in den zin van Paulus opgevat, komt daardoor vanzelf in het allernauwste verband te staan met wat elders wedergeboorte heet. Dat blijkt reeds daaruit, dat Paulus, de roeping steeds krachtdadig nemende, van wedergeboorte bijna niet spreekt. Slechts eenmaal bedient hij zich van dit woord, als hij in Tit. 3 : 5 zegt, dat God ons niet heeft zalig gemaakt uit onze werken, maar overeenkomstig zijne barmhartigheid dia loutrou paliggenesiav kai ‡nakainwsewv pneumatov ƒgiou, d.i. door middel van het bad der door den H. Geest gewerkte wedergeboorte en vernieuwing. Wedergeboorte wordt hier met vernieuwing verbonden, wijl zij er de aanvang en het beginsel van is; saam worden zij toegeschreven aan den H. Geest; en beide worden als een bad gedacht, waarin de H. Geest de geloovigen ondergedompeld heeft en waaruit Hij hen als nieuwe menschen heeft doen opstaan. Volgens Rom. 6 geschiedt dit in den doop als teeken en zegel van het genadeverbond. Als de uitverkorenen n.l. geroepen worden, dan ontvangen zij terstond door het geloof de rechtvaardigmaking en de aanneming tot kinderen in juridischen zin, Rom. 3 : 22, 24, 4 : 5, 5 : 1, Gal. 3 : 26, 4 : 5, enz., maar tegelijk daarmede ook de gemeenschap met Christus, Rom. 6 : 3v., de verheerlijking naar zijn beeld, Rom. 8 : 29, 30, 1 Cor. 4 : 15, 2 Cor. 3 : 18, Gal. 4 : 19, en dus, wijl Christus zelf levendmakende Geest is, 1 Cor. 15 : 45, 2 Cor. 3 : 17, den Geest van Christus als principe van een nieuw leven, Gal. 3 : 2, 4 : 6, zoodat de geloovigen nu geestelijke, nieuwe menschen zijn, 1 Cor. 2 : 15, 2 Cor. 5 : 17, Gal. 6 : 15, Ef. 2 : 15, 4 : 24, Col. 3 : 10, wandelende in, geleid door en tempelen zijnde van den H. Geest, Rom. 8 : 14, 1 Cor. 6 : 19, Gal. 5 : 25 enz. Het woord wedergeboorte moge daarom bij Paulus slechts eenmaal voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem toch ten grondslag aan het nieuwe leven, dat de geroepene in de gemeenschap met Christus deelachtig wordt. Verwant is de voorstelling bij Petrus, die I, 1, 23 de geloovigen vermaant |501| elkander lief te hebben, wijl zij zijn ‡nagegennjmenoi oÇk k sporav fqartjv ‡lla ‡fqartou, dia logou zwntov qeou kai menontov, d.i. door God, cf. 1 : 3, opnieuw geboren, niet uit vergankelijk zaad, zooals bij de eerste geboorte, maar uit onvergankelijk zaad, d.i. het woord Gods, zooals het door de roeping Gods in den mensch ingeplant, een logov mfutov, Jak. 1 : 21 en het beginsel van een nieuw leven wordt, en dat door middel van het hun verkondigde, levende en blijvende woord van God cf. vs. 25. Evenzoo zegt Jakobus 1 : 18, dat God ons naar zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, ‡pekujsen, door het woord der waarheid, opdat wij, Christenen, de eerstelingen van Gods schepselen zouden zijn, d.i. het ware Israel, het bijzonder eigendom Gods, de rechtmatige erfgenamen der belofte. Overal is hier de wedergeboorte gedacht als aanvang, beginsel, grond der heiligmaking, door God of zijn Geest inwendig bewerkt, en plaats hebbende door middel van de roeping door het woord. Maar Johannes beschouwt de wedergeboorte uit een ander gezichtspunt. