2. Voorafgegaan door Johannes den Dooper, treedt Jezus in het N.T. op met de prediking van het koninkrijk der hemelen. Dat koninkrijk wordt eenerzijds voorgesteld als een schat, die in de hemelen bewaard en als een loon de rechtvaardigen uitgedeeld wordt, Mt. 6 : 20, 13 : 43, 19 : 21, 25 : 46. Om het deelachtig te worden, is eene andere, betere gerechtigheid noodig dan die der farizeën, Mt. 5 : 20; het moet vóór alle dingen gezocht, Mt. 6 : 33, ten koste van alles gekocht worden, 13 : 44-46, 19 : 21, Mk. 9 : 43-47, 10 : 28, 29. Maar deze voorstelling gaat in eene andere over; de eschatologische beteekenis van het koninkrijk Gods maakt voor de religieus-ethische plaats. Immers, werk en loon staan hier in geen verhouding; het koninkrijk Gods in eschatologischen zin heet wel een loon, maar het gaat in waarde alle werk zoo verre te boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Mt. 19 : 29, 20 : 13-15, 25 : 21, Mk. 10 : 30, vooral Luk. 17 : 10. De gerechtigheid, die vereischt wordt om in het koninkrijk in te gaan, is zelve een goed van dat koninkrijk, Mt. 6 : 33, evenals ook de vergeving der zonden, Mt. 26 : 28, Luk. 1 : 77, 24 : 47 enz. En dit koninkrijk met al zijne goederen, vergeving, gerechtigheid, eeuwig leven, is nabij en komt door Gods wil, Mk. 1 : 15, 9 : 1; het is eene gave, die Hij uit genade schenkt, Mt. 25 : 34, Luk. 12 : 32 ; en Hij schenkt het, niet aan de rechtvaardigen maar aan de tollenaren en zondaren, Mt. 9 : 13, aan de verlorenen, Mt. 18 : 11, aan de armen enz., Mt. 5, aan de kinderkens, Mt. 18 : 3, Mk. 10 : 15; en hunner is reeds hier op aarde het koninkrijk der hemelen, Mt. 9 : 15, 11 : 11, 13 : 16, 17, 23 : 13, Mk. 10 : 15, Luk. 17 : 21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus geen eigen gerechtigheid noodig, maar alleen bekeering, metanoia, resipiscentia, mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, pistiv, d.i. het aannemen van en vertrouwen op het evangelie van het koninkrijk als eene gave Gods aan verlorenen, Mk. 1 : 15, en dus vertrouwen op God, Mk. 11 : 22, op Jezus’ woord en macht, Mt 8 : 10, 9 : 2, Mk. 4 : 40, op Jezus’ persoon als Messias, Mt 27 : 42, Mk. 9 : 42, Joh. 1 : 12, 2 : 11, 6 : 29, 17 : 8, 20 : 30, Hd. 9 : 22, 17 : 3, 18 : 5 enz. Maar ook deze metanoia en pistiv zijn zelve weer genadegaven Gods, Mt. 11 : 25, 27, 15 : 13, 16 : 17, Luk. 10 : 22, Joh. 6 : 44, 65, 12 : 32, zoodat alleen degenen, die uit de waarheid zijn, Joh. 8 : 43, 47, 12 : 39, 18 : 37, die door den Vader aan den Zoon gegeven zijn, 6 : 37v., 17 : 2, |430| 6, 9, 10 : 26, 11 : 52, die reeds wedergeboren zijn, 1 : 12, 13, 8 : 47 tot het geloof komen.

