15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer wichtige bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den ander overnemen en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan den persoon. Zij kunnen uit den aard der zaak niet door een ander worden overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet onschuldig en den onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den aard der zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch nooit het schrikkelijkste in de zonde, d.i. de zelfbeschuldiging, het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf der zonde maar eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met de werkelijkheid, want Christus heeft niet den toorn Gods gedragen maar steeds in zijne liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de gansche straf der zonde gedragen, want Hij stierf noch den geestelijken noch den eeuwigen dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor één enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde zijner offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet lijden kon, boven 324. Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat daarom vooraf uit den weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelven, het voorwerp van Gods toorn is geweest; hij is nooit in eigen persoon een zondaar geweest. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal onderscheid tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in Christus, boven 275v. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf maar ook de smet en onreinheid der zonde was overgedragen; de verwisseling tusschen Christus en de uitverkorenen was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen, zijn geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het vleesch, van den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery, 2e dr. 1738 bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 704. |366| Witsius, Misc. S. II 758-780. En in lateren tijd zijn deze gevoelens soms vernieuwd door de Methodisten, Schneckenburger, Vorles. über die kleineren protest. Parteien 146, door de Irvingianen, Herzog2 7, 154, door sommige volgelingen van Kohlbrugge, Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum 1874. Böhl, Von der Incarnation des gottl. Wortes 1884 Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords Amst. 1887, Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden, boven 296, en de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh. 1 : 14, Rom. 8 : 3 , Hebr. 2 : 14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet dat Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen zooals Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3 : 13, hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5 : 21, Gal. 3 : 13, cf. Jes. 53 : 12. Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet, en haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging, belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen; de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen te dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus en de zijnen, is niet in pantheistisch physischen of mystischen zin te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats brengt het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mede, dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet. Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie toch anders opgevat dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch of een engel voor onze zouden had kunnen voldoen, indien God het goedgevonden had, |367| want tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto Deus acceptat illud et non plus, Sent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf. dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde en dat meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem persolutum est, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episc., Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover noemde Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2 de passio Christi niet alleen sufficiens sed superabundans satisfactio pro peccatis humani generis, cf. Cat. Rom. I 5 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars III tom. 2 p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag behandeldi of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw. der Lehre v.d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing zoowel bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke, quantitatieve berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus als de superabundantie van Thomas verwierp, Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde met wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient hield, zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, dat het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menseben had willen behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook inderdaad geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen noch ook daarin afzonderlijk voor de zonden |368| van elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus, adv. haer. II 22, 4 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet precies hetzelfde, idem, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5. qu. 48 art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. Moor IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239. Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2,29. Sartorius, Lehre v.d. h. Liebe II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586. Zelfs ligt er in de acceptilatie eenige waarheid, want het strikte recht Gods vorderde, dat ieder mensch persoonlijk voor zichzelven voldeed; en het is zijne genade geweest, die Christus gaf tot een middelaar des verbonds en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten toerekende. Met eene quantitatieve berekening komen wij dus bij de satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare grootheden, met welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De zonde is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel, eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich richt tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid. Cat. 37. Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij door zijne schepselen als God wordt miskend of onteerd. Daarom bestaat de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die verhouding tot God, tot zijn toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan staan, in welke het menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor die menschheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt, een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval maar voor één mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij de straf der zonde toch slechts één maal heeft gedragen, dan gaat deze redeneering van dezelfde quantitatieve berekening uit als de acceptilatie van Duns Scotus en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde die door Adam in de wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn Gods door ieder |369| schuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare toorn Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk geslacht ontbrand is, de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods, die door de zonde gekrenkt is, de ééne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En daarom is de straf van Christus ook ééne, maar eene, die intensief en qualitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk geslacht, den toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht verzoent, de gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt en God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid, van liefde en genade weer in het menschelijk geslachttoterkenning brengt. Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet maar een individu naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menschelijk geslacht, de Zoon des menschen en de Zone Gods tevens.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004