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3 : 6 en staat vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren zijn, 1 : 13, zijn uit, 8 : 23, 15 : 19 en behooren tot de wereld, 14 : 17, 19, 22 enz.. zijn van beneden, 8 : 23, uit den duivel, 8 : 44, begrijpen het licht van den Logos niet, 1 : 5, nemen Hem niet aan, 1 : 11, hebben de duisternis liever dan het licht, 3 : 19, 20, hooren niet, 8 : 47, kennen God niet, 8 : 19, 15 : 2 1, zien het koninkrijk Gods niet, 3 : 3, wandelen in de duisternis, 12 : 35, haten het licht, 3 : 20, en zijn dienstknechten der zonde, 8 : 34. Zij kunnen ook het koninkrijk Gods niet zien, 3 : 3, niet gelooven, 5 : 44, 12 : 39, niet het woord Gods hooren, 8 : 43, niet tot Christus komen, 6 : 44, den H. Geest niet ontvangen, 14 : 17. En daarom is er wedergeboorte van noode. Deze is een gennjqjnai ‡nwqen, d.i. van boven, 3 : 3, cf. 3 : 31, 8 : 23, 19 : 11, 23, k qeou, 1 : 13, 12, 20, 3 : 9 enz., uit water en Geest, 3 : 5, d.i. uit den Geest, 3 : 6, 8, wiens reinigende werkzaamheid in het water haar beeld heeft, cf. Ezech. 36 : 25-27, Mt. 3 : 11, geheimzinnig en wonderlijk, zoodat niemand oorsprong en wezen ervan kent, 3 : 8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes ook niet met het woord of met de roeping in verband gebracht, maar gaat daaraan veeleer vooraf. Immers werkte Christus als Logos ook reeds vóór zijne vleeschwording, 1 : 1-13; Hij scheen |502| als licht in de wereld, maar deze kende Hem niet, 1 : 5, 9, 10. Hij kwam tot het zijne, tot Israel, en de zijnen namen Hem niet aan, 1 : 11; maar toch was ook toen zijne komst niet geheel vruchteloos, want zoovelen als Hem aannamen, kregen toen al de macht om kinderen Gods te worden. En dat waren dezulken, die uit God geboren waren, 1 : 12, 13 cf. 1 Joh. 5 : 1. Voordat de menschen tot Christus komen en in Hem gelooven, zijn zij al uit God, 8 : 47, uit de waarheid, 18 : 37; zij worden door den Vader gegeven aan den Zoon, 6 : 37, 39, 17 : 2, 9; Hij trekt ze tot Christus, 6 : 44; en al wie zoo tot Christus komt, werpt Hij niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij tot het eeuwige leven, 6 : 39, 10 : 28, 17 : 12. Christus komt, om hen, die als door den Vader Hem gegeven zijne schapen reeds zijn, 10 : 27, toe te brengen, om hen zijne stem te doen hooren en volgen en tot ééne kudde te vergaderen, 10 : 16, 11 : 52; om hun, die al in zekeren zin kinderen Gods zijn, 11 : 52, de xousia, het recht en de bevoegdheid te schenken, om het te worden, om zich als zoodanig, als geborenen uit God, als tekna tou qeou, te openbaren en dit vooral te toonen in de broederlijke liefde, d.i. in de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5 : 1. Uit dit alles blijkt, dat Johannes de wedergeboorte niet in de eerste plaats als eene ethische, doch als eene metaphysische daad Gods denkt, door zijn Geest op wondervolle wijze, onmiddellijk gewerkt, opdat de alzoo wedergeborenen juist in Christus gelooven en als kinderen Gods in broederlijke liefde openbaar zouden worden. Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen tot een gnostisch dualisme herleid, Scholten, Het Ev. naar Joh. 1864 bl. 89v. Holtzmann, Neut. Th. II 468 f. Het is immers geen dualisme, dat van nature bestaat, want alle dingen zijn oorspronkelijk door den Logos geschapen, 1 : 3; de wereld gansch in het algemeen is het voorwerp van Gods liefde, 3 : 16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordeelen maar te behouden, 3 : 17, 12 : 47. Van nature behooren echter alle menschen tot de wereld, die het licht haat, wijl hare werken boos zijn, 3 : 19, 20. Zoo hangt het dus van het geloof af, of iemand het eeuwige leven