14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus, welke in de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven dan door haar op te vatten als satisfactio vicaria. De bestrijders dezer leer stellen het echter menigmaal zoo voor, dat men bij het werk, evenals bij den persoon van Christus onderscheiden moet tusschen de zuivere feiten, en de theorieën, die daarover ter verklaring opgesteld zijn. Eerst wordt deze onderscheiding gemaakt met het oog op de kerkelijke leer der satisfactio vicaria maar weldra daarna ook met het oog op het onderwijs van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan het |360| naakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten. Zoo staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring saam; Christus is priester maar, ook profeet; Hij heeft zijn eigen persoon en werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord zijn dood geinterpreteerd, en de christelijke theologie is daaraan gebonden. Er zijn dus niet vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele, de mystische, de privaat- en de publiekrechterlijke, welke door de theologie bij wijze van hypothesen ter verklaring der feiten en verschijnselen opgesteld worden en als verschillende pogingen ter oplossing alle evenveel recht van bestaan hebben. Maar de vraag is, wat in al deze meeningen en leeringen met de Schrift overeenkomt, en daarin gegrond is. Zoo de vraag gesteld, is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio vicaria door de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen, neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van Ritschl moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, hare onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer betwijfeld, cf. Kreibig, Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr. Bew. 1878. Frank, Die Theol. Ritschls 1891. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie, Jahrb. f. pr. Theol. 1889. Id. Entw..der prot. Theol. 228 f. Orr, The Ritschlian theology, London 1897. Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar altijd weer de kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug, Wegscheider, Instit. theol. § 136. Pfleiderer, Der Paulinismus2 136 f. Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz.

De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus eene vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn eisch, boven bl. 310. Als profeet, priester en koning, in zijne geboorte en dood, in zijn leven en lijden, in zijn woorden en wonderen, in zijn spreken en handelen, altijd volbrengt Hij Gods wil; Hij is gekomen, om dien wil te doen; de wet Gods was in het binnenste zijns ingewands; zijn gansche leven is ééne volmaakte offerande, Gode tot eene welriekende reuk. Die wil Gods is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne offerande. Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele zijde onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan den gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomen |361| onderhouden en ook hare overtreding door straf herstellen zou, boven bl. 220. Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, n.l. de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identisch; rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelsche zaligheid. Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch nog in den weg der werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de misdadiger, die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt, vervult het recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid en dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid verwerven moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen en plaatste ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, dien Adam te bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet alleen de vergeving der zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook, terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori, deel II 557; die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het eeuwige leven, Joh. 3 : 16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk naast elkander genoemd, Dan. 9 : 24, Joh. 3 : 36, Hd. 26 : 18, Rom. 5 : 17, 18, Gal. 4 : 5, Op. 1 : 5, 6. En zoo is het ook met de actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te brengen. Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld der zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed, te zeggen, dat de vergeving der zonden alleen door zijne passieve, en het eeuwige leven alleen door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven. Want zijn lijden was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging der wet; en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden was |362| daad. Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk, zoo waardevol in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen door voldaan, alle eisch der wet er ten volle door vervuld en de gansche, eeuwige zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische van Christus’ gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat Hij eene wraakzuchtige Godheid door bloed bevredigd, haar haat en nijd door eene quantiteit van lijden gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat hij van het begin tot het einde van zijn leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen en liefde rijken wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en alle krachten, Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet alleen het leven maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Wat God vereenigd hoeft, zal de mensch niet scheiden. Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13, 11 sq. Mastricht, Theol. V 18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 326. 341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 279 f. III2 61.

De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene satisfactio; zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee der plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van den offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat Hem weder gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen wij de idee der plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van den Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar zijnen zoon, maar een ram ten brandoffer offert in zijns zoons plaats, Gen. 22 : 12, 13. In den Oudtest. cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden van den offeraar op het offerdier over, Lev. 16 : 21; de verzoening zelve komt niet in één maar in drie acten tot stand, n.l. slachting, bloedsprenging en verbranding; schoon met de zonden van den offeraar beladen en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet eenvoudig gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig, zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer, maar daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het wel |363| met de zonden des offeraars beladen en daarom gedoode, maar toch in zichzelf volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht en gewijd wordt. Zoo doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van den offeraar; het maakt dat heel het dier in de verbranding Gode is tot eene aangename reuk; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst, het dier heeft van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en alzoo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht des Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden. De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukking lutron hier in aanmerking, Mt. 20 : 28, Mk, 10 : 45, 1 Tim. 2 : 6; het is naar zijne af komst van luein, losmaken, het middel om iemand los te maken, uit de gevangenis te bevrijden, en vandaar dikwerf losgeld. In de LXX is het de vertaling van hl'g, Lev. 25 : 51, 53 of ywdp, Num. 3 : 46 of rpk, Ex. 21 : 30, 30 : 12, Num. 35 : 31, 32, Spr. 6 : 35, 13 : 8, dat echter elders vertaald wordt door xilasma, 1 Sam. 12 : 3, Ps. 49 : 8 of ‡llagma, Am. 5 : 12, Jes. 43 : 3, of dwron, Jos. 36 : 18. Nu is het waar, dat in het woord lutron het plaatsvervangende en aequivalente nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10 : 45 zoo te verstaan, dat Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den dood als lot aller schepselen, maar voor de volle vernietiging en de doelloosheid van het leven en dus bevrijd worden van de vreeze des doods. Want het woord lutron moge op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand, dat iemand, |364| die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43 : 3, Spr. 21 : 18 wisselt het daarom met txt, in de plaats van. En dan vooral, de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eene timj, een dure prijs, 1 Cor. 6 : 20, 7 : 23, 1 Petr. 1 : 18. 19; er wordt bepaald gezegd, dat een mensch geen ‡ntallagma, losprijs, vergoeding, aequiivalent kan geven voor zijne ziel, Mt. 16 : 26, Mk. 8 : 37, cf. Ps. 49 : 8; en het woord lutron wordt in het N.T. nog versterkt door de praepositie ‡nti, Jezus geeft zijn leven tot een losprijs, in de plaats van velen, die het wel moesten maar niet konden doen, cf. Cremer s.v. Maar behalve de uitdrukking lutron komt hier in de tweede plaats heel de N.T. leer van de offerande van Christus ter sprake. De praeposities, die het verband van die offerande tot ons, en onze zonden aanduiden, Ãper, peri, dia, boven bl. 312, beteekenen op zichzelve niet: in de plaats van, maar ten behoeve van, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen tusschen Christus’ offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat de mystische, moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift in het geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in Hem gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat de zin der Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting van Christus’ lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf worde erkend, dat Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit, menschwording, Godmensch enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon persoonlijk zonder eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich genomen en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria voor ons de verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven, de gansche zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet anders te denken, dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze straf gedragen heeft. Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b. 80 enz. Holtzmann, Neut. Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de praep. Ãper, Holwerda, Jaarb. v. wet. Theol. 1862 bl. 521v. |365|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004