3. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen der vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloof en de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste en laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop werd in de christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord gegeven. Sommigen zeiden, dat die verschillende uitkomst te danken was aan den wil des menschen, hetzij die wil van nature |496| of door de genade van den Logos of door die in den doop of ook door die in de roeping de kracht ontvangen had, om het evangelie aan te nemen of te verwerpen. Op dit standpunt is er geen onderscheid van vocatio externa en interna, van vocatio sufficiens en efficax. Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd en bij allen dezelfde; zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als iemand haar gehoor geeft. Na alwat vroeger, vooral deel II 355v. over het pelagianisme gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige weerlegging meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt. Men kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan en bepaaldelijk het ongeloof toeschrijven aan den wil van den mensch. Men spreekt dan ook naar waarheid, Deut. 30 : 19, Jos. 24 : 15, Jes. 65 : 12, Mt. 22 : 2, 23 : 37, Joh. 7 :17, Rom. 9 : 32 enz.; de zondige wil van den mensch is oorzaak van zijn ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen ten allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid alleen aan Gods genade toe, deel II 351. Er is niets, dat hen onderscheidt dan die genade alleen, 1 Cor. 4 : 7. En daarom kan dit onderscheid ter laatste instantie niet liggen in den menschelijken wil. Blijft men daarbij toch als de laatste oorzaak staan, dan verheffen zich in eens al de psychologische, ethische, historische en theologische bezwaren, die ten allen tijde tegen het pelagjanisme ingebracht zijn. Eene onberekenbare willekeur wordt ingevoerd, de zonde verzwakt, de beslissing over de uitkomst der wereldgeschiedenis in handen van den mensch gelegd, de regeering aller dingen aan God onttrokken, zijne genade te niet gedaan. Ook al schrijft men de macht, om voor of tegen het evangelie te kiezen, aan de herstelling door de genade toe, de zaak wordt daardoor toch niet beter. Men voert dan eene genade in, die enkel en alleen in de herstelling der wilskeuze bestaat, van welke de Schrift met geen woord melding maakt, die eigenlijk de wedergeboorte al onderstelt en ze toch eerst na goede keuze van den wil tot stand brengen moet, cf. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. II 325. Ook raakt men op dit standpunt verlegen met al die millioenen van menschen, die nooit het evangelie hebben gehoord of ook als kinderkens wegstierven en die daarom nooit in de gelegenheid werden gesteld, om Christus aan te nemen of te verwerpen. De vrije wil des menschen kan daarom de laatste oorzaak van geloof en ongeloof niet zijn. Een ander |497| antwoord werd daarom op de bovengestelde vraag door Bellarminus gegeven; hij verwierp zoowel de leer van Pelagius als van Augustinus, zocht een middenweg te bewandelen, en zeide, dat de efficacia der roeping daarvan afhing, of zij tot iemand kwamin een geschikten tijd, als zijn wil genegen was om haar op te volgen (congruitas), de grat. et lib. arb. I 12. IV 11, en zoo verder de congruisten, en in de Geref. kerk Pajon, Kleman en ook Shedd, Syst. Theol. II 511-528, die de zaligheid in the highest degree probable noemt voor ieder, die ernstig en ijverig van de middelen der genade gebruik maakt. Maar ook dit antwoord is onbevredigend. Er ligt in de congruitas wel eene belangrijke waarheid, die door het methodisme miskend, in de Geref. leer van de gratia praeparans tot haar recht komt. Maar zij is geheel onvoldoende, om de efficacia der roeping te verklaren. Immers is zij in haarzelve niet anders dan eene suasio moralis, welke uiteraard onmachtig is dat geestelijk leven te scheppen, hetwelk volgens de Schrift door wedergeboorte in den mensch ontstaat; voorts onderstelt zij, dat de mensch in het eene oogenblik niet, in het andere wel geschikt is om de genade aan te nemen, en zoekt de zonde dus in de omstandigheden en verzwakt die in den mensch; verder legt zij de beslissing in den wil des menschen en roept daardoor al de bedenkingen weer op, die boven genoemd en door Bellarminus zelven tegen het pelagianisme ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk van aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom de efficacia der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door de Augustinianen, de Thomisten en de Gereformeerden de oorzaak, waardoor de roeping bij den een vrucht droeg en bij den ander niet, in den aard der roeping zelve gezocht. De eersten zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is, eene delectatio victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het velle schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio of actio Dei physica, welke het posse agere, door de vocatio sufficiens geschonken, in een agere deed overgaan; maar de Gereformeerden hadden tegen deze termen bezwaar, vooraltegen de omschrijving van de daad Gods in de bekeering als eene physische en spraken liever van eene vocatio externa en interna. Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor, |498| de praed. sanct. c. 8, werd van hem overgenomen door Calvijn, op Rom. 10 : 16, Acta Syn. Trid. c. antidoto sess. 6, C.R. 35, 480. Inst. III 24, 8 enz., en dan ingeburgerd in de Geref. theologie. Eerst werd deze tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd, n.l. vocatio materialis en formalis, signi en beneplaciti, communis en singularis, universalis en specialis enz., Polanus, Synt. VI c. 32, maar de naam van uit- en inwendige roeping kreeg de overhand en heeft allengs de andere verdrongen.

Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de Schrift niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1º reeds daaruit voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn, verdoemelijk voor Gods aangezicht, Rom. 3 : 9-19, 5 : 12, 9 : 21, 11 : 32, dood in zonden en misdaden, Ef. 2 : 2, 3, verduisterd in het verstand, 1 Cor. 2 : 14, Ef. 4 : 18, 5 : 8, het koninkrijk Gods niet kunnende zien, Joh. 3 : 3, slaven der zonde, Joh. 8 : 34, Rom. 6 : 20, vijanden Gods, Rom. 8 : 7, Col. 1 : 21, die zich der wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8 : 7, uit zichzelven niets goeds kunnen denken of doen, Joh. 15 : 5, 2 Cor. 3 : 5, en, ofschoon het evangelie voor den mensch is, toch er vijandig tegenover staan en het als een ergernis of dwaasheid verachten, 1 Cor. 1 : 23, 2 : 14. Uit den mensch is daarom het onderscheid niet te verklaren, dat na de roeping waartenemen valt. Alleen God en zijne genade maakt onderscheid, 1 Cor. 4 : 7. 2º De prediking des Woords is zonder meer niet voldoende, Jes. 6 : 9, 10, 53 : 1, Mt. 13 : 13v, Mk. 4 : 12, Joh. 12 : 38-40 enz.; reeds in het O.T. werd daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een nieuw hart schenken zou, Jes. 32 : 15, Jer. 31 : 33, 32 : 39, Ezech. 11 : 19, 36 : 26, Joel 2 : 28; en daartoe werd. Hij op den pinksterdag uitgestort, om met en door de apostelen te getuigen van Christus, Joh. 15 : 26, 27, om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, Joh. 16 : 8-11, om te wederbaren, Joh. 3 : 5v., 6 : 63, 16 : 13, en te leiden tot de belijdenis van Jezus als den Heere, 1 Cor. 12 : 3. Daarom wordt 3º het werk der verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan God toegeschreven, en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in dien engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de wedergeboorte en bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods, Rom. 9 : 16; |499| de roeping is realiseering der verkiezing, Rom. 8 : 28, 11 : 29. liet is God, die het hart vernieuwt en er zijne wet in schrijft, Ps. 51 : 12, Jer. 31 : 33, Ezech. 36 : 26, die verlichte oogen des verstands geeft, Ps. 119 : 18, Ef. 1 : 18, Col. 1 : 9-11 en het hart opent, Hd. 16 : 14, die zijnen Zoon als Christus kennen doet, Mt. 11 : 25, 16 : 17, Gal. 1 : 16 en tot Hem henenleidt met geestelijke kracht, Joh. 6 : 44, Col. 1 : 12, 13, die het evangelie prediken doet, niet alleen in woorden, maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2 : 4, 1 Thess. 1 : 5, 6 en zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3 : 6-9, die in één woord in ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil. 2 : 13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de werking der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden opgewekt en gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef. 1 : 18-20. 4º De daad zelve, waardoor God deze verandering in den mensch teweegbrengt, heet dikwerf wedergeboorte,. Joh. 1 : 13, 3 : 3v., Tit. 3 : 5 enz., en de vrucht daarvan wordt aangeduid als een nieuw hart, Jer. 31 : 33, kainj ktisiv, 2 Cor. 5 : 17, qeou poijma, ktisqentev n Cristû Ijsou, Ef. 2 : 10, to rgon tou qeou, Rom. 14 : 20, zijne o¸kodomj, 1 Cor. 3 : 9, Ef. 2 : 21 enz., dat is, wat er in den mensch door de genade tot stand gebracht wordt, is veel te rijk en te groot, dan dat het uit eene suasio moralis van het woord der prediking zou kunnen verklaard worden. Eindelijk 5º de Schrift spreekt zelve van de roeping in tweeërlei zin. Meermalen gewaagt zij van eene roeping en noodiging, die niet opgevolgd wordt, Jes. 65 : 12, Mt. 22 : 3, 14, 23 : 37, Mk. 16 : 15, 16, enz., en dan kan zij zeggen, dat God alles van zijne zijde gedaan heeft, Jes. 5 : 4, en dat de menschen door hun onwil niet geloofd en Gods raad, den H. Geest, de roeping hebben weerstaan, Mt. 11 : 20v., 23 : 37, Luk. 7 : 30, Hd. 7 : 51. Maar zij kent ook eene roeping, die God tot auteur heeft, realiseering der verkiezing en altijd krachtdadig is; zoo bepaaldelijk bij Paulus, Rom. 4 : 17, 8 : 30, 9 : 11, 24, 1 Cor. 1 : 9, 7 : 15v., Gal. 1 : 6, 15, 5 : 8 Ef. 4 : 1, 4, 1 Thess. 2 : 12, 2 Tim. 1 : 9, cf. ook 1 Petr. 1 : 15, 2 : 9, 5 : 10, 2 Petr. 1 : 3 de geloovigen kunnen daarom eenvoudig als kljtoi, Rom. 1 : 7, 1 Cor. 1 : 2, 24, kljtoi Cristou, of kljtoi n kuriû, 1 Cor. 7 : 22, d.i. geroepenen door God, die Christus toebehooren en in zijne gemeenschap leven, worden aangeduid. Daarnaast kent Paulus wel eene prediking |500| des evangelies aan zulken, die het verwerpen, maar hun is het evangelie eene dwaasheid, 1 Cor. 1 : 18, 23, eene reuke des doods ten doode, 2 Cor. 2 : 15, 16, zij verstaan het niet, 1 Cor. 2 : 14. Als eene kracht Gods, 1 Cor. 1 : 18, 24, bewijst het zich aan hen, die door God naar zijn voornemen geroepen worden, Rom. 8 : 28, 9 : 11, 11 : 28, Ef. 1 : 4, 5.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004