ontvangt, 3 : 15, 16, 36. Dat geloof is een rgon, 6 : 29, het is een komen, 5 : 40, 6 : 35, 37, 44, 7 : 37, een aannemen, 1 : 11, 12, 3 : 11v., 5 : 43, een dorsten en drinken, een hongeren en eten, 4 : 13-15, 6 : 35, 50v., 7 : 37, |503| het gaat niet buiten verstand en wil om maar heeft daarin zijn wortel, 7 : 17. Het ongeloof wordt daarom ook aan den onwil des menschen toegeschreven, 5 : 40, 8 : 44; de mensch blijft er verantwoordelijk voor, 3 : 19, 9 : 41, 12 : 43, 15 : 22, 24. En al is het ook, dat de geloovigen niet meer kunnen verloren gaan, 10 : 28. 29, zij worden toch vermaand, om in Christus en in zijn woord te blijven, wijl zij anders geen vrucht kunnen dragen, 15 : 4-10. Ofschoon Johannes dus de tegenstelling van geloof en ongeloof tot eene daad Gods terugleidt, waardoor Hij aan den eenen geeft wat Hij aan den anderen onthoudt, hij wil daarmede geenszins de zelfwerkzaamheid en de verantwoordelijkheid des menschen te niet doen; veeleer laat hij beide naast elkander staan, Holtzmann II 494 f. Bij alle verschil in voorstelling, is er daarom tusschen Paulus en Johannes overeenstemming in de zaak. Verschil is er daarin, dat Paulus de wedergeboorte beschouwt als den ethischen aanvang van een nieuw, heilig leven en haar tot stand laat komen door de krachtdadige roeping Gods; Johannes vat ze op van hare metaphysische zijde en verklaart uit haar het feit, dat velen Jezus’ woord hooren en aannemen, door het geloof tot Hem gaan en het eeuwige leven ontvangen. Op overeenkomstige wijze werd in den eersten tijd der Hervorming de wedergeboorte in ruimeren zin genomen voor de gansche vernieuwing des menschen, terwijl zij in later tijd beperkt werd tot de instorting van het beginsel des nieuwen levens, welke aan de daad des geloofs voorafging. Voegen wij hieraan nu nog het woord van Jezus in Mt. 19 : 28 toe, dan blijkt, dat de Schrift van de wedergeboorte in drieërlei zin spreekt: als beginsel des nieuwen levens, dat door den Geest Gods vóór het geloof in den mensch geplant wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen door het woord en den Geest van Christus, en eindelijk, als herstelling van de gansche wereld in haar oorspronkelijke volkomenheid. Zoo omvat de wedergeboorte het gansche werk der herschepping van haar allereersten aanvang in den mensch af tot haar voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde toe. Deze gansche herschppping heeft in Christus, bepaaldelijk in zijne opstanding, haar grond, 1 Petr. 1 : 3, haar beginsel in het woord en den Geest van Christus, haar auteur in Christus zelven, die de reformator der schepping is.

Hieruit wordt ook het verband duidelijk, dat tusschen |504| wedergeboorte en roeping bestaat. 1º Er is geen wedergeboorte zonder roeping. Gelijk God in den beginne alle dingen schiep door te spreken en nog alle dingen draagt door het woord zijner kracht, zoo brengt ook Christus de herschepping tot stand door de macht van zijn woord, 2º Deze roeping heeft tot inhoud niet een woord Gods in het algemeen, maar bepaaldelijk het woord van Christus. Hij heeft door zijn lijden en sterven het recht tot de herschepping aller dingen verworven. Hij heeft haar in zijne opstanding principieel gerealiseerd; wanneer Christus als middelaar spreekt, gehoorzaamt alles zijn woord en komt uit den dood het leven te voorschijn; Hij maakt levend, die Hij wil, Joh. 5 : 21, 25, 28v. Inhoud der roeping is daarom het evangelie, de blijde boodschap van Christus; daardoor alleen worden alle dingen vernieuwd. 