22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen. Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met bewustheid, |409| met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving, wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel. In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had volgens heel het N.T. plaats ten derden dage; in Mt. 12 : 40, Mk. 8 : 31 enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler, Zur Lehre v.d. Versöhnung 207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat het geen swma yucikon maar een swma pneumatikon werd, Luk. 24 : 16, 36, Joh. 12 : 14, 19, 1 Cor. 15 : 44v., Phil. 3 : 21, maar het bleef toch een menschelijk swma, Mt. 28 : 5, 9, Luk. 24 : 39, 40, 43, Joh. 20 : 27, 21 : 25, Hd. 1 : 11, 1 Cor. 15 : 37v., Op. 1 : 7. De verschillende pogingen, om deze opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood (Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den huidigen dag ijdel gebleken, Steude, |410| Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294. Nösgen, Neut. Offenbarung I 637 f. Loofs, Die Auferstehungsberichte und ihr Wert, Christl. Welt 33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar tot den hemel behoorde, Joh. 20 : 17, toch onveranderlijk dezelfde in liefde jegens hen zou blijven, 13 : 1, en eeuwiglijk met hen zou zijn tot de voleinding der wereld, Mt. 28 : 20. De verschijningen hadden de eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20 : 26, waar de discipelen om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht schonk, Joh. 20 : 22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea, waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28 : 16, 1 Cor. 15 : 6. Mattheus en Johannes besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24 : 49, Hd. 1 : 4 moesten de discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea, Hd. 1 : 3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar buiten tot aan Bethanie, Luk. 24 : 50, naar den Olijfberg, Hd. 1 : 12. En daar scheidde Hij van hen, diestj, en werd van hen opgenomen in den hemel, ‡nefereto e¸v ton oÇranon, ten onrechte door Tischendorf in Luk. 24 : 51 weggelaten, pjrqj, Hd. 1 : 9, ‡neljfqj, Hd. 1 : 2, 11, 22, 1 Tim. 3 : 16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen met 16 : 8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze, 6 : 62, 14 : 2, 20 : 17, Paulus wijst erop, Rom. 10 : 6, Ef. 2 : 6, 4 : 9, 10, Col. 3 : 1 en noemt ze in 1 Tim. 3 : 16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr. 3 : 22, cf. |411| Hd. 2 : 33, 3 : 21, 7 : 56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6 : 20, 9 : 24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N.T.sche leer van Jezus’ zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2 : 33, 5 : 31, 7 : 56, Rom. 8 : 34, Ef 1 : 20, Col. 3 : 1, Hebr. 1 : 3, 8 : 1, 12 : 2, 1 Petr. 3 : 21, aan zijne voorbede in den hemel, Rom. 8 : 34, Hebr. 7 : 25, 9 : 24-28, 1 Joh. 1 : 1, 2, aan al de werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24 : 3 enz.

Deze verhooging heeft allereerst voor Christus zelven de grootste beteekenis. Vroeger werd in de dogmatiek gewoonlijk ook de vraag behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid ook iets voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat Christus voor zijn onverplicht sterven wel loon verdiend had maar dit aan de zijnen had afgestaan, Cur Deus homo II 19. De meeste scholastici, Lombardus, Sent. III dist. 18. Thomas, S. Theol. III qu. 19 art. 3 qu. 48 art. 1 qu, 49 art. 6. Bonaventura, Brevil. IV c. 7; voorts de meeste Roomsche, Bellarminus, de Christo V c. 9. 10, Becanus, Theol. schol. III tr. 1 c. 14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4; en zeer vele Gereformeerde theologen, Zanchius, Op. VI 121, VIII 477, 502. Piscator op Phil. 2 : 9. Gomarus op Phil. 2, Op. I 530 sq. Cloppenburg, Op. I 305. 888, Rivetus, Op. II 836. Voetius, Disp. II 265-267. Mastricht, Theol. V 14, 7. Heidegger, Corp. Theol. XVIII 39. Moor III 600 e.a., gaven op de bovengenoemde vraag een bevestigend antwoord, en oordeelden dan, dat de gebedsverhooring, Joh. 11 : 42, Hebr. 5 : 7 en vooral heel de staat der verhooging, de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele moesten beschouwd worden als loon voor zijne verdiensten, Jes. 53 : 11, Luk. 24 : 26, Joh. 17 : 4, 5, Phil. 2 : 9, Hebr. 2 : 10, 12 : 2. Anderen echter zeiden, dat Christus niets voor zichzelven maar alles voor ons heeft verdiend, Joh. 17 : 19, 1 Cor. 1 : 30, 1 Tim. 1 : 15 enz., en dat daarom de verhooging wel een gevolg maar geen loon was voor zijne vernedering, Calvijn, Inst. II 17, 6. Comm. op Phil. 2 : 9. Polanus, Syst. VI 26. Junius, Theses theol. 