In de apostolische verkondiging wordt dit alles veel breeder uitgewerkt. De verhouding van de objectieve verwerving en de subjectieve toepassing des heils treedt dan helderder in het licht. Als Jezus gestorven en opgewekt is, dan wordt het zijn discipelen duidelijk, dat het koninkrijk, hetwelk Hij gepredikt heeft, met al zijne goederen van vergeving, gerechtigheid en eeuwig leven, door zijn lijden en sterven verworven is; en dat Hij juist daartoe door den Vader opgewekt en verheerlijkt is, opdat Hij deze weldaden aan de zijnen toepassen zou. De toepassing is van de verwerving onafscheidelijk. Het is één werk, dat aan den middelaar is opgedragen; en Hij zal niet rusten, voordat Hij het gansche koninkrijk voltooid den Vader overgeven kan. Maar toch, hoe onverbrekelijk verwerving en toepassing der zalijheid ook samenhangen, er is onderscheid. Gene bracht Christus tot stand op aarde, in den staat der vernedering, door zijn lijden en sterven, deze volbrengt Hij van uit den hemel, in den staat der verhooging, door zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid aan de rechterhand des Vaders. Daarom oefent Hij deze toepassing der zaligheid ook uit door den H. Geest. Zelf is Hij door zijne verhooging geworden tot Heer uit den hemel, tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15 : 47, 2 Cor. 3 : 17. De Geest, die van zijne ontvangenis af Hem bekwaamd had en meer en meer op Hem uitgestort was, is nu het principe van heel zijn verheerlijkt leven geworden; al het natuurlijke, aardsche leven heeft Hij afgelegd; Hij is nu de Heer uit den hemel, de levendmakende Geest; de Geest van God is zijn Geest, is Geest van Christus geworden. Hiermede staat in verband het woord in Joh. 7 : 39, dat de Geest nog niet was, overmits Christus nog niet was verheerlijkt. Er kan hier niet mede bedoeld zijn, dat de H. Geest vóór de verheerlijking van Christus nog niet bestond of niet werkte, want reeds in het O.T. was er geen kracht en geen gave dan door den H. Geest, deel II 230; Christus zelf was met dien Geest gezalfd zonder mate, Joh. 3 : 34; en ook Elizabeth en Johannes de Dooper heeten met dien Geest vervuld, Luk. 1 : 15, 41. De beteekenis kan geen andere zijn, dan dat de Geest, ofschoon Hij vroeger ook vele gaven schonk en vele krachten werkte, toch eerst na de verheerlijking van Christus |431| persoonlijk in de gemeente der geloovigen als in zijn tempel is blijven wonen. Het is met den H. Geest als met Christus zelven. De Zone Gods was van eeuwigheid gezalfd tot middelaar; Hij werkte als profeet, priester en koning ook reeds in de dagen des O.T.; maar vleesch is bij toch eerst geworden in de volheid des tijds. Zoo is er ook eene volheid des tijds voor den H. Geest. Als Christus zijn werk heeft volbracht, is Hij niet alleen zelf geworden tot levendmakenden Geest, maar is de Geest van God, van Vader en Zoon, ook ten volle geworden de Geest van Christus, dien Hij uitzendt, door wien Hij als Heer uit den hemel zijn werk op aarde uitvoert, die zijne plaats vervangt, alles uit het zijne neemt, Hem verheerlijkt en Hem zelven op geestelijke wijze in de gemeente wonen doet. De H. Geest brengt n.l. geen verwijdering, maar de innigste gemeenschap tusschen Christus en zijne gemeente tot stand. Wel is Hij van Vader en Zoon onderscheiden, ‡llov parakljtov, Joh. 14 : 16, naast beiden bijzonder genoemd, Mt. 28 : 19, 1 Cor. 12 : 4, 2 Cor. 13 : 13, Op. 1 : 4. Maar Hij is ook één met hen in wezen en kan hunne gemeenschap daarom ten volle aan de geloovigen deelachtig maken. Zijne werkzaamheid bestaat toch volstrekt niet alleen in de mededeeling van de weldaden van Christus. Wanneer Christus door zijn lijden en sterven alleen de vergeving der zonden had verworven, dan ware het genoeg, dat de H. Geest de verkondiging van dit evangelie bekrachtigde, Joh. 15 : 26, 27, Hd. 5 : 32, 1 Cor. 2 : 4, 2 Cor. 4 : 13, 1 Thess. 1 : 5, 6, 1 Petr. 1 : 12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16 : 8-11, het geloof in de harten werkte, 1 Cor. 2 : 5, 12 : 3, Ef. 1 : 19, 20, 2 : 8, Col. 2 : 12, Phil. 1 : 29, 1 Thess. 2 : 13, en de geloovigen van hun kindschap verzekerde, Rom. 8 : 15. 16. Maar deze objectieve, rechterlijke weldaad der vergeving is de eenige niet; zij wordt door de ethische en mystische weldaad der heiligmaking aangevuld. Christus neemt de schuld der zonde niet alleen weg maar breekt ook hare macht. Hij is, één voor allen, gestorven, opdat de levenden niet meer zichzelven maar Christus leven zouden, 2 Cor. 5 : 15. In de voldoening aan de wet, die de kracht der zonde is, d.i. in de vergeving, is ook in beginsel de macht der zonde gebroken; waar gerechtigheid is, daar is ook leven; Rom. 3-5 wordt gevolgd door Rom. 6-8. Christus is niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgestaan en verheerlijkt; |432| Hij is en blijft de Heer uit den hemel, de levendmakende Geest, die niet alleen voor de gemeente stierf maar ook in haar woont en werkt. Deze gemeenschap nu tusschen Christus en de gemeente wordt tot stand gebracht en onderhouden door den H. Geest. De H. Geest is daarom niet alleen degene, die het geloof werkt en van het kindschap verzekert, maar Hij is ook auteur van een nieuw leven; en het geloof is niet maar aanneming van een getuigenis Gods doch ook aanvang en beginsel van een heiligen wandel, 2 Cor. 5 : 17, Ef. 2 : 10, 4 : 24, Col. 3 : 9, 10. In en door den Geest komt Christus zelf tot de zijnen, Joh. 14 : 18, leeft in hen, Rom. 8 : 9-11, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20, Ef. 3 : 17, Col. 3 : 11, gelijk omgekeerd de geloovigen door dien Geest in Christus zijn, leven, denken, handelen, Joh. 17 : 21, Rom. 8 : 1, 9, 10, 12 : 5, 1 Cor. 1 : 30, 2 Cor. 5 : 17, Gal. 3 : 28, 6 : 25, Ef. 1 : 13, Col. 2 : 6, 10; pnata kai n pasin Cristov Col. 3 : 11, cf. Deismann, Die neut. Formel n Cr. Ijsou 1892, die echter ten onrechte de formule steeds in localen zin opvat. En niet alleen Christus, maar ook God zelf komt door dien Geest woning in hen maken en vervult hen met zijne volheid, opdat Hij ten slotte alles in allen zij, Joh. 14 : 23. 1 Cor. 3 : 16, 17, 6 :19, 15 : 28, 2 Cor. 6 : 16, Ef. 2 : 22. En door de gemeenschap aan den persoon van Christus, bewerkt de H. Geest. ook de gemeenschap aan al zijne weldaden, aan zijne sofia, 1 Cor. 2 : 6-10, dikaiosunj, 1 Cor. 6 : 11, ƒgiasmov, ib., Rom. 15 : 16, 2 Thess. 2 : 13, ‡polutrwsiv, Rom. 8 : 2, 23. Hij verzekert de geloovigen van hun kindschap, Rom. 8 : 14-17, Gal. 4 : 6 en van de liefde Gods, Rom. 5 : 5; Hij maak hen vrij van de wet en laat hen saam als ééne gemeente in de wereld optreden, levend door een eigen beginsel, staande onder een eigen hoofd, Hd. 2, 2 Cor. 3, Gal. 4 : 21-6 : 10, boven bl. 217. Hij verbindt de geloovigen tot één lichaam, 1 Cor. 12 : 13, leidt hen tot éénen Vader, Rom. 8 : 15, Gal. 4 : 6, Ef. 2 : 18, brengt allen tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12 : 3, maakt hen één van hart en ziel, Hd. 4: 31, 32, Gal. 5 : 22, Phil. 2 : 1, 2, en doet hen saam opwassen tot een volkomenen man in Christus, 1 Cor. 3 : 10-15, Ef. 4 : 1-16, Gol. 2 : 19. Hij is de auteur van wedergeboorte, Joh. 3 : 51 6, Tit. 3 : 5, leven, Joh. 6 : 63, 7 : 38, 39, Rom. 8 : 2, 2 Cor. 3 : 6, verlichting, Joh. 14 : 17, 15 : 26, 16 : 13, 1 Cor. 2 : 6-16, |433| 2 Cor. 3 : 12, 4 : 6, Ef. 1 : 17, 1 Joh. 2 : 20, 4 : 6, 5 : 6, gaven, Rom. 12 : 3-8, 1 Cor. 12 : 4v., vernieuwing en heiligmaking, Rom. 8, Gal. 5 : 16, 22, Ef. 3 : 16, verzegeling en verheerlijking, Rom. 8 : 11, 23, 2 Cor. 1 : 22, 5 : 5, Ef. 1 : 13, 14, 4 : 30.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004