17. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel den staat zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der twee staten kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio, idiomatum met Jezus’ vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door de Gereformeerden overgenomen, Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus, Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol. c. 27. 28 enz. Sedert Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is zij echter òf geheel prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het voorbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze leer ook geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius, Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen, hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de allengs zich voltooiende menschwording van den Logos, of van de Godmenschelijke ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne vernedering wordt dan opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de verhooging vanzelve ten gevolge had, Martensen § 139 f. Dorner § 104. Lange II 635. Rothe, Ethik § 533 f. De leer der twee staten wordt door eene biogiaphie van Jezus vervangen, die echter met het oog op de bronnen onmogelijk, met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu 1864 § 1. Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III1 3. 63. Kähler, Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche, bibl. Christus 1892. Id. Zur Lehre v.d. Versöhnung 68 f. Kuyper, Enc. III 158. Er is geen scheiding te maken tusschen een vita Christi en een officium Christi, gelijk Ebrard wil, Dogm. § 408. Zijn gansche leven stond in dienst van het ambt, waartoe Hij doe den Vader aangesteld en in de wereld gezonden was. Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om de evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld te verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblik |375| voor zichzelf geleefd, Rom. 15 : 3, maar altijd voor zijne gemeente, om haar een voorbeeld te geven, Mt. 11 : 29, Joh. 13 : 14-1,6 enz., om haar te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt. 20 : 28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te deelen, Joh. 1 : 16, 6 : 33v., Col. 3 : 4. De menschwording zelve was reeds eene kenwsiv, daarin bestaande, dat Hij, die n morfÛ qeou Ãparcwn oÇc ƒrpagmon Ógjsato to e¸nai ¸sa qeû, d.i., die in de gedaante Gods, op dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en de morfj doulou aannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2 : 7, 8, 2 Cor. 8 : 9, cf. Weiffenbach, Zur Auslegung der Stelle Phil. 2 : 5-11, Karlsruhe u. Leipzig 1884. In de verwisseling der morfj qeou met de morfj doulou, van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke bestond zijne kenwsiv, exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijne tapeinwsiv, humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den dood, toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid, een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis, Luk. 2 : 21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch en Abrahams zaad was, dat Hij, als zoodanig stond in de gemeenschap onzer zonde en het teeken der afsnijding van die zonde ontvangen moest, en dat God zijn God en Hij Gods Zoon was. Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de besnijdenis voor zichzelf van noode had, Mt. 3 : 14, geschiedde, omdat het Hem als middelaar betaamde, pljrwsai pasan dikaiosunjn, al het recht der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid aan te brengen, die de wet van Hem eischte; omdat Hij als zoodanig in de gemeenschap der zondaren staande, het teeken en zegel zijner gemeenschap met God ontvangen moest, als de Zoon, in wien de Vader al zijn welbehagen had; en omdat Hij met den H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest worden tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen kan met den H. Geest en met vuur, Mt. 3 : 11-17, cf. parall., Hd. 10 : 38, Bornemann, Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm. |376| Beurteilang der christl. Theologen der vier ersten Jahrh., Leipzig 1896. De verzoeking, die terstond na den doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemane toe zich herhaalde, cf. ‡cri kairou, Luk. 4 : 13, Joh. 12 : 27, Mt. 26 : 39, Hebr. 4 : 15, 5 : 7, 1 Petr. 2 : 23, had ten doel, dat Christus, die zoo pas het teeken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des H.G. ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in stand houden en bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester, in alles verzocht zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe komen. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven gesproken en gedaan heeft, zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh. 5 : 19v., 6 : 38 en hebben ten doel, om den naam, de deugden, den raad en het welbehagen Gods beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt. 11 : 27, Joh. 1 : 18; om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan alle armen, kranken en verlorenen, Mt. 8 : 17, 11 : 5 ; om zijne koninklijke macht te bewijzen, over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen, Luk. 10 : 18, Joh. 12 : 31, 14 : 30, 16 : 33, 18 : 37. Het lijden van Christus, dat met zijne menschwording begint maar in de passio magna zich voltooit, is de wil en het gebod van den Vader, Mt. 26 : 39, 42, Joh. 10 : 17, 18, bewijs van zijne volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2 : 8, Hebr. 5 : 8, en voor de zijnen tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2 : 21, tot een rantsoen voor hunne zouden, Mt. 20 : 28, 26 : 28, tot eene overwinning der wereld, Joh. 16 : 33, Col. 2 : 15. Zijne veroordeeling, niet alleen door het sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen rechter Pontius Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord of in een oproer sterven zou, maar naar de uitspraak van het toenmaals beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk, in den weg des rechts gedood zou worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke onschuld, Mt. 27 : 18-24, èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne belijdenis, de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26 : 63, 27 : 11, èn de wil van God, Hd. 2 : 23, 4 : 27, 28, èn het karakter van zijn dood als een sterven voor anderen, Mt. 20 : 28, duidelijk en onwedersprekelijk voor aller oog in het licht zouden treden. De dood der kruisiging, crudelissimum teterrimumque supplicium, en |377| gewoonlijk slechts op slaven en erge misdadigers toegepast, had deze beteekenis, dat Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste en smadelijkste straf veroordeeld zijnde, aan den strengsten eisch der wet heeft voldaan, als een gehangene Gode tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de vervloeking der wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21 : 23, Gal. 3 : 13, en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt, volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt en de kern van het evangelie, 1 Cor. 1 : 23, 2 : 2, Gal. 6 : 14. Het bloed dat Christus vergoot — non infirmitate, sed potestate mortuus est, Aug., de nat. et gr. 26 — bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede to stand bracht, Mt. 26 : 27, Hd. 20 : 28, Rom. 3 : 25, 5 : 9 Ef. 1 : 7, Col. 1 : 20, Hebr. 9 : 12 , 22. Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53 : 9, Mt. 12 : 40, 27 : 59, 60, Luk. 11 : 29, 23 : 53, Joh. 19 : 40-42, Hd. 13 : 29, 1 Cor. 15 : 3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23 : 43, 46, toch drie dagen verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3 : 19, ten volle gedragen heeft. Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten, zijn vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades verkeerd, Mt. 12 : 40, Hd. 2 : 27, 31.

Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want de nederdaling e¸v ta katwtera tjv gjv, Ef. 4 : 9 wijst blijkens de tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording, cf. Meyer t.p.; en 1 Petr. 3 : 19-11 spreekt in geen geval van hetgeen Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar òf van hetgeen Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording; de woorden zwopoijqeiv de pneumati duiden aan, dat Christus, die, wijl een sarkisch lichaam deelachtig, gedood is, toch omdat het pneuma Hem eigen was , weer opgewekt is, |378| zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch maar een pneumatisch leven was. De descensus ad inferos, ta katwtata, Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen zin heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig kwam in de christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in den tijd tusschen zijn dood en opstanding naar den Hades was gegaan. Het voor eenigen tijd ontdekte Evangelium Petri vs. 41 42 laat eene stem uit den hemel tot Jezus zeggen: kjruxav toiv koimwmenoiv, waarop het antwoord luidt: gumnai, de helsche machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16, 5-7 zetten de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan hen, die vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens Alex. Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv. haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus apud inferos of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om de geloovigen des O.T. in de weldaden van zijn werk te doen deelen. Volgens Rufinus 410 had het symbool der kerk te Aquileja ook dit artikel: crucifixus sub Pontio Pilato et sepultus descendit in inferno; waarschijnlijk ging van hier dit artikel in verschillende belijdenissen over, in dat van de synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in het symbolum Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van, het zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist. werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost. symbool van Caspari, Harnack art. Apost. S. in Herzog2, Zahn, Das ap. Symbol, Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 S. 103 f. Id. Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id. Zur Würdigung des Apostolikums, Hefte zur Chr. Welt n. 2, Leipzig 1892 S. 29. Hahn, BibL der Symb. u. Glaubensregeln der alten Kirche3 1897. De Grieksche kerk, Conf. Orthod. qu. 49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus met zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is gegaan en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den moordenaar aan het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht. De Roomsche kerk, Cat. Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn. XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben III 298 f. enz., leert, dat Christus, werkelijk, met zijne ziel, na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar zoo lang gebleven is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen der vromen, |379| die daar sine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe sustentati, quieta habitatione fruebantur, maar toch Gods aanschouwing misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder te slaan en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche kerk, Symb. B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar beide naturen, met ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel is gegaan, den duivel overwonnen, de macht der hel verstoord en aan den duivel alle kracht en macht ontnomen heeft; de theologen breidden dit zoo uit, dat Christus op den morgen van den derden dag, na de vivificatio, resurrectio interna en vóór de resurrectio externa, met ziel en lichaam naar de hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eene praedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijne overwinning over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank, Theologie der Concondionformel III 397-454. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 277. 288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig en verstaan onder de nederdaling ter hel de helsche smarten, die Christus leed aan het kruis, Calvijn, Inst. I 16, 8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en zoo Beza, Danaeus, Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus alleen met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te maken, Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted; of het heengaan van Christus naar de hel met ziel en lichaam beide met hetzelfde doel, Coll. Lips. 9; of waarin Christus drie dagen verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer 55, en zoo Olevianus, Perkins, Amesius, Molinaeus, Bronghton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens, Vriemoet enz.; terwijl sommigen deze verschillende gevoelens trachtten te vereenigen, Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost. symbool, 18 § 9 v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht V 13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol. 18, 32. enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan het artikel geen goeden zin wisten te hechten en het geheel verwierpen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook dit artikel aangrepen, om aan hunne leer van eene voortdurende evangelieprediking en van eene Missionsanstalt in de plaats van den tusschentoestand een kerkelijk stempel te geven, cf. vooral Güder, Die Lehre v.d. Erscheinung Jesu Chr. unter den Todten 1853. Spitta, Christi Predigt an die Geister, Göttingen 1890. |380| Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1º de uitdrukking nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als Hd. 2 : 27, 31, Ef. 4 : 9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2º dat de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus naar den Hades gegaan zijn, om de vromen des O.T. te bevrijden, in de Schrift niet den minsten steun vindt; 3º dat de Luthersche opvatting, dat Christus zijne macht aan Satan heeft bekendgemaakt, wel, gelijk later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der woorden: nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet zouden behooren tot den staat der vernedering maar tot dien der verhooging, welke eerst met de opstanding begint; 4º dat de nieuwere meening, als zou Christus ter helle gegaan zijn, om het evangelie te prediken aan allen, die het hier op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5º dat 1 Petr. 3 : 19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar tot eene uitbreiding van de evangelieprediking tot alle, of tot andere verlorenen volstrekt geen recht geeft; en 6º dat de woorden nedergedaald ter helle, in overeenstemming ook met wat Rufinus zegt, dat zij eene uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis nog het best te verstaan zijn van den staat des doods, waarin Christus als middelaar drie dagen verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan te verlossen. Zoo is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn dood als de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die geheiligd worden.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004