§ 44. Roeping en Wedergeboorte.

1. Door Woord en Geest brengt God de schepping, en ook de herschepping tot stand. Door te spreken, roept Hij alle dingen uit het niet te voorschijn, Gen, 1, Ps. 33 : 6, Joh. 1 : 3, |486| Hebr. 1 : 3, 11 : 3; door het woord zijner almacht richt Hij de gevallene wereld weer op. Hij roept Adam, Gen. 3 : 9, Abram, Gen. 12 : 1, Jes. 51 : 2, Israel, Jes. 41 : 9, 42 : 6, 43 : 1, 45 : 4, 49 : 1, Hos. 11 : 1, Jer. 31 : 3, Ezech. 16 : 6, en laat door zijne dienaren noodigen tot bekeering en leven, Deut. 30, 2 Kon. 17 : 13, Jes. 1 : 16v., Jer. 3, Ezech. 18, 33 enz., Rom. 8 : 28, 29, 2 Cor. 5 : 20, 1 Thess. 2 : 12, 5 : 24, 2 Thess. 2 : 14, 1 Petr. 2 : 9, 5 : 10 enz. Wijl deze roeping Gods in en door den Zoon tot de menschen komt en Christus de verwerver der zaligheid is, wordt zij ook speciaal aan Hem toegeschreven; gelijk de Vader alle dingen door Hem schiep en Hij toch ook zelf de Schepper aller dingen is, zoo is Hij ook zelf de roepende, Mt. 11 28, Mk. 1 : 15, 2 : 17, Luk. 5 : 32, 19 :10, die arbeiders in zijn wijngaard uitstoot, Mt. 20 : 1-7, ter bruiloft noodigt, Mt. 22 : 2, de kinderen vergadert als eene hen hare kiekens, Mt. 23 : 37, apostelen en leeraars aanstelt, Mt. 10, 28 : 19, Luk. 10, Ef. 4 : 11, wier geluid over de geheele aarde uitgegaan is, Rom. 10 : 18. Ofschoon de roeping dus wezenlijk van God of van Christus uitgaat, zoo bedient Hij zich daarbij toch van menschen, niet alleen in den engeren zin van profeten en apostelen, herders en leeraars, maar ook in het algemeen van ouders en verwanten, van onderwijzers en vrienden. Zelfs komt er eene sprake tot ons uit al de werken van Gods handen, uit de gangen der historie, uit de leidingen en ervaringen van ons leven. Alles spreekt den vrome van God. Al geschiedt de roeping in engeren zin ook door het woord des evangelies, deze mag toch niet gescheiden worden van die, welke door natuur en geschiedenis tot ons komt. Het verbond der genade wordt gedragen door het algemeene verbond der natuur. Christus, die de middelaar des verbonds is, is dezelfde, die als Logos alle dingen geschapen heeft, die als licht in de duisternis schijnt en verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld. God laat zich aan niemand onbetuigd, maar doet goed van den hemel en vervult ook de harten der Heidenen met spijs en vroolijkheid, Ps. 19 : 2-4, Mt. 5 : 45, Joh. 1 : 5, 9, 10, Rom. 1 : 19-21, 2 : 14, 15, Hd. 14 : 16, 17, 17 : 27. Er is daarom allereerst eene vocatio realis te onderscheiden, die niet zoozeer in duidelijke woorden als wel in zaken (res), door natuur, geschiedenis, omgeving, leidingen en ervaringen tot den mensch komt, die niet tot middel heeft het evangelie maar de wet en |487| door de wet, in gezin, maatschappij en staat, in religie en moraal, in hart en geweten den mensch tot gehoorzaamheid en onderwerping roept, cf. Synopsis pur. theol. 30, 2. 3. Mastricht, Theol. VI 2, 15. Witsius, Oec. foed. III 5, 7-15. Marck, Theol. 17, 10. Moor III 386. 387. Deze roeping is wel onvoldoende tot zaligheid, omdat zij van Christus en zijne genade niet weet en dus niemand kan leiden tot den Vader, Joh. 14 : 6, Hd. 4 : 12, Rom. 1 : 16; de wereld heeft met haar toch in hare dwaasheid en duisternis God niet gekend, Joh. 1 : 5, 10, Rom. 1 : 21v., 1 Cor. 1 : 21, Ef. 2 : 12. Maar zij is toch eene rijke bemoeienis van God met zijn schepsel, een getuigenis van den Logos, eene werking van den Geest Gods, die voor de menschheid van groote beteekenis is. Aan haar is te danken, dat de menschheid in weerwil van de zonde is kunnen blijven bestaan, dat zij zich in gezinnen, maatschappijen en staten heeft georganiseerd, dat er nog een besef van godsdienst en zedelijkheid in haar is overgebleven en dat zij niet weggezonken is in bestialiteit. Alle dingen bestaan te zamen in Christus, die alles draagt door het woord zijner kracht, Col. 1 : 16, Hebr. 1 : 3. Bepaaldelijk dient zij ook, om zoowel in het leven der volken als in dat der bijzondere personen voor de hoogere en betere roeping door het evangelie den weg te banen. Christus bereidt als Logos door allerlei middelen en wegen zijn eigen werk der genade voor. Hij trad daarom zelf op in de volheid der tijden. Toen de wereld God door hare wijsheid niet heeft gekend, heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die gelooven, 1 Cor. 1 : 21. Het evangelie komt niet in eens tot alle volken, maar zet in den weg der historie zijn loop door de wereld voort; het komt ook bij de bijzondere personen in dat oogenblik, dat door God zelf in zijne voorzienigheid voorbereid en bepaald is.

