16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen nog te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk eene plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te merken, dat de idee der plaatsvervangipg ook op zedelijk gebied diep in de menschelijke natuur is gegrond, en onder alle volken in priesterschap en offerande zich belichaamd heeft en ook op allerlei wijze in poezie en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het schijnt volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen, dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31. De christelijke theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius, Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien, dat de idee der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken en Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met de tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd door Schuld und Sühne maar wel door Leidenschaft und Leid is weer te |370| geven. De dood van den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, verkondigt de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het edele en groote in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes, Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., verzoent ons met hen en met hun geslacht; alle menschlichen Gebrechen sühnet reine Menschlichheit (Goethe). En zoo is het ook dikwerf in de historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers, en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke voorbeelden leveren. In het de mortuis nil nisi bene eeren wij allen de verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart en soms stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken, strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. Alle edele goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter; hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden, sumpaqeia; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van zijn zoon. Natuur en menschbeid leeren, dat er stellvertretende Kräfte zijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius, Syst. Theol. X 24. Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II 221v. Bushnell, Vicarious sacrifice 1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de Maistre, Soirées de St. Petersbourg, éclairc. sur les sacrifices.

Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt, |371| om het plaatsvervangend lijden van Christus enigermate toe te lichten. Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid uiteenrukt en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde. Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren. Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze zondige gemeenschap, b. v. Schleiermacher, Chr. GL § 104, 4. Weisse, Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz, Der Begriff des stellvertr. Leidens, Basel 1864 enz. Maar zoo komt de offerande van Christus niet tot haar recht. Wel is menschelijke sympathie voor Christus, en bovenal voor Hem als den heiligen en barmhartigen Hoogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Mt. 8 : 17, 9 : 36, 14 : 14 enz., maar zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak, evenmin als honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking van Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden voor Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als eene straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Mt. 20 : 28, 26 : 28, 27 : 46, en heel de Schrift leert, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5 : 21, Gal. 3 : 13. Een stap verder gaan zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de plaats, die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen; die natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam Christus met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk Adam daarom onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader was van heel het menschelijk geslacht, zoo is Christus plaatsvervanger van de gemeente, die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem is. En evenals wij b.v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art, 1. 2. Suppl. qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale, The atonement, lect. 10. Scott Lidgett, The spiritual principle |372| of the atonement, ch. 7. Sartorius, Lebre v.d. h. Liebe Il 67 f. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze realistisch-mystische opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelve volkomen juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen toch zijn zelven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2 : 20, Ef. 2 : 6, Col. 2 : 11, 3 : 3 enz., cf. Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen verzoener maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der zonde moest wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8 volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het pantheisme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd laat b.v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan alleen is deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer Christus allereerst als Hoofd des verbonds wordt beschouwd en in foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden. Het verbond der genade gaat aan den persoon en de offerande van Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet nadat Christus zijn werk heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg en de middelaar van, Hebr. 7 : 22, 8 : 6, 12 : 24; zijn bloed is bondsbloed en daarom verzoenend, Mt. 26 : 28. Ja meer nog, het verbond der genade is niet eerst opgericht in den tijd, maar het heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in, het pactum salutis, het is in de eerste plaats een verbond der drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig begint het eerst in den tijd niet de werkzaamheid des H. Geestes, dat het veeleer van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand en |373| vastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria van Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije, almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet zeggen, dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam, boven bl. 129v. identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid eene eigenaardige plaats in; zij alleen zijn hoofden van heel het menschelijk geslacht; hun invloed en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus is plaatsvervanger der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid. Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel was; Christus is hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een mensch, schoon zonder zonde, aardsch uit de aarde; Christus was het vleeschgeworden Woord, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, de Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond het verbond der werken, en het evangelie de wet te boven gaat, zoo hoog staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio vicaria is zelfs niet naar het verbond der werken met zijne wet te begrijpen; zij is wel niet contra legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat alle onze gedachten zeer verre te boven. Zij is tot geen algemeenen regel terug te brengen noch door eene algemeene wet te verklaren, want zij is geen verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit, geheel tenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard en zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods. En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar draagt een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft baar grondslag in den raad van God drieëenig, in het leven der hoogste, der volmaakte en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond der verlossing. Naar de ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats der zijnen in en wisselt Hij hunne zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn leven in. HW tjv glukeiav ‡ntallagjv, ÷ tjv ‡nexicniastou djmiourgiav, |374| ÷ twn ‡prosdokjtwn eÇergesiwn, ³na ‡nomia men pollwn n dikaiû ›ni krubÛ, dikaiosunj de ›nov pollouv ‡nomouv dikaiwsÛ, Ep. ad Diogn. 9. Cf. A.A. Hodge, The atonement 198 etc. Hugh Martin, The atonement p. 9 etc.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004