13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van de voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme de kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden onderworpen, trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog te handhaven, door ze in mystischen of ethischen zin om te werken, boven bl. 327v. De voorstelling is dan in hoofdzaak deze, dat Christus’ lijden en sterven niet noodig was, om aan Gods gerechtigheid te voldoen noch door God als een offer voor onze zonden geëischt werd, maar dat het de consequentie was van zijn leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het bewijs dat Hij in zijn religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in den dood toe, het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven te midden van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die het lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken en als Etwas Sachliches op zichzelf stellen, bezit deze voorstelling een onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige, Op. 1 : 5, Hij heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd, 1 Tim. 6 : 13, zijn lijden en sterven is geen lot maar eene daad, Hij heeft macht, om het leven af te leggen, gelijk om het aan te nemen, Joh. 10 : 18. Maar toch wordt zij zelve door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1º Reeds dit is van beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij Jezus alleen van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin ligt reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende, dan heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe ontwikkeld, staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleen |354| in religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en moeten wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren. Is Christus daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester en koning, dan is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te doen, staat Hij met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods aangezicht te vertegenwoordigen, om ons te regeeren naar zijnen wil, Martin, The atonement 105. 2º Gevolg van deze opvatting is, dat het lijden en sterven van Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher leidde het daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige gemeenschap; hij liet het bestaan in Mitgefühl mit menschlicher Schuld und Strafwürdigkeit en zag in zijn dood gevolg van zijn Eifer für seinen Beruf, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo, dat het de trouw aan zijn beroep is, welke Christus tot eene offerande qualificeert; zijn dood was geen offerande maar een onbedoeld gevolg van het conflict tusschen Hem, den heilige, en de zondige menschheid, das Accidens seiner positiven Treue im Berufe. Rechtf. u. Vers. III2 525, cf. 415 f. 441 f. II 334 f., Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl, Die Heilsbedeutung des Todes Christi 190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood van Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden en door God toegelaten, en vatten het dei in Mt. 16 : 21, Mk. 8 : 31, Luk. 9 : 22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. christ. ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron. Godg. 181. Eene theorie nu, die het lijden en sterven van Christus voor toevallig verklaart, is daarmede reeds ten volle geoordeeld. 3º De Schrift toch zegt duidelijk, dat Jezus’ lijden en sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel tracht men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea Philippi, Mt. 16 : 20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich langzamerhand tegen zijn persoon ontwikkelde, b.v. Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295. Maar Kähler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden afaan bezat; de naam Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk. 4 : 21 ; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijne |355| discipelen zou weggenomen worden, Mk. 2 : 20; de vergelijking van zichzelven met Jona, Mt. 12 : 40 en bij de slang in de woestijn, Joh. 3 : 14; de prediking van het koninkrijk der hemelen in geestelijken zin, van de zelfverloochening en het kruisdragen, van den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5, 10, 11 : 16v., 12 : 25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn de dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo had Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung I 1891 S. 395 f. Kähler, Zur Lehre v.d. Versöhuung 1898 S. 159 f. De dag van Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering, dat Jezus openlijk aan zijne discipelen verkondigde, dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd zou worden en ten derden dage zou opstaan, Mt. 16 : 21, Mk. 8 : 31, Luk. 9 : 22. En Hij zegt erbij, dat dit alzoo moet zijn, niet omdat Hij zedelijk verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep kon blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het alzoo in Gods raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 26 : 54, Luk, 20 : 22, 24 : 26, 44, 46, Joh. 3 : 14, 7 : 30, 8 : 20, 10 : 18, 11 : 9, 12 : 23, 17 : 1, 20 : 9, Hd. 2 : 23, 4 : 28, 1 Cor. 15 : 3, cf. Scholten, L.H.K. II 45. 4º De beide teksten Mt. 26 : 39 en Hebr. 5 : 7 zijn hiermede geenszins in strijd. Volgens Hebr. 5 : 7 bad Hij niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed, niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is; maar Christus bad, dat Hij in den dood niet mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt en verheerlijkt mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods wil te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10 : 5-10. Dit werpt lich op Mt. 26 : 39-42: Jezus bidt daar niet naar zijn wil, welken Hij juist aan die des Vaders onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke der menschelijke natuur is ingeschapen om eigen verderft te ontvlieden, Kantt. St. Vert.; Hij ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist, dat God Hem sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge. 5º Het lijden en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk eene plaats in, dat het niet als het accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat. Aan de beschrijving daarvan is het |356| grootste gedeelte der evangeliën gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap maar als een gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters. Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, Mt. 26 : 37, 38, Mk. 14 : 33, Luk. 22 : 44, Joh. 12 : 27, Si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de Jésus sont d’un Dieu (Rousseau). In de prediking der apostelen is het kruis van Christus het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden. Veelmeer dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk; en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden; om der zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij voor de zijnen de gerechtigheid en het leven verworven. Al mag dat lijden en sterven niet losgemaakt worden van den persoon, het is toch bepaald door God als zoodanig gewild, door den Zoon volbracht; het vormt in het leven van Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de eerste plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de zaligheid verworven. 6º Wel wordt daartegen ingebracht, dat God niet propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond der genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e.a. en thans b.v. Scholten, L.H.K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter Christum, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1897, S. 352-384. De Lutherschen schiepen er zelfs behagen in om de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij krachtens hun praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de Gereformeerden zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentumen causa electionis was, deel II 380; de verkorenen waren al voorwerp van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was aangewezen en waren verkoren niet om maar in en tot Christus, Gerhard, Loc. XVI de justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 S. 45 f. Id. Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389. Maar deze beschuldiging is onwaar. Christus is zeer zeker bewijs en openbaring van de liefde |357| des Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot zaligheid aan zijne verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet eerst door Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin be:staat juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren wil schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon, en het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne gerechtigheid. Gods genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste, quia mero beneplacito mediatorem statuit, qui nobis salutem acquireret, Calv. Inst. II 17, 1. Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat, ib. 16, 3. Jam nos diligenti reconciliati sumus, ib. 4. En deze beide, Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom samengaan, wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo is het dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43 : 23-25, Ezