20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’ offerande is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover, dat niet alle maar alleen sommige menschen de weldaden van Christus feitelijk deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat de offerande van Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige maar alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de particulariteit der genade toegedaan; en de particularisten belijden allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus, wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de woorden, dat Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat de forma meriti, d.i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax, maar ook niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II 254. Het verschil loopt dus alleen over de vraag, of het de wil en de bedoeling Gods was, dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem van den Vader gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor geen tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in verband, hetzij deze door velen, Jes. 53 : 11, 12, Mt. 20 : 28, 26 : 28, Rom. 5 : 15, 19, Hebr. 2 : 10, 9 : 28, door zijn volk, Mt. 1 : 21, Tit. 2 : 14, Hebr. 2 : 17, 7 : 27, 13 : 12, door zijne schapen, Joh. 10 : 11, 15, 25v., Hebr. 13 : 20, door zijne broederen, Hebr. 2 : 11, door kinderen Gods, Joh. 11 : 52, Hebr. 2 : 31-45; |398| door de Hem van den Vader gegevenen Joh. 6 : 37, 39, 44, 17 : 2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20 : 28, Ef. 5 : 25, door zijn lichaam, Ef. 5 : 23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5 : 9, 32, 1 Cor. 5 : 7, Ef. 1 : 7, 2 : 18, 3 : 12, Col. 1 : 14, Tit. 2 : 14, Hebr. 4 : 14-16, 7 : 26, 8 : 1, 9 : 14, 10 : 15, 1 Joh. 4 : 10, 1 Petr. 3 : 18, 2 Petr. 1 : 3, Op. 1 : 5, 6, 5 : 9, 10 enz. aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de Schrift zijn niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de gemeente das Correlat aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen, Rechtf. u. Vers. II2 216. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen maar de gemeente der uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele maar de gemeente en tracht alzoo de unio mystica, de gemeenschap van de geloovigen individueel met Christus uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch overeenstemming. Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen, weinig gewicht. De uitdrukking allen in Jes. 53 : 6, Rom. 5 : 18, 1 Cor. 15 : 22, 2 Cor. 5 : 15, Hebr. 2 : 9, cf. 10 bewijst niets, of zij bewijst veel meer dan de universalisten beweren en zou ten goede komen aan de leer van Origenes over de wederherstelling aller dingen. De universalisten zijn daarom zelf gedwongen, om het woord allen in deze plaatsen te beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18 : 23, 33 : 11, Joh. 1 : 29, 3 : 16, 4 : 42, 13 : 22, 1 Tim. 2 : 4, 6, Tit. 2 : 11, Hebr. 2 : 9, 2 Petr. 3 : 9, 1 Joh. 2 : 2, 4 : 14, waar de wil Gods of de offerande van Christus in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld. Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers, het N. Test. is eene gansch andere bedeeling dan het O. Verbond; het evangelie is niet tot één volk bepaald maar moet gepredikt aan alle creaturen, Mt. 28 : 19; er is geen aanneming des persoons bij God, er is geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hd. 10 : 34, 35, Rom. 3 : 29, 10 : 11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53 : 11, 12, Mt. 20 : 28, 26 : 28, Rom. 5 : 15, 19, Hebr. 2 : 10, 9 : 28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven is, dan ligt daaraan niet de tegenstelling |399| ten grondslag, die er later dikwerf ondergeschoven is, dat niet allen maar slechts velen zullen zalig, worden. Maar de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt, is eene gansch andere, n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven, maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat er te velen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging, zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld en dat aan alle creaturen het evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten hieruit afleiden dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij èn met de Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti die ons onbekend is en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons den plicht op, om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig. Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn. De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs hunner verkiezing ontvangen, cf. deel II 216-222. In de tweede plaats houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk saamhangen. De offerande is de grond van Christus’ |400| voorbidding; de laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch, Theol. Chr. III 19. 11 erkent dan ook, intercessionem non esse actum reipsa ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum. Indien de intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17 : 9, 24, Rom. 8 : 34, Hebr. 7 : 25, 1 Joh. 2 : 1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept zich Limborch IV 4, 7 daartegen op Luk. 23 : 34, maar hier bidt Jezus niet om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom. 8 : 28-34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5 : 8-11. De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede. Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4 : 16, Col. 2 : 19; Hij is de hoeksteen en zij zijn het gebouw, Ef. 2 : 20, 21. Hij is de eerggeborene en zij zijn zijne broederen, Rom. 8 : 29. Do geloovigen zijn dan ook objectief met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf. Rothe, Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver zich uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze begrepen en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt dat ook in den aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid maar in werkelijkheid. De universalisten zijn echter gedwongen, om de zaligheid zelve gansch anders op te vatten en aan den naam van Jezus te kort te doen. In de logika geldt de regel: quo major extensio, minor comprehensio. En deze regel is ook op velerlei ander terrein, zij is ook hier van toepassing. Onder den schijn van het werk van Christus te eeren, wordt het door de leer der algemeene voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus toch voor allen voldaan heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk de toepassing der zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er misschien toevallig |401| bijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is en er niet van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is dan niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten slotte altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk van Christus aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid maar slechts van de mogelijkheid der zaligheid, niet van de feitelijke reconciliatio maar van de potentieele reconciliabilitas. Christus verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond der genade met ons aan te gaan, de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te schenken, indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor ons nog te doen over. Christus maakte het verbond der genade zelf niet vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de zonden van zijn volk vergeven zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is, om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven, indien wij en nadat wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid om ons te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht van Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar, winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit. Rome leert, dat de zonden, vóór den doop begaan, d.i. in den regel de erfzonde, in den doop vergeven worden. Maar na den doop blijft de concupiscentia over, die wel zelve geen zonde is maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan begane zonden worden wel in het sacrament der boete vergeven, wat de schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door den mensch zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI 30. XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden, dat God in den dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft, ut per et propter hoc ipsum lutron ac sacrificium in gratiam cum iis redire et ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit, Conf. VIII 9. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt, Barclay, Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moeten |402| allen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is de ware verzoening met God, cf. Kübel, Unterschied 135 f. De Gereformeerden waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geen fertige Grösse, maar sluit principieel de gansche herschepping in zich. Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden gestorven maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17 : 19, Hij gaf zich voor de gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelvert heerlijk voorstellen zou, Ef. 5 : 25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2 : 11, en zijn als het ware één Christus, 1 Cor. 12 : 12. In en met Christus schenkt God aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8 : 32v., Ef. 1 : 3, 4, 2 Petr, 1 : 3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen in Christus mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. 1 : 3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12 : 3, het geloof, Phil. 1 : 29, de bekeering, Hd. 5 : 31, 11 : 18, 2 Tim. 2 : 25, een nieuw hart en een nieuwen geest, Jer. 31 : 33, 34, Ezech. 36 : 25-27, Hebr. 8 : 8-12, 10 : 16. Cf. Can. Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, Antapologia c. 16. Mastricht, V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270. Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III 1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats is hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloofs en der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet |403| plaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten, Barclay, Verantw. van de Ware Christ. Godg. bl. 92, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om Hem aan te nemen of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen, alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004