19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij, maar ook extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk de wereld het voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3 : 16, zoo is Christus gekomen om die wereld niet te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3 : 17, 4 : 42, 6 : 33, 51, 12 : 47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en op aarde, tot zich zelven verzoend, Joh. 1 : 29, 2 Cor, 5 : 19, Col. 1 : 20 en vergadert ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1 : 10; de wereld, door den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam bestemd, Col. 1 : 16, Hebr. 1 : 2, Op. 11 : 15. Door Origenes is hieruit afgeleid, dat Christus door zijn lijden en sterven de gansche wereld verlost heeft, niet alleen alle menschen, maar ook alle andere redelijke wezens, n.l. de gevallen engelen, en voorts alle schepselen, de princ. 16.; Christus oÇ monon Ãper ‡nqrwpwn ‡peqanen, ‡lla kai Ãper twn loipwn logikwn, in Joann. I 40. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding der eeuwen, Hebr. 9 : 26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van die, welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ. II 3, 5. Hom. in Lev. I 3, cf. Schwane, D.G. I2 254. Dit universalisme is echter door de christelijke kerken altijd verworpen, b.v. Const. 543 can. 7. 12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover particularistisch, dat zij ta panta in Col. 1 : 20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden. Maar desniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt gebracht. Jes. 53 : 6, Rom. 5 : 18, 8 ; 32, 1 Cor. 15 : 22, 2 Cor. 5 : 15, Hebr. 2 : 9, 1 Tim. 2 : 4, 6, 2 Petr. 3 : 9, 1 Joh. 2 : 2, het besluit getrokken, dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd, voldaan had en dat de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat. De kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over den heilswil Gods en over de verzoening van Christus, cf. Petavius, de incarn. XIII c. I. 2; maar de eigenlijke kwestie bestond in dien tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde alleen eene praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen, deel II 319. In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de orde |391| komen; en Augustinus was de eerste, die duidelijk de particuliere voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gelooven, dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius, ib. c. 3, dat Christus een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en aardsche, met elkander verzoend heeft, Kühner, Augustins Anschauung v.d. Erlösungsbedeutung Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in Christus beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in het algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de genade, deel II 320; als het getal dergenen, die zalig zullen worden, eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle mensen hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2 : 4 altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende verklaringen, nu eens, dat omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non fiunt, Epist. 107, de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van het menschelijk geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14 c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart, verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius, de Deo XI 7, 10. de incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon en het werk van Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband; God riep door Christus populum credentium tot de adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c. 13. Omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est, de conj. adult. I 15. Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est, Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313. Vitringa VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1 Tim. 2 : 4 zeiden de Semipelagianen, |392| dat God alle menschen met gelijke liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop antwoordde Prosper, dat omnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening, Christus is wel pro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram humanae naturae susceptionem, et propter communem in primo homine omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus, quibus mors profuit, Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus, Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange 529 zeide alleen, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de zaligheid noodig is, cf. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D.G. II2 571-582. In de 9e eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; Gottschalk leerde, dat Christus baptismi sacramento (reprobos) luit, non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is, maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode van Valence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus zijn bloed had gestort etiam pro illis impiis, qui a mundi exordio usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, de quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipso non pereat sed habeat vitam acternam, can. 4. Ook de scholastiek bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; |393| 1 Tim. 2 : 4 moet niet zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde, dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze tekst wil zeggen, nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri ipse voluerit, of dat er allerlei menschen uit alle volken en standen zalig zullen worden, of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat God aller zaligheid wil, n.l. voluntate antecedente, conditionale, d.i. indien zij zelf, willen en tot Hem komen, maar dan was deze wil magis velleitas quam absoluta voluntas, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2 en ook op 1 Tim. 2 : 4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol. I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie aangaat, de scholatiek leerde wel, dat zij superabundans was en geschiedde pro peccato humani generis, totius humanae naturae enz., Thomas, S. Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde de mogelijkheid der voldoening vooral daarmede, dat Christus het hoofd was en de geloovigen de leden zijns lichaanis, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de geloovigen in verband; zoo zegt Thomas, caput et menbra sunt quasi una persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet sicut ad membra, III qu. 48 art. 2; quia ipse est caput nostrum, per passionem suam liberavit nos tanquam membra sua a peccatis, quasi per pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset, III qu. 49 art. 1. En III qu. 79 art. 7. zegt hij: passio Christi prodest quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi in illis qui Christi conjunguntur per fidem et charitatem. Dat deze efficacitas niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods verkiezing en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij III qu. 48 art. 6 zegt: passio Christi efficienter causat salutem humanam; cf. ook Lombardus: Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque salutem optavit, Sent. III dist. 31, 4. Christus se trinitati obtulit pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum quantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit, ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde gevoelen in de Roomsche kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius, Quesnel, en zelfs ook door Tapper, Estius, Sonnius e.a., cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa VI 155-159. Maar het |394| semipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer hoe dieper door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat Christus voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens rekent met het goede of slechte gebruik, dat de menschen van hun vrijheid en van de genade maken, deel II 325, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I 3, 7. Innoc. X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae I 25. de poenit. I 2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv. III 1 qu. 1. Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322. Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk, Damascemus, de fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47; de Lutherschen, Symb. ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, III 311-324. Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst. theol. 824; de Remonstranten, Conf. en Apol. conf. VIII 10. Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2 : 2. Limborch, Theol. Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers, Herrnhutters, Methodisten enz.

De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere voldoening dus vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat zij onder elkander volstrekt niet eenstemmig waren en langzamerhand steeds verder van elkander afweken. Verschillende belijdenissen spreken gematigd en algemeen, b.v. de conf. Anhalt., bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips., ib. 662, Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid. spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte als een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf. M. Vitringa VI 136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie leeren haar niet dan per consequentiam. In de canones van Dordrecht wordt ze duidelijk geleerd, maar tevens gezegd, dat de offerande van Christus was infiniti valoris et pretii, abunde sufficiens ad totius mundi peccata expianda, II 3, en voorts komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major et minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen was er geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat het wel goed was te zeggen, dat Christus’ offerande voor alle menschen voldoende ware geweest, indien God haar voor allen efficax had willen maken; maar men kon toch eigenlijk niet |395| zeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien Christus niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf men aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia sufficiens en efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II 251 sq. Anderen spraken echter met Augustinus en de scholastici zoo, dat Christus sufficienter voor allen, efficaciter alleen voor de uitverkorenen gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2 : 2. H. Alting, Probl. theol. 174. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor III 1035-1075 enz. Op de Dordsche synode spraken de buitenlandsche afgevaardigden over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande zoo ruim mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus in zekeren zin voor allen gestorven was; sic Christus pro omnibus mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtute ‡ntilutrou hujus remissionem peccatorum et vitam aeternam consequi, thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde school van Twissus, Rutherford e.a. eene meer gematigde richting, vertegenwoordigd door Davenant, Calamy, Reynolds, Arrowsmith, Seaman enz., en vooral door Richard Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel overeen met dat van de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus enz.; er was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen conditioneel, onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen zóó had voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt en onfeilbaar hen tot de zaligheid leidt, deel II 341. In de Schotsche kerk kwam de leer der particuliere voldoening in verband met het algemeene aanbod der genade herhaaldelijk ter sprake; zij was zelfs mede eene van de oorzaken voor de scheiding der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche richting te ontgaan, die het geloof tot eene wettische voorwaarde maakte en het evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde, gequalificeerde personen, leerden de zoogenaamde Marrowmen (James Hog, Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander Moncrieff enz., cf. deel I 128), dat Christus’ offerande een legal, federal sufficiency bezat voor alle menschen en grondden daarop het algemeene aanbod van genade. Sommigen gingen nog verder, |396| maakten onderscheid tusschen eene algemeene en bijzondere genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas Mair 1754), of leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, 1698, maar zijne verhandeling on justifying faith werd eerst in twee stukken gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening (Dr. M. Gill, Practical essay on the death of Christ, 1786). In deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland wederom het onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf de United Associate Synod of the Secession Church eene verklaring, waarbij zij de algemeene voldoening wel veroordeelde, maar toch leerde, dat Christus’ offerande voor allen voldoende was en allen gebracht had in een salvable state. Zoowel ter rechter als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar; sommigen ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden de algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijne Letters upon Theron and Aspasio, Symington, Haldane, en vooral Dr. Marshall; anderen leerden beslist de algemeene voldoening, William Pringle, John Mc Leod Campbell, James Morison, Robert Morison, A.C. Rutherford, John Guthrie; de beide professoren Balmer 1844 en Brown werden zelfs door Marshall aangeklaagd, maar toch door de synode in 1845 vrijgesproken, cf. Andrew Robertson, History of the atonement controversy in connexion with the Secession Church from its origin to the present time, Edinb. 1846. Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook beslist verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien Jonathan Edwards optrad; in Amerika door de Edwardean of New-England theologen, Emmons, Taylor, Park, Fiske enz.; in Duitschland door P. Volckmann e.a.; hier te lande vooral door Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18e eeuw VII 133v. Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna algemeen prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal. n. 66. Heid. Cat. bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen wordt ze nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562. A.A. Hodge, The atonement p. 347-429. Shedd, Dogm. Theol. II 464-480. W. Cunningham, Historical Theology, 2 ed. Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S. Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. Hugh Martin, The atonement, Edinb. Hunter z.j. |397| Kuyper, Dat de genade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun bij Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande niet is de enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk de gemeente; zij alleen is in het bezit van de rechtvaardiging en vol van vergeving der zonden, zij wordt in de Schrift altijd voorgesteld als het voorwerp der werkingen, welke er van Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I2 47-67. 205 f. 305 f. II2 216 f. III2 103 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004