18. De vrucht van deze gehoorzaambeid van Christus is niet minder dan de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle weldaden samengevat, welke Christus voor de zijnen verworven heeft. God heet in de Schift swtjr, Luk. 1 : 47 enz., maar ook Christus draagt dien naam, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Mt. 1 : 21, Luk. 2 : 11. Hij is de |381| ‡rcjgov tjv swtjriav, Hebr. 2 : 10, a¸tiov swtjriav a¸wniou, Hebr. 5 : 9, en zijn evangelie is het evangelie tjv swtjriav, Ef. 1 : 13. Deze swtjria is eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en een deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenover qanatov, 2 Cor. 7 : 10, ‡pwleia, Phil. 1 : 28, ìrgj, 1 Thess. 5 : 9, en duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5 : 9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden genoemd. Bovenaan staat de katallagj, reconciliatio, verzoening. De offerande van Christus heeft n.l. volgens de Schrift objectieve, ook voor God geldende beteekenis. In het O.T. hadden de offers de bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken, rpk, LXX xilaskesqai. Deze verzoening heeft nu wel nergens God tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1 : 3, 6 : 7, 10 : 17, 15 : 15, 30, 19 : 22, Num. 15 : 28, 31 : 50, en bedoelt, om door het bedekken der zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8 : 19, 16 : 46, en Hem genadig te stemmen, ³laskesqai, ³laon poiein, propitium reddere, placare. Evenzoo is Christus in het N.T. ³lastjrion, Rom. 3 : 25, ³lasmov, 1 Joh. 2 : 2, 4 : 10, een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de dingen bij God, e¸v to ³laskesqai tav ƒmartiav tou laou, Hebr. 2 : 17; als hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten, Rationalisten en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2 230 f. Kaftan, Dogm. 460, beweerd, dat God liefde is, niet behoeft verzoend te worden maar zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert toch duidelijk, ook in het N.T., dat God toornt over de zonden, Rom. 1 : 18, Gal. 3 : 10, Ef. 2 : 3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden, Rom. 5 : 9, 10, 2 Cor. 15 : 18, 19, Gal. 3 : 13, en dat Christus daartoe een ³lasmov is geweest, Rom. 3 : 25, Hebr. 2 : 17, 1 Joh. 2 : 2, 4 : 10. Dit strijdt echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde is en zelf den Christus tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Zijn toorn is immers geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen dorst naar wraak, maar |382| beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de liefde jegens zijne schepselen samengaan. Odit in unoquoque nostrum quod feceramus, amavit quod fecerat, Beda bij Turret., de satisf. 86. Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt, Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van Gods toorn, verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet, Calvijn, Inst. II 16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd is. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkeering; al zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne verzoening met ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment destijds, waarin zij in de werkelijkheid plaats grijpen, cf. deel II 125v. Daarom is het ook God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5 : 19; Hij verzoent zichzelven door de offerande des kruises; Hij brengt in de gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne deugden tot erkenning en handhaaft zichzelven als God voor het oog van al zijne creaturen; het is, wijl Christus waarachtig God is en voor dit Goddelijk werk ook waarachtig God moest zijn, het is God zelf, die door het kruis alle dingen met zichzelven verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in die verhouding tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet meer in zijn toorn maar in zijne genade aanschouwt. Jam diligenti nos sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat. Cf. Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e.a. op |383| Sent. III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst. II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor III 448-450. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl. II 612. Frank, Chr. Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre v.d. Vers. 362 f. Shedd, Dogm. Theol. II 401 etc. A.A. Hodge, The atonement ch. 9 enz.

Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van verzoening en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch. Christus heeft als ³lasmov de zonde gesühnt en daardoor God versöhnt. Het onderscheid tusschen ³lasmov en katallagj bestaat niet daarin, dat gene objectief en deze subjectief is. Ook de katallagj is eene objectieve, door God zelf tot stand gebrachte relatie tusschen Hem en de wereld, 2 Cor. 5 : 18, 19. Maar in het ³laskesqai is Christus als middelaar het subject, wendt, door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn af en verwerft zijne genade. Maar in het katallassein is God zelf het subject, 2 Cor. 5 : 19; door Christus te geven tot ³lastjrion, brengt Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede tot stand. Hij toornt niet meer; wat Hem tot onzen ‡ntidikov maakte, n.l. de zonde, is door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus eene zoodanige verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne vijandschap af, wijl hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den dood van Christus, en staat nu tot de wereld in eene verhouding van vriendschap en vrede; katallagj is dus de door expiatio, placatio, Versühnung tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Deze katallagj is de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend, er is onzerzijds niets meer te doen; en heel de diakonia tjv katallagjv bestaat in de uitnoodiging tot de menschen: katallagjte tû qeû, legt gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede, in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld heeft, gelooft het evangelie, Rom. 5 : 9, 10, 2 Cor, 5 : 18-21, cf. Ef. 2 : 16, Col. 1 : 20-22, Cremer s.v. ³l. en katall., Philippi op Rom. 5 : 10, Holtzmann, Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch gelooft en zich bekeert. De menschen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast God het subject der verzoening waren; |384| maar God heeft de wereld met zichzelven verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen; menschen ontvangen alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5 : 11, en nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5 : 20. Maar uit deze ééne weldaad der verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God en de wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en menschen, menschen onderling, en ook de verhouding der menschen tot zonde, dood, wereld, Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In de katallagj, de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’ offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet, gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische leven, tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn, niet gelijk de misdaad is de genadegift; de genade Gods en de gave door de genade is bovenmate overvloedig, Rom. 5 : 15. De weldaden, die uit de katallagj Gods in Christus ons toekomen, zijn te vele om te noemen, boven bl. 312v. Zij kunnen ingedeeld in: juridische, n.l. vergeving der zonden, Mk. 14 : 24, Hebr. 9 : 22, rechtvaardigmaking, Rom. 3 : 24, 4 : 25, 5 : 9, 8 : 34, 1 Cor. 1 : 30, 2 Cor. 5 : 21, aanneming tot kinderen, Gal. 3 : 26, 4 : 5, 6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis, Rom. 8 : 17, 1 Petr. 1 : 4, ook verlossing, ‡polutrwsiv, Ef. 1 : 7, Col. 1 : 14, Hebr. 9 : 15, dat echter soms ruimere beteekenis heeft, Rom. 3 : 24, 8 : 21, 23, 1 Cor. 1 : 30, Ef. 1 : 14, 4 : 30, 1 Petr, 1 : 18, 19; mystische, bestaande in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2 : 20, Col. 3 : 1-13; ethische, n.l. wedergeboorte, Joh. 1 : 12, 13, levendmaking, Ef. 2 : 1, 5, heiligmaking, 1 Cor, 1 : 30, 6 : 4, afwassching, 1 Cor. 6 : 11, reiniging, 1 Joh. 2 : 9, besprenging, 1 Petr. 1 : 2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5 : 17, 1 Thess. 5 : 25; moreele, bestaande in de navolging |385| van Christus, die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10 : 38, 16 : 24, Luk. 9 : 33, Joh. 8 : 12, 12 : 26, 2 Cor. 8 : 9, Phil. 2 : 5, Ef. 2 : 10, 1 Petr. 2 : 21, 4 : 1; oeconomische, n.l. de vervulling van het Oudtest. verbond, de inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14 : 24, Hebr. 7 : 22, 9 : 15, 12 : 24, de vrijheid van de wet, Rom. 7 : 1v., Gal. 2 : 19, 3 : 13, 25, 4 : 5, 5 : 1 enz., de uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking van den muur des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden en van alle andere in de menschheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus, Gal. 3 : 28, Ef. 2 : 11-22, Col. 2 : 21; physische, n.l. de overwinning der wereld, Joh. 16 : 33, van den dood, 2 Tim. 1 : 10, Hebr. 2 : 15, van de hel, 1 Cor. 15 : 15, Op. 1 : 18, 20 : 14, van Satan, Luk. 10 : 8, 11 : 22, Joh. 14 : 30, Hebr. 2 : 14, 1 Cor. 15 : 55, 56, Col. 2 : 15, 1 Petr. 3 : 22, 1 Joh. 3 : 8, Op. 12 : 10, 20 : 2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene herstelling van de door de zonde met schuld beladene, verdorvene en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus’ werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en wereld de katallagj gesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd — want het gaat alles in vaste orde — de gemeente eens zonder vlek of rimpel aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in allen zijn, 1 Cor. 15 : 22-28.