Hoe belangrijk deze vocatio realis echter ook zij, hooger staat de vocatio verbalis, die niet alleen door de geopenbaarde wet maar bepaald ook door het evangelie tot de menschen komt. Deze roeping doet die door natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze in zich op en bevestigt ze; alleen gaat zij er verre boven uit. Immers is zij eene roeping, die niet van den Logos maar bepaaldelijk van Christus uitgaat; die niet zoozeer van de wet als wel van het evangelie als eigenlijk middel zich bedient; die niet tot gehoorzaamheid aan Gods wet maar tot geloof aan Gods genade |488| uitnoodigt; en die ook altijd gepaard gaat met zekere werking en getuigenis van dien Geest, dien Christus als zijn Geest in de gemeente uitgestort heeft, Joh. 16 : 8-11, Mt. 12 : 31, Hd. 5 : 3, 7 : 51, Hebr. 6 : 4. Deze roeping is niet universeel in den zin der oude Lutherschen, die met beroep op Mt. 28 : 19, Joh. 3 : 16, Rom. 10 : 18, Col. 1 : 23, 1 Tim. 2 : 4 beweerden, dat ten tijde van Adam, Noach en Christus het evangelie feitelijk aan alle volken bekend was geweest en door eigen schuld weder verloren was gegaan, Form. Conc. bij Müller 709. Gerhard, Loc. VII c. 7, Quenstedt, Theol. III 465-476; cf. ook de Remonstranten e.a. bij M. Vitringa III 167; maar zij mag en moet toch gebracht worden tot alle menschen zonder onderscheid. De Schrift beveelt dit uitdrukkelijk, Mt. 28 : 19, en zegt bovendien, dat velen, die niet komen, toch geroepen waren, Mt. 22 : 14, Luk. 14 : 16-18, maar het evangelie verwierpen, Joh. 3 : 36, Hd. 13 : 46, 2 Thess. 1 : 8 en daarom juist aan de schrikkelijke zonde des ongeloofs schuldig staan, Mt. 10 : 15, 11 : 22, 24, Joh. 3 : 36, 16 : 8, 9, 2 Thess. 1 : 8, 1 Joh. 5 : 10. De universalisten brengen echter tegen de Gereformeerden in, dat dezen op hun standpunt zulk eene algemeene roeping door het evangelie niet kunnen aannemen; immers is Christus volgens hen niet voor allen doch slechts voor de uitverkorenen gestorven; en de prediking kan dus niet luiden: Christus heeft voor u voldaan, uwe zonden zijn verzoend, geloof alleenlijk; maar kan voor onbekeerden alleen bevatten den eisch der wet; indien wij het algemeen aanbod der genade handhaven, is dit toch van Gods zijde niet ernstig gemeend en bovendien onnut en ijdel, cf. bijv. Arminius, Op. 661 sq. Conf. en Apol. Conf. Rem. c. 7. Episcopius, Antidotum, c. 9, Op. II 2 p. 38, Limborch, Theol. Chr. IV 3, 12-18. Deze bedenkingen zijn ongetwijfeld van groot gewicht, en hebben van de zijde der Gereformeerden verschillende antwoorden uitgelokt. Sommigen kwamen er toe, om aan de zondaren alleen de wet te prediken en het evangelie alleen aan te bieden aan hen, die reeds zichzelven hadden leeren kennen en behoefte gevolden aan verlossing; anderen handhaafden, het algemeene aanbod der genade en rechtvaardigden het daarmede, dat, Christus’ offerande genoegzaam voor allen was of dat Christus toch ook vele en velerlei zegeningen verworven had voor hen, die niet in Hem zouden gelooven, of dat het evangelie hun alleen aangeboden werd op conditie van |489| geloof en bekeering; nog anderen naderden het universalisme en leerden, dat Christus volgens een eerste, algemeen besluit Gods voor allen voldaan had, of dat Hij voor allen de wettelijke mogelijkheid, om zalig te worden, verworven en allen in een „salvable state” gebracht had, of ook zelfs, dat de verwerving der zaligheid universeel en de toepassing particulier was, cf. boven bl. 395v. Hoezeer het ook schijnen kon, dat de belijdenis van verkiezing en particuliere voldoening iets anders vorderde, toch hebben de Gereformeerden in den regel het algemeene aanbod der genade gehandhaafd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004