21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten, dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel, kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd, dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had. Wel is er de gratia |404| communis om de gratia specialis; en ook schenkt God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere natuurlijke zegeningen, Mt. 6 : 33, Rom. 8 : 28, 32, 1 Tim. 4 : 8, 2 Petr. 1 : 3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt, tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid. En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade, die hun geschonken wordt;, een iegelijk wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus, Rom. 12 : 3, 1 Cor. 12 : 11, Ef. 3 : 7, 4 : 7. Het natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping, en een kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren, zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn. Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet in eigenlijken zin door zijn lijden en |405| sterven verworven heeft, het menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch, geloof, een eerbaar leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden der gemeente, zooals b.v. zelfs het apostelambt aan een Judas. Sans Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’ il fut détruit ou qu’ il fut comme un enfer (Pascal). Zelfs als Hij hangt aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde, waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius, Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping, de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van Christus, Rom. 8 : 19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met beroep op Job 4 : 18, 15 : 15, Ef. 1 : 10, Col. 1 : 20, 1 Tim. 5 : 21, Hebr. 12 : 22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyrillus, de ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op Ef. 1 : 10 en Col. 1 : 20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III 159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1 : 20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz. Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen; die alleen naar Gods beeld zijn |406| gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf. deel II 444, en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de incarn. XII 10. Becanus, Theol.. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1 : 20. Voetius , Disp. II 263. Alting , Theol. probl. nova XII. 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. 1 : 10 en Col. 1 : 20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat God alle dingen, ta panta, d.i. niet menschen of engelen alleen maar in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven, door e¸te ta pi tjv gjv e¸te ta n toiv oÇranoiv, dat God die gansche schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling maar tot zichzelven, e¸v aÇton, en in Hem voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met hare bewoners de gansche, schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag, dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar ook |407| doordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel der geesten, dat God had gediend, Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt, als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d.i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping, pasa Ó ktisiv, zucht te zamen en is te zamen in barensnood. Die gesammte Creatur führt gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus (Philippi); alle leden van die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband met elkaar, Rom. 8 : 22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden, Ex. 24 : 3-8, Hebr. 9 : 21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven. De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder |408| vlek en rimpel, voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12 : 22-28.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004