In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde een pelagov ‡gaqwn geworden. Men sprak van Christus als mediator, redemptor, reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus, pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht, aan als qeopoijsiv, qeiwsiv, deificatio, vivificatio, salvatio, liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio , illuminatio, resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate te classificeeren, zooals in de bekende versregels: Propitians, purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque requirunt, of onder de hoofden expiatio, remissio, consummatio enz., cf. Athan., de incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem. Ev. IV 21. Aug. de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48. 49. Bonaventura, Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7. |386| Polanus, Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18, 22. Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal niet. De beschouwing van het werk van Christus als satisfactio en meritum, die sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet vergoeden; beide zijn alleen logisch onderscheiden, want hetzelfde werk van Christus is satisfactio, inzoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het is meritum, inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid verwierf, Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. Xll 9. Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp. II 228. Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 283 enz. Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer de vraag wat Christus „verdiend73148; heeft en hoe dit met zijne offerande in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’ werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving kwam vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe schepping, die door Christus, tot stand gebracht wordt, maar deze valt hem toch met de Erlösung saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de vergeving der zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in eigenlijke loskooping, Il 221, niet in bevrijding van den dood, Il 86, ook niet in het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke symboliek en levert geen stof voor een |387| dogma, II 226 f.; maar Christus verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met God, III 506 f. De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor van de scheiding tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60. Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is een ethische verandering in ons, II 230 f. 342 f. III 74-76. Unterricht § 37. Er is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den eersten komt de cubjectieve verandering des menschen tot stand langs mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze volkomenheid, en bij Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde trouw aan God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten daarvan in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder; beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem, niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu, de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk, cf. Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber den Unterschied der posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol.2 1893 S. 150. |388| Kähler, Zur Lehre v.d. Versöhnung 32 f. Bovenal echter komen beiden daarin overeen, dat zij de werking van Christus’ leven en lijden tot het religieuse en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs bij deze beperking geen van beiden helder in het licht stellen, hoe de persoon en het werk van Christus deze verandering op religieus en ethisch gebied kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde tot op zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’ werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon zoo opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt; want het is waar, wat eerstgenoemde zegt: die eigenthümliche Thätigkeit und die ausschliessliche Würde des Erlösers, weisen auf einander zurück und sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen unzertrennlich eins, Chr. Gl. § 92. Bij deze opvatting is te verstaan, dat de passieve gehoorzaamheid wordt ontkend, dat de Godheid van Christus slechts is een zijn van God in Hem, dat opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene pantheistisch-mystische of eene deistisch-moreele werking van Christus’ persoon en werk is dan ter zaliging voldoende.

Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de leer der H. Schrift; het is eene miskenning van den persoon van Christus en eene verkleining van zijn werk. Christus is maar niet een ‡nqrwpov nqeov, doch de eeuwige en eengeboren Zoon van God, het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgediukte beeld zijner zelfstandigheid, zelf God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en sterven is maar niet zekere magische of moreele invloed, die van Hem in de wereld uitgaat, doch is niet minder dan de ‡pokatastasiv pantwn, Hd. 3 : 21, de ‡nakefalaiwsiv twn pantwn n tû Cristû, ta pi toiv oÇranoiv kai pi tjv gjv, Ef. 1 : 10. Dit werk der herschepping heeft zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte offerande van Christus, of liever nog in de katallagj, welke God in Christus tusschen zich en de wereld tot stand gebracht heeft. God wil niet winnen door overmacht. Licht ware het voor Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te vernietigen en aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te schenken, Num. 14 : 12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich in gerechtigheid, Jes. 5 : 16. De zonde is geen physische, maar eene ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijke |389| macht over de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet, 1 Cor. 15 : 56. Zoo heeft het Gode behaagd, deze macht op zedelijke wijze, in den weg van recht en gerechtigheid te overwinnen. Niet door geweld of macht, maar door het kruis, dat den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God over de overheden en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting beroofd, en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2 : 15. En daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel haar macht overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne wederpartijders rechters zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen, Rom. 4 : 5; niemand kan beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Rom. 8 : 33. God is het, die rechtvaardigt, en die in de rechtvaardiging van dengene, die uit het geloof van Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom, 3 : 26. God kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid, omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8 : 34. Op grond van die offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde ontrukken, zijn koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus als hoofd vergaderen en eens alles in allen zijn. Niemand, ook Satan niet, kan daartegen iets inbrengen; aan het einde zal elk moeten erkennen, dat God rechtvaardig en dat Christus de wettige, de rechtmatige Heer is, Phil. 2 : 11. Tusschen de weldaden, die Christus verworven heeft, en zijn persoon en offerande, bestaat dan ook geen physisch of magisch verband, alsof eenige substantie van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz., uit Hem in ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen. Maar God heeft zichzelf in Christus den koninkiijken weg des rechts gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner genade te verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld om, gestichte, objectieve katallagj vloeien der menschheid alle bovengenoemde weldaden om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de volkomene verlossing, de gansche herschepping. En wijl dit werk der herschepping zoo groot is, grooter nog dan dat der schepping en der onderhouding, daarom moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet alleen waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle schepselen, d.i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien God de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping zijn, Bonaventura, Brevil. IV c. 1. |390|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004