29, 11. Chamier, Panstr. Cath. II 7, 8, Maresius, Syst. Theol, 45. Kantt. Stat. V. bij Phil. 2 : 9 enz., en evenzoo de Luthersche theologen, Gerhard Loc. IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Buddeus, Inst. p. 787. |412| Hollaz, Examen p. 748 enz. Met de Schrift in de hand, is de bovengestelde vraag echter niet anders dan bevestigend te beantwoorden. Zij stelt toch telkens den staat der vernedering voor als den weg en het middel voor Christus, om den staat der verhooging te verkrijgen, Jes. 53 : 10-12, Mt. 23 : 12, Luk. 24 : 26, Joh. 10 : 17. Het dio in Phil. 2 : 9 duidt niet slechts de ordo en consequentia maar bepaald de causa meritoria aan; omdat Christus zoo diep zich vernederd heeft, vs. 5-8, daarom heeft God Hem ook zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tusschen Christus’ vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1 : 3, 2 : 9, 10, 5 : 7-10, 10 : 12, 12 : 2; Christus is zelf door het lijden geheiligd, d.i. niet Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot vollen wasdom en rijpheid gebracht, teleiov geworden, daarin bestaande, dat Hij nu met eer en heerlijkheid is gekroond, 2 : 9, en tot een ‡rcjgov, eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden is, 2 : 10, 5 : 9. De reden, waarom velen bezwaar hadden, om van een verdienste van Christus voor zich zelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die Christus eerst in den staat der verhooging tot den rang der Godheid lieten komen. Maar al is deze voorstelling ook onjuist, de Schrift zegt duidelijk, dat de verhooging ook voor Christus van groote beteekenis is geweest en met zijn staat van vernedering in meritorisch verband staat. De Geref. theologie heeft juist het voorrecht, dat zij deze leer der Schrift veel beter tot haar recht kan doen komen dan de Luthersche. Immers, op Luthersch standpunt blijft er voor een verdienste van Christus voor zich zelven en zelfs voor een staat der verhooging geen plaats open. De Logos toch, in het eerste moment der vleeschwording de menschelijke natuur aannemende, maakte deze vatbaar voor de inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het gebruik of althans van het publieke gebruik afgelegd, Hij bleef ze toch behouden, boven bl. 245. En de staat der verhooging kan bij de Lutherschen daarom niets anders wezen, dan een wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen van de in dien zin afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving dus bij zijne verhooging niets wat Hij niet reeds had; non data est |413| Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam antea non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat, Quenstedt III 368, cf. Gerhard Loc. IV § 306 sq. 329. Hollaz, Ex. 774. Buddeus, Inst. 788, Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 93-114. Deze terugneming van het gebruik der Goddelijke eigenschappen had volgens de Lutherschen plaats in het moment der reviviscentia of vivificatio, en deze is dus eigenlijk de eerste trap der verhooging. Wel wordt door Gerhard, Quenstedt e.a., de descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar wijl deze descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio daaraan voorafgaan; en Buddeus, Inst. p. 789 en anderen, cf. Vitringa V 573, geven haar daarom terecht de eerste plaats in den staat der verhooging. Van deze vivificatio leeren de Lutherschen verder, dat zij geschiedde niet alleen door Christus’ Goddelijke maar ook door zijne menschelijke natuur; deze had daartoe wel niet vanzelve de macht, maar zij bezat toch van liet moment der incarnatie af de Goddelijke eigenschappen, bepaaldelijk ook de vis vivificans; en alzoo anima Christi, virtute divinitatis personaliter sibi communicata, corpus utpote proprium suum templum vivificavit, Quenstedt III 435. Voorts nam Christus naar zijne menschelijke natuur in datzelfde moment der vivificatie al die Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, die zij in de incarnatie ontvangen maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het publiek gebruik aangaat, afgelegd had; d.i. zij had op datzelfde oogenblik weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia, omnipraesentia en vis vivificans, Quenstedt III 154-198. Daaruit volgt, dat de gradus exaltationis bij de Lutherschen eigenlijk geen verschillende, op elkaar volgende trappen in de verhooging kunnen zijn. In het moment der vivificatie was de menschelijke natuur van Christus terstond, door hare vereeniging met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig. De descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging gerekend wordt, is eene openbaring van Christus’ majestas divina in de hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio voor de menschen, Buddeus p. 789; beiden hadden dan ook plaats clauso sepulcro, evenals de verschijning van Jezus aan de discipelen, Joh. 20 : 19 plaats had occlusis foribus, Quenstedt III 441; |414| de hemelvaart heet wel een vera et realis loci mutatio, inzoover Christus zichtbaar voor het oog zijner jongeren is opgevaren, maar is toch alleen eene visibilis en localis, geenszins eene invisibilis absentia corporis Christi in terris, want ook naar zijne menschelijke natuur is en blijft Christus alomtegenwoordig, zij het ook op onzichtbare wijze, Gerhard, Loc. IV § 219. XXVIII § 24. Quenstedt, III 380. Buddeus, Inst. 796. Philippi, Kirchl. Gl. IV2 1 S. 185, cf. Vitringa V 601. Moor IV 246; en de sessio ad dextram Dei eindelijk bestaat daarin, dat Christus, bepaaldelijk naar zijne menschelijke natuur, deelheeft aan de divina, infinita ac immensa virtus et majestas Dei, vooral ook aan zijne alomtegenwoordigheid, en deze uitoefent in zijn koninkrijk der genade en der macht, Quenstedt, III 383-388, 443-450. Gerhard, Loc. IV § 218. Buddeus p. 797. Bedenkt men nu, dat al deze eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus reeds in het moment der vleeschwording zijn medegedeeld en dat Hij wel het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan blijkt, dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den staat der verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van zijne ontvangenis af aan bezat. Christus is terstond bij zijne vleeschwording datgene, wat Hij worden kan; Hij is in eens ook naar zijne menschelijke natuur voltooid, teleiov; er is geen ontwikkeling bij Hem mogelijk; de verhooging was er al bij zijne ontvangenis en kan dus niet opgevat worden als een loon. De Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die Christus reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven, voor welke de menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording aan Christus laat mededeelen; en zij dient ter verdediging van eenzelfde religieus belang, n.l. de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal.

De Geref. theologie had echter eene andere opvatting. Wel houdt zij tegen de Socinianen en ook tegen vele nieuwere theologen staande, dat Christüs niet eerst door zijne opstanding tot profeet, priester en koning geworden en tot den rang der Godheid verheven is. Want de Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den beginne bij God en zelf God was, Joh. 1 : 1, 17 : 5, Rom. 8 : 3, 2 Cor. 8 : 9, Gal. 4 : 4, Phil. 2 : 9, Hebr. 1 : 3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd en als zoodanig in de dagen des O.T. en tijdens |415| zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1 : 9, Tit. 3 : 4, Hebr. 13 : 8, 1 Petr. 1 : 11, 20. Wat Christus dus in den staat der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan hebben in de Goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch ook in het ambt van profeet, priester en koning, dat op Goddelijke verkiezing en aanstelling berust; maar het bestond in de verhooging zelve, in de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele, in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven werd, Jes. 53 : 10-12, Luk. 24 : 26, Joh. 17 : 5, Phil. 2 : 9, Hebr. 2 : 10, 12 : 2, cf. Voetius, Disp. II 277. Volgens Rom. 1 : 3 is Christus kata sarka, d.i. in den weg des vleesches, door geboorte uit eene vrouw, Gal. 4 : 4, geworden uit David; maar kata pneuma ƒgiwsunjv, krachtens den Geest der heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven geleid had, werd Hij uit en door de opstanding door God verordineerd en aangesteld, érisqeiv, cf. Hd. 17 : 31, als Zoon Gods in kracht. Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkander. Door de geboorte werd Christus het zaad Davids, Rom. 9 : 5, nam Hij aan émoiwma sarkov ƒmartiav, Rom. 8 : 3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13 : 4; maar door de opstanding werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan niet beteekenen, dat Hij toen eerst de Goddelijke natuur of den rang en den naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1 : 3, 8 : 3, 32, Gal. 4 : 4, enz,; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de morfj qeou met de morfj doulou verwisselde, Phil. 2 : 9, ontvangt Hij nu bij de opstanding de heerlijkheid terug, die Hij te voren bij den Vader had, Joh. 17 : 2, wordt Hij nu kuriov tjv doxjv, 1 Cor. 2 : 8, qeou dunamiv, 1 Cor. 1 : 24, ontvangt Hij een naam boven allen naam, d.i. den naam van kuriov, Joh. 20 : 28, Hd. 2 : 36, 1 Cor. 12 : 3, Phil. 2 : 9, 10, en daarin de kuriotjv, het recht, de bevoegdheid en de macht, om als middelaar, als profeet, priester