3º Dit woord van Christus, voor een oogenblik daargelaten, of het uitwendig, hoorbaar door menschen gebracht wordt of niet, moet in elk geval een logov mfutov worden, Jak. 1 : 21. Eerst als het in den mensch, in de schepselen ingeplant wordt, komt daaruit als k sporav ‡fqartou, 1 Petr. 1 : 23 het nieuwe leven te voorschijn. 4º Het evangelie, het woord van Christus, zóó verkondigen, dat het niet alleen tot de schepselen gebracht maar in hen ingeplant wordt, kan alleen de H. Geest. Gelijk de schepping geschiedde door Woord en Geest, zoo volbrengt ook Christus de herschepping door zijn woord en zijn Geest. Hij is zelf geworden tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15 : 47, 2 Cor. 3 : 17, en herschept alle dingen sprekende door den Geest, Rom. 8 : 9v. 5º Deze wedergeboorte onderstelt geenszins het bewuste leven en het actieve willen. Zij heeft, als herstelling der schepping in Mt. 19 : 28, zelfs het redeloos schepsel tot object en zij valt blijkens enkele voorbeelden in de Schrift in kinderen, voordat zij tot jaren des onderscheids gekomen zijn; immers is ook de kinderdoop gebouwd op de onderstelling, dat kinderen zonder hun weten in Christus tot genade kunnen aangenomen worden; zij gaat volgens Johannes’ evangelie aan het komen tot en gelooven in Christus vooraf. In al deze gevallen is er eene wedergeboorte alleen door inwendige, mnder uitwendige roeping. 6º Ook wanneer zij tijdelijk samenvalt met of plaats heeft na de uitwendige roeping, dia logou zwntov qeou kai menontov, 1 Petr. 1 : 23, is zij zelve toch altijd onmiddelijk, wijl zij niet voortkomt uit het gepredikte woord, maar k pneumatov, Joh. 3 : 5, 6, 8. k sporav ‡fqartou, 1 Petr. 1 : 23. De H. Geest werkt |505| wel met en door, maar zijne werking is niet besloten binnen het gepredikte woord; Hij maakt het zelf door de inwendige roeping tot een logov mfutov en doet daaruit het nieuwe leven te voorschijn komen. 7º Omdat het nieuwe leven echter nooit voortkomt noch voorkomen kan dan, uit het ingeplante woord en den Geest van Christus, is het, zoodra het tot bewustzijn ontwaakt, aan het objectieve, uitwendige woord van Christus gebonden, dat met dat inwendige hetzelfde evangelie tot inhoud heeft. Regel van leer en leven is alleen de H. Schrift. 8º Inwendige roeping en wedergeboorte staan in verhouding als zaad en plant, 1 Petr. 1 : 23, als een spreken door en een hooren en leeren van den Vader, Joh. 6 : 45, als trekken en volgen, 6 : 44, als geven en aannemen, 6 : 65, als aanbieding en (passieve) aanvaarding des heils, Amesius, Med, Theol. I 26, 7v. Voetius, Disp. II 452. 463 sq. Heidegger, Corp. Theol. 21, 61. Terwijl dus aan de wedergeboorte altijd een spreken Gods, een logov mfutov voorafgaat, bieden ons noch de Schrift noch de ervaring genoegzame gegevens aan de hand, om te bepalen, of de wedergeboorte bij volwassenen in den regel ook plaats grijpt na en door de uitwendige roeping, dan wel aan haar voorafgaat, Voetius Disp. II 461. Uit het evangelie en de brieven van Johannes kan afgeleid worden, dat zij logisch, maar toch niet, dat zij ook temporeel aan haar voorafgaat; en Paulus, Petrus en Jadobus houden uit- en inwendige roeping steeds met elkaar in het nauwste verband.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004