23. Maar gelijk in den staat der vernedering, zoo is Christus alwat Hij in den staat der verhooging geworden is, ten goede voor zijne gemeente. Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving, is niet te scheiden. Hij is panta kai n pasin, Col. 3 : 11. Het pleroma, dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld e¸v pan to pljrwma tou qeou, Ef. 3 : 19, Col. 2 : 2, 10. God is het, die Christus vervult, Col. 1 : 19, Christus is het, die de gemeente vervult, Ef. 1 : 23. De gemeente is daarom zijn pleroma, dat, wat Hij volmaakt en van zichzelven uit (pljroumenov), langzamerhand, Ef. 4 : 10, met zichzelven vervult, en dat daarom |418| allengs vol en vervuld wordt en zoo op hare beurt Christus vervult, Ef. 1 : 23; het completum wordt een complementum. Want de gemeente is er niet zonder Christus, maar Christus is er ook niet zonder de gemeente; Hij is haar kefalj Ãper panta, Ef. 1 : 22, Col. 1 : 18, en zij is zijn swma, dat uit Hem gevormd wordt en zijn wasdom bekomt, Ef. 4 : 16, Col. 2 : 19 en alzoo opwast e¸v metron Ólikiav tou pljrwmatov tou Cristou, Ef. 4 : 13. De vereeniging tusschen Christus en de gemeente is zoo nauw als tusschen wijnstok en ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan met Hem de ééne Christus heeten, 1 Cor. 12 : 12. Om haar te volmaken, is Hij verhoogd aan ’s Vaders rechterhand en zet Hij zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid in den hemel voort.

Evenals in de dagen des O.T. en van zijne omwandeling op aarde, is Christus ook thans nog de eenige profeet en leeraar van zijne gemeente. Er is geen andere meester, Mt. 23 : 8, 10; er is naast, boven of in de plaats van Christus der gemeente geen waarzeggerij, geen orakel, geen enthusiasme, geen spiritisme, geen onfeilbaar pausdom van noode. Want Christus is de wijsheid, alle schatten der wijsheid en der kennis zijn in Hem verborgen, 1 Cor. 1 : 24, 30, Col. 2 : 3 ; en het is Christus zelf, die door zijn Woord en Geest zijne gemeente onderwijst, opdat zij allen, van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote daden Gods zouden verkondigen, Num. 11 : 29, Jer. 31 : 33, 34, Mt. 11 : 25-27, Joh. 6 : 45. Heb. 8 : 10, 11, 1 Joh. 2 : 20. En zoo blijft Hij ook in den staat der verhooging nog werkzaam als priester. Nadat Hij op Golgotha zijne offerande heeft volbracht, is Hij als hoogepriester, niet met het bloed van bokken en kalveren maar met zijn eigen bloed, Hebr. 9 : 12-14, door den tabernakel van zijn lichaam, 9 : 11 en het voorhangsel van zijn vleesch heen, 10 : 20, ingegaan in het hemelsche heiligdom, dat in het heilige der heiligen op Sion zijn voorbeeld had, 6 : 20, 9 : 12, 24, om daar voor de zijnen voorbede te doen en voor Gods aangezicht te verschijnen, 7 : 25, 9 : 24. De Socinianen trachtten hieruit af te leiden, dat Christus nog niet in eigenlijken zin priester was op aarde, dat zijne offerande aan het kruis niet het ware offer maar slechts de inleiding en voorbereiding ervan was; evenals onder het O. Test. de verzoenende acte niet bestond in het slachten van het offerdier maar in de besprenging van het bloed |419| op het altaar of op het verzoendeksel, Lev. 16 : 11-16, zoo brengt Christus de verzoening niet op aarde maar in den hemel tot stand, cf. Socinus de J. Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 164. Volkelius, de verit. relig. III 37. Fock, Der Socin. 635. 646 f., en thans nog W. Milligan, The aseension and heavenly priesthood of our Lord, London 1892, Doedes, Jaarb. v. Wet Theol. 1846 bl. 293v. 313 f. Seeberg, Der Tod Christi in s. Bedeutung für die Erlösung 1895 S. 14. 16 f. enz. Terecht is dit door anderen bestreden, want bij het O.T. offer zijn de verschillende verzoenende handelingen wel temporeel gescheiden maar zij vormen toch één geheel; het is het bloed van een geslacht dier, dat door zijne uitstorting en besprenging den offeraar in Gods gunst herstelde en van de zonde en hare straf bevrijdde. In den brief aan de Hebr. wordt daarom ook evenals in heel het N.T. de verzoenende kracht toegekend aan de eenmaal op het kruis door Christus gebrachte offerande, 2 : 17, 7 : 27, 8 : 3, 9 : 12, 26, 28, 10 : 10, 14, 18, 13 : 12; daardoor zijn alle weldaden, vergeving, reiniging, heiligmaking, volmaking verworven. Omdat Christus nu eenmaal aan ’t kruis zich opgeofferd heeft en gestorven is, kan Hij het zelfs niet voor de tweede maal doen, want ieder mensch sterft maar eens, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling vatbaar, 9 : 26-28. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het hemelsche heiligdom kan daarom naar de meening van den brief aan de Hebreën niet als eene offerande worden opgevat. Wel wordt eens, in 9 : 7 gezegd, dat de hoogepriester het bloed, waarmee hij inging in het allerheiligste, offerde, prosferei, voor zichzelf en des volks misdaden; maar deze offerande des bloeds is dan toch wezenlijk onderscheiden van die, welke daarbuiten, in den voorhof, plaats had; en zoo heet ook alleen het brengen des bloeds in het O. Test. Maar van Christus’ ingaan met zijn bloed in den hemel wordt nergens gezegd, dat het een offerande is; het is dat niet en kan het niet zijn; door de ééne offerande heeft Hij alles volbracht, 9 : 26-28, 10 : 12, 14. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het binnenste heiligdom heeft daarom alleen ten doel, om het door zijn dood verworven heil voor Gods aangezicht ons ten goede te doen gelden. Juist omdat door de bloedstorting, d.i. door de offerande aan het kruis, de verzoening volbracht is, kan Christus als hoogepriester met zijn bloed in den hemel ingaan en voor |420| Gods aangezicht verschijnen, 9 : 12-14, 26. Zijne priesterlijke werkzaamheid in den hemel bestaat daarom ook niet in eenige offerande, maar in zijne voorbede en verschijning voor Gods aangezicht ten gunste van zijn volk, 7 : 25, 9 : 24, cf. Rom. 8 : 34, 1 Joh. 2 : 2. Toch ligt er waarheid in de door Thalhofer, Handbuch der kath. Liturgik I2 1894 S. 223-236 uit Hebr. 8 : l4 afgeleide voorstelling, dat Christus, schoon met ééne offerande alles volbracht hebbende, toch in den hemel die offerande op hemelsche wijze nog voortzet en zijne daad van gehoorzaamheid op Golgotha aan de rechterhand des Vaders steeds vernieuwt. Want de offerande van Christus, eens aan het kruis geschied, leeft niet bloot in de herinnering, maar in de gezindheid voort, waaruit ze voortkwam. Er is in den hemel geen herhaling, geen vernieuwing, geen reproductie van de offerande aan het kruis; maar die offerande, eens volbracht, werkt voort in de verschijning voor Gods aangezicht en in de voorbede voor ons, 7 : 25, 9 : 24. Daarom kan eenerzijds gezegd, dat Christus door ééne offerande allen volmaakt heeft, 10 : 24, en anderzijds, dat Hij allen, die door Hem tot God gaan, volkomen zalig maakt, alzoo Hij altijd leeft, om voor hen te bidden, 7 : 25. Cf. Cloppenburg, Op. II 889-902. Nic. Arnoldus, Religio Socin. Fran. 1654 p. 678-706. de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II 152v. Mastricht, Theol. V 7, 15 sq. Maccovius, Coll. theol. I 240 sq. Jaarb. v. Wet. Theol. IV 18v. Weiss, Bibl. Theol. d. N.T. § 121. Scheeben, Dogm. III 443 f. Martin, Atonement 115. Daarom ook, wijl Christus priester was en is en eeuwiglijk blijft, heeft de gemeente op aarde geen priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters, Rom. 12 : 1, 1 Petr. 2 : 5, Op. 1 : 6. Geen offerande voor de zonde behoeft meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van de ééne offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede van Christus, eene voortdurende sprake uit tot God, niet om, wrake, als uit het bloed van Abel, maar om genade en vergeving, Hebr. 12 : 24. De voorbede van Christus is geen smeeking meer als in de dagen zijns vleesches, Calvijn, Inst. III 20, 20, maar is de standvastige en genadige wil van Christus, Joh. 17 : 24, om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar de ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande voortdurend onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze |421| Paracleet optreedt, tegenover alle beschuldigingen van Satan, wereld en eigen hart onze partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen den Vader aangenaam maakt, steeds een vrijmoedigen toegang tot den troon der genade ons verzekert, en alle zegeningen der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk. 22 : 32, Joh. 14 : 16, 17 : 9v., Rom. 1 : 7, 8 : 32v., 1 Cor. 1 : 3, 2 Cor. 1 : 2, Ef. 1 : 3, 1 Tim. 4 : 8, Hebr. 7 : 25, 9 : 24, 1 Joh. 2 : 2.

En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon ook tot dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne menschelijke natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden. Toen ontving Hij den naam van Heer, werd tot Zone Gods verordineerd en ontving alle macht in hemel en op aarde. Koning is Christus in de eerste plaats over zijn volk, in het regnum gratiae, Ps. 2 : 6, Jes. 9 : 5, 11 : 1-5, Luk. 1 : 33, 19 : 21-23, 23 : 42, 43, Joh. 18 : 33, 19 : 19; en Hij betoont dit koningschap daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt, regeert en tot de eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16 : 18, 28 : 20, Joh. 10 : 28. Maar omdat zijn koningschap een geheel ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, wordt Hij in het N.T. veel meer genoemd het hoofd der gemeente, 1 Cor. 11 : 3, Ef. 1 : 22, 4 : 15, 5 : 23, Col. 1 : 18, 2 : 19; Hij regeert niet door geweld, maar door recht en gerechtigheid, door genade en liefde, door Woord en Geest. Dan wordt Hij ook in het N.T. vooral nog als koning beschreven, wanneer er sprake is van de overwinning zijner vijanden. Want opdat Hij zijne gemeente waarlijk vergaderen, beschermen en ter eeuwige zaligheid leiden kunne, moet Hij ook als middelaar macht hebben over alle schepselen, Ps. 2 : 9, 72 : 8, 110 : 1-3, Mt. 28 : 18, 1 Cor. 15 : 24, 27, Ef. 1 : 22, Phil. 2 : 9-11, 1 Petr. 3 : 22, Op. 1 : 5, 17 : 14. Er ligt hier niet in, dat de wereld positief door Christus wordt geregeerd, maar wel, dat zij onder zijne macht staat, Hem onderworpen is en eens, zij het ook onwillig, Hem als Heer erkennen en huldigen zal. Bepaaldelijk hoort hier ook toe zijne macht over het rijk van Satan. De voorstelling van vele kerkvaders, dat Christus zijne offerande aan Satan bracht en door list hun zijne buit ontnam, is onschriftuurlijk. Maar toch heeft Christus door zijn kruis ook over de wereld der gevallen geesten den triumt behaald. Hij kwam op aarde, om de werken des duivels te verbreken, 1 Joh. 3 : 8, |422| en streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4 : 13, vooral in den laatsten tijd, toen het de ure en de macht der duisternis was, Luk. 22 : 53. Hij was de sterkere, Luk. 11 : 22, en de duivel had niets aan hem, Joh. 14 : 30. Hij zag hem reeds als een bliksem uit den hemel vallen en ontnam hem zijne wapenrusting, Luk. 10 : 18, 11 : 22. Vooral door het kruis heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd, Col. 2 : 15, ontnam hem de wapenen van zonde, dood en wereld, Joh. 16 : 33, 1 Joh. 4 : 4, 1 Cor. 15 : 55, 56, Hebr. 2 : 14 en wierp hem buiten het gebied van zijn rijk, Joh. 12 : 31. En zijn triumf vierde Hij over de booze geesten bepaald in de opstanding. In 1 Petr. 3 : 19-22 wordt dit duidelijk geleerd. Er is daar geen sprake van eene nederdaling van Christus naar de hel, om aan de verlorenen het evangelie te verkondigen. Er staat toch, dat Christus eerst levend gemaakt d.i. opgestaan was en toen heenging om te prediken. Alle grond ontbreekt om met de Lutherschen tusschen de vivificatio en de resurrectio een temporeel onderscheid te maken en in dien tusschentijd dan de nederdaling ter helle te plaatsen. Ook is er nergens in de Schrift eenige aanwijzing, dat Christus na zijne opstanding, voor dat Hij ten hemel voer, nog eerst naar de hel is gegaan. Aan de andere zijde is ook de exegese onhoudbaar, dat Christus in den Geest naar de tijdgenooten van Noach is gegaan en hun heeft gepredikt; n ÿ slaat duidelijk op den levend gemaakten Christus; poreuqeiv, cf. vs. 22 laat geen andere opvatting toe; de prediking van Christus in den Geest aan Noachs tijdgenooten vóór vele eeuwen doet hier niets ter zake. De pericoop bevat dan ook heel iets anders. Petrus vermaant de geloovigen, om wel doende te lijden en daarin Christus natevolgen. Hij toch leed wel doende, want Hij leed voor de zonden, als een rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en wel met dit doel, dat Hij ons, onrechtvaardigen, tot God zou brengen. Dat is wel doende lijden! En nu is Christus wel in het vleesch gedood, maar Hij is levendgemaakt en opgestaan in Geest, d.i. wijl het pneuma ƒgiwsunjv beginsel van heel zijn leven was, als Geest. En als zoodanig, als levendgemaakte, opgestane Geest, als Heer en Koning, heengaande, poreuqeiv, d.i. niet naar de hel, maar blijkens vs. 22 heengaande naar den hemel, heeft Hij den geesten in de gevangenis gepredikt. Dat is: zijn heengaan naar den hemel als opgestane Heer, Hd. 2 : 36, was een kjrugma tot de geesten in de |423| gevangenis. Wat de inhoud van dat kjrugma was, wordt niet gezegd en behoeft niet gezegd. Het opstaan en ten hemel varen was zelf het rijke, machtige, triumfantelijke kjrugma van Christus tot de geesten in de gevangenis. Dat Petrus dat kjrugma van Christus door zijne hemelvaart nu bepaaldelijk brengen laat aan die geesten in de gevangenis, die in Noachs dagen, in weerwil van Gods lankmoedigheid en niettegenstaande zij het bouwen der ark zagen, ongehoorzaam waren, heeft een dubbele reden. Ten eerste zijn die tijdgenooten van Noach in de Schrift steeds de meest goddelooze van alle menschen geweest; en ten tweede zijn zij omgekomen en Noach met de zijnen gered door eenzelfde water. Evenzoo is het water des doops door de opstanding van Christus het verderf voor de goddeloozen en de behoudenis voor de geloovigen. Want Christus die opgestaan is en dien doop ingesteld heeft en er kracht aan verleent, zit aan Gods rechterhand, nadat door de hemelvaart alle engelen en krachten en machten Hem onderdanig zijn gemaakt. Christus leed wel doende en overwon, laten de geloovigen zijn voetstappen drukken! En evenals over alle gevallen geesten, zoo heeft Christus als middelaar ook macht in zijn regnum potentiae over al zijne vijanden. En Hij zal niet rusten, voordat zij allen onder zijne voeten zijn gelegd.

Als Christus aan het einde der dagen zijne gemeente en alle zijne vijanden overwonnen zal hebben, dan zal Hij de basileia, het koningschap, het koninklijk ambt, aan den Vader overgeven. Zijn middelaarswerk is dan voleindigd. Het werk, dat de Vader Hem opdroeg, is volkomen volbracht. God zelf is dan koning eeuwiglijk en altoos. Over den aard dezer onderwerping van Christus aan den Vader ontstond reeds vroeg verschil. Marcellus van Ancyra schreef eene verhandeling over de onderwerping des Heeren Christus, en werd beschuldigd van de leer, dat het rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur met den Logos een einde nemen zou, Schwane, D.G. II 136. 148. Marcellus werd door Eusebius en later door Basilius bestreden; het Nicaeno-Constantinopolitanum voegde aan de belijdenis, dat Christus wederkomen zou om te oordeelen levenden en dooden, de woorden toe: oÆ tjv basileiav oÇk stai telov, cujus regni non erit finis, Hahn, Bibl. d. Symbole u.s.w. 164-166, cf. Petavius, de incarn. XII 18. Pesch, Prael. IV 84. Later leerden |424| de Socinianen, dat Christus, dien de Vader tijdelijk tot stadhouder aangesteld had, eenmaal aftreden zou, evenals een veldheer, na de overwinning behaald te hebben, zijne macht en heerschappij aan den vorst teruggeeft, en zij leidden daaruit af, dat de Zoon Gods, wijl Hij eenmaal onderworpen zou worden aan den Vader, niet de hoogste God kon zijn, cf. daartegen Petavius, de trin. III 5. Bisterfeldius, de uno Deo, Patre, Filio ac Spiritu Sº I 2, 26. Vitringa V 443-446. Onder de Gereformeerden was er ook verschil; sommigen zeiden, dat het koningschap van Christus oeconomisch en tijdelijk was, Calvijn, Inst. II 14, 3. 15, 5. comm. op 1 Cor. 15 : 28. Alting, Theol. probl. nova XII 36. Pareus op 1 Cor. 15, Kuyper, Enc. II 321; anderen waren van oordeel, dat er wel verandering komt in de wijze van regeeren maar dat zijn koningschap toch eeuwig is, Mastricht, V 8, 9. Moor III 1129. Vitringa V 443. Het verschil is gemakkelijk in dien zin op te lossen, dat het middelaarschap der verzoening, en dus in zoover ook het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus een einde neemt; God zal koning en alles in allen wezen; maar wat blijft is het middelaarschap der vereeniging, Christus blijft profeet, priester en koning, zooals dit niet de menschelijke natuur vanzelf gegeven, in het beeld Gods opgesloten, en het hoogst en rijkst in Christus als Beeld Gods verwezenlijkt is. Christus is en blijft het hoofd der gemeente, uit wien alle leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit. Wie dit wilde ontkennen, zou ook moeten komen tot de leer, dat de Zoon eenmaal zijne menschelijke natuur afleggen en vernietigen zou; en daarvoor ontbreekt in de Schrift alle grond.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004