Hoofdstuk VIII.

Over de weldaden des Verbonds.


§ 43. De Heilsorde.


1. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het ruste vindt in Hem. In zooverre ieder mensch bewust of onbewust streeft naar een onveranderlijk goed en een duurzaam geluk, kan gezegd worden, dat elk mensch ook zoekt naar God, die alleen het hoogste, goed en de eeuwige zaligheid is, Hd. 17 : 27. Maar zij zoeken Hem dan toch niet op de rechte wijze en niet daar, waar Hij te vinden is. De heidensche godsdiensten weten van geen verbond der genade, zij kennen den persoon van Christus niet, en houden alle den weg der werken voor de via salutis. Het principe van het Heidendom is negatief de verloochening van den waarachtigen God en van de gave zijner genade, en positief de waan, door eigen kracht en wijsheid zichzelf de zaligheid te kunnen verwerven. Komaan, laat ons eene stad bouwen en een toren, welks opperste in den hemel zij en laat ons een naam voor ons maken, Gen. 11 : 4. Hetzij de werken, waarlangs het Heidendom den weg naar de zaligheid zoekt, een meer ceremonieel of een meer ethisch karakter dragen, hetzij ze meer positief of meer negatief van aard zijn, altijd is de mensch toch zijn eigen zaligmaker; alle godsdiensten, buiten de christelijke, zijn autosoterisch. In de laagste godsdiensten is het besef van zonde schier geheel verloren en wordt vrede, verzoening, geluk verkregen door magische handelingen en formeele ceremoniën; hoogere godsdiensten voegen er allerlei zedelijke plichten aan te en maken van hun vervulling de zaligheid afhankelijk. Ook de Islam kent geen eigenlijke |426| verlossing maar bindt den ingang in het paradijs aan het rechtzinnig geloof en aan de onderhouding der voorgeschreven gebeden en goede werken. Bij het Buddhisme bestaat de verlossing in de door verschillende middelen te bewerken dooding van de begeerte naar het zijn, Falke, Buddha, Moh., Christus II 1897 S. 103 f. En de wijsbegeerte heeft het niet verder gebracht; de eenige weg ter zaligheid is het pad der deugd, de zedelijke zelfvolmaking; zelfs Kant en Schopenhauer, die met het oog op de aangeboren zondigheid eene wedergeboorte noodzakelijk achtten, zijn toch weer geeindigd met een beroep te doen op den wil, de wijsheid en de kracht van den mensch.

Gansch anders is de meening der Schrift. Reeds in het O.T. is het God, die terstond na den val tusschen mensch en slang uit genade vijandschap zet en den mensch aan zijne zijde overbrengt, Gen. 3 : 15, die Abraham en het uit hem geboren volk van Israel ten eigendom verkiest, Gen. 12 : 1, Ex. 15 : 13, 16, 19 : 4, 20 : 2, Deut. 7 : 6v., die er het verbond mede opricht en er zijne wetten aan schenkt, Gen 15 : 1, 17 : 2, Ex. 2 : 24, 25, Deut. 4 : 5-13, die het bloed op het altaar ter verzoening geeft, Lev. 17 : 11, en alles aan zijn wijngaard te koste legt, Jes. 5, Jer. 2 : 21. Maar krachtens die verkiezing en op den grondslag van dat verbond is het volk nu ook verplicht, om, op straffe van den vloek der wet, Deut. 27 : 6, voor Gods aangezicht in oprechtheid te wandelen en zijne geboden te onderhouden, Gen. 17 : 1, Ex. 20, Deut. 10 : 15, 16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die wetsonderhouding als eene voorafgaande voorwaarde af; zij was geen werkverbond maar rustte alleen op Gods verkiezende liefde. Maar zij moest toch in den wandel naar ’s Heeren wet haar bewijs en zegel ontvangen. Immers kon zij van Israels zijde niet met een volkomen hart aanvaard en dus in Israel niet tot waarachtige werkelijkheid worden, dan door zulk een geloof, dat tevens liefde en lust had, om in den weg des verbonds te wandelen, Het verbond sluit, indien het geen idee maar realiteit is, de verplichting en de neiging in, om naar den eisch des verbonds te leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk tegenover het verbond en zijne wet eene zeer verschillende bonding aannemen kon. Er waren antinomistische goddeloozen, voorloopers der Saddueeën, die zich om God noch zijn gebod bekommerden, en met de vromen den spot dreven, Ps. 14 : 2, |427| 36 : 2, 42 : 4, 11, 94 : 2, Mal. 2 : 17, 3 : 14; er waren farizeesch gezinden, die op uitwendige onderhouding der wet den nadruk legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden, Am. 6 : 1, Jer. 7 : 4. Maar tusschen deze beiden in stonden de weinige getrouwen, de oprechte vromen, die geenszins onverschillig waren voor ’s Heeren wet, integendeel haar bepeinsden den ganschen dag en lief hadden met heel hunne ziel, maar die toch van hare. onderhouding hun gerechtigheid en zaligheid niet afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat zij zich menigmaal zeer sterk op hunne gerechtigheid beroepen en God oproepen, om hun recht te doen, Ps. 7 : 9, 17 : 1 v., 18 : 21, 26 : 1v., 35 : 34, 41 : 13, 44 : 18, 21, 71 : 2, 119 : 121, 2 Kon. 20 : 3, Job. 16 : 17, Neh. 5 : 19, 13 : 14 enz., toch doen diezelfde personen tegelijk ootmoedig belijdenis van hunne zonden, roepen Gods vergeving in en pleiten op zijne genade, Ps. 31 : 10, 11, 32 : 1v., 38 : 2v., 40 : 13, 41 : 5, 130 : 3, 5, Jes. 6 : 5, 53 : 4, 64 : 6, Jer. 3 : 25, Mich. 7 : 9, Neh. 1 : 6, 9 : 33, Dan. 9 : 5, 7, 18, enz. De gerechtigheid dezer vromen is geen persoonlijke qualiteit, maar eene eigenschap der zaak, die zij voorstaan; zij hebben het recht aan hunne zijde, omdat zij zich verlaten op God, deel II 197. 198. Dit vertrouwen op God is het wezenlijk, wat in het O.T. de rechtvaardigen tot rechtvaardigen maakt; zij gelooven aan God, ¤ym'h, Gen. 15 : 6, Ex. 14 : 31, 2 Chr. 20 : 20, Jes. 28 : 16, Hab. 2 : 4, vertrouwen op Hem, xXb, Ps. 4 : 6, 9 : 11, nemen tot Hem de toevlucht, hsx, Ps. 7 : 2, 18 : 3, vreezen Hem, 'ry, Ps. 22 : 24, 25 : 12, hopen op Hem, lxy, lyxwh, Ps. 31 : 25, 33 : 18, verwachten het van Hem, xwq, Ps. 25 : 21, verbeiden Hem, hkx, Ps. 33 : 20, steunen op Hem, ¢wms, Ps. 72 : 8, ¤wkn, Ps. 57 : 8, hangen Hem aan, qbd, qHx, Ps. 91 : 14, 2 Kon. 18 : 6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15 : 6, gelijk elders het houden van Gods geboden gerechtigheid heet, Deut. 6 : 25, 24 : 13. Dat nu deze subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk in vertrouwen op God bestaat, ook eene vrucht van Gods genade en eene werking zijns Geestes is, treedt uit den aard der zaak in het O.T. nog niet zoo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor de gegevens niet. Van eene eigene gerechtigheid is er bij Israel nooit sprake; het is verkoren niettegenstaande zijne hardnekkigheid, Deut. 9 : 4-6. God is de bron van alle leven en licht, |428| van alle wijsheid, kracht, zaligheid, Deut. 8 : 17, 18, Ps. 36 : 10, 68 : 20, 21, 36, 73 : 25, 26, Jer. 2 : 13, 31. Niet ons, maar Uwen naam geef eere, is het gebed van Israels vromen, Ps. 115 : 1; ootmoed is de stemming hunner ziel, Gen. 32 : 10, Ps. 116 : 12, een gebroken en verslagen hart zijn Gode aangenaam, Ps. 51 : 19, Jes. 57 : 15. Niet den mensch maar Gode wordt altijd alle gave toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen, om Hem te loven; alles wordt in den gebede van Hem begeerd, niet alleen redding uit gevaren maar ook kennis van Gods wet, verlichting der oogen enz. God is het toch die zich ontfermt diens Hij wil, Ex. 33 : 19, en in zijn boek schrijft, wie leven zal, Ex. 32 : 33. Hij belooft, zonder eenige voorwaarde, dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19 : 6, Lev. 26 : 12, en dat Hij altijd weer na ontrouw en afval van Israels zijde, zich hunner ontfermen, bekeering en leven geven zal, Ex. 32 : 30-35, Num. 14, 16 : 45-50, Lev. 26 : 40-44, Deut. 4 : 31, 8 : 5, 30 : 1-7, 32 : 36-43, Neh. 9 : 31. Hij vergeeft de zonden om zijns naams wil, Ex. 34 : 7 enz., en zendt zijnen H. Geest, die de bewerker is van alle geestelijk leven, Num. 11 : 25, 29, Neh. 9 : 20, Ps. 51 :13, 143 : 10, Jes. 63 : 10, cf. deel II 230. En als de geschiedenis dan leert, dat Israel telkens het verbond ontheiligt, verlaat, vernietigt, Deut. 31 : 20, 1 Kon. 11 : 11, 19 : 10, 14, Jer. 22 : 9, 32 : 32 enz., dan verkondigt de profetie, dat God zijnerzijds het verbond nimmer verbreken en zijn volk nooit verlaten zal. Hij kan het niet doen om zijns naams en zijns roems wil voor de Heidenen, Num. 14 : 16, Deut. 32 : 26, 27, 1 Sam. 12 : 22, Joel 2 : 17-19, Jes. 43 : 21, 25, 48 : 8-11, Jer. 14 : 7, 20, 21, Ezech. 20 : 43, 44, 36 : 32. Het is een eeuwig verbond, dat niet wankelen kan, wijl het vastligt in Gods goedertierenheid, 2 Kon. 13 : 23, 1 Chron. 16 : 17, Ps. 89 : 1-5, 105 : 20, 106 : 45, 111 : 5, Jes. 54 : 10. Hij staat als het ware voor beide partijen in, niet alleen voor zichzelf maar ook voor zijn volk, en Hij zal alzoo een nieuw verbond oprichten, zijn Woord en Geest niet van hen doen wijken, hunne zouden om zijns naams wil vergeven, over allen zijnen Geest uitstorten, een vleeschen hart hun schenken, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, Deut. 30 : 6, Jes. 44 : 3, 59 : 21, Jer. 24 : 7, 31 : 31v., Ezech. 11 : 19, 16 : 60, 18 : 31, 36 : 26, 39 : 29, Joel 2 : 28, Mich. 7 : 19 enz., cf. deel II 181. 182. |429|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004