en koning over alle schepselen te heerschen, zijne vijanden te onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen schepping voor God te herwinnen, Ps. 2, 72, 110, Mt. 28 : 18, 1 Cor. 15 : 21v., Ef. 1 : 20-23, Phil. 2 : 9-11, Hebr. 1 : 3v., 1 Petr. 3 : 22, Op. 1 : 5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk tot Zoon Gods, Heer, Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd, |416| Hd. 2 : 36, 13 : 33, 17 : 31, Hebr. 1 : 5. Inderdaad is Christus door zijne opstanding ingetreden in een nieuwen stand; Hij is als middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd. In die verhoging deelt in zekeren zin ook zijne Goddelijke natuur. Gelijk niet maar de menschelijke natuur van Christus doch de persoon des Zoons subject der vernedering was, zoo is ook diezelfde persoon naar beide naturen subject der verhooging. Hij had immers zijne morfj qeou afgelegd en zijne Goddelijke natuur achter het kleed eener zwakke menschelijke natuur verborgen; niemand zag in Hem of kon in Hem zien den Eengeborene van den Vader, tenzij dan met het oog des geloofs, Joh. 1 : 14. Maar nu, in den staat der verhooging, straalt zijne Goddelijke heerlijkheid een ieder in de oogen; wie Hem thans ziet, moet belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar voorts deelt in die verhooging ook zijne menschelijke natuur. Het pneuma ƒgiwsunjv woonde ook reeds in Christus vóór zijne opstanding, van zijne ontvangenis afaan, want Hij was ontvangen van den H. Geest, Luk. 1 : 35, was vol des H. Geestes, Luk. 4 : 1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3 : 34, enz., cf. Mt. 12 : 18, 28, Luk. 4 : 14, Hd. 1 : 2, 4 : 27, Hd. 10 : 38. Maar deze heerlijkheid, die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar buiten openbaren; Hij was vleesch, en werd krachtens de zwakheid des vleesches ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13 : 4. Maar in den dood heeft Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij allen samenhang met zonde en dood verbroken. God, die zijn eigen Zoon voor ons in den dood gaf en daarin het oordeel over de zonde voltrok, heeft Hem door zijnen Geest, die als pneuma ƒgiwsunjv in Christus zelven en ook in alle geloovigen woont, Rom. 8 : 11, uit de dooden opgewekt, opdat Hij nu niet meer in zwakheid des vleesches maar in kracht des Geestes leven zou. Gedood is Hij dus wel in vleesch, maar Hij is levend gemaakt in Geest, 1 Petr. 3 : 18. De Geest Gods heeft toch in Christus, ook toen Hij vleesch was, gewoond als de beheerschende macht van zijn leven, als pneuma ƒgiwsunjv, zoodat Christus zich altijd door dien Geest leiden liet en den Vader gehoorzaam bleef, tot in den dood toe; en daarom moet die Geest zich nu ook in Christus bij de opstanding als pneuma zwjv openbaren, die den dood in Christus en ook eenmaal in de geloovigen volkomen overwint, Rom. 8 : 11. Zoover is Christus nu boven alle |417| zwakheid des vleesches verheven, dat Hij geworden is door de opstanding tot een pneuma zwopoioun, 1 Cor. 15 : 45; Hij heeft ook na de opstanding nog wel een swma, Hij is dezelfde Jezus, Hd. 9 : 5, Rom. 4 : 24, 8 : 11, 1 Cor. 12 : 3, 2 Cor. 1 : 14, 4 : 5v. Hij is de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15 : 45; Hij heeft datzelfde swma, waarmede Hij opgestaan is, maar het is een swma pneumatikon, in plaats van de fqora, ‡timia en ‡sqeneia, welke aan het swma yucikon, de sarx eigen zijn, gansch andere eigenschappen n.l. de ‡fqarsia, doxa, dunamiv deelachtig, 1 Cor. 15 : 42v., Phil. 3 : 21. Ja, in 2 Cor. 3 : 17 zegt. Paulus: é de kuriov to pneuma stin; de apostel wil daarmede niet eene omschrijving geven van het substantieele wezen van Christus; maar hij komt tot deze uitspraak, wijl hij betoogen wil, dat de Christenen vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar grond, dat de Heer, d.i. de verhoogde Christus de Geest is, d.w.z. dat de Geest Gods nu in Christus zoo absoluut woont en zoo ten innigste één met Hem is, dat daardoor aan alle onvrijheid een einde wordt gemaakt, oà de to pneuma kuriou, leuqeria. De uitdrukking pneuma kuriou bewijst, dat Paulus in het begin van het vers aan geen identificeering van Christus en den H. Geest denkt; de H. Geest is de Geest van Christus, omdat Hij in Christus zelven woont en omdat Christus zich door Hem aan de zijnen mededeelt, vs. 18. En zoo is Christus nu degene, in wien pan to pljrwma tjv qeotjtov swmatikwv woont, Col. 2 : 9, cf. 1 : 19. Hij is het zichtbare e¸kwn tou ‡oratou qeou, Col. 1 : 19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijne menschelijke natuur openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor. 3 : 18, 4 : 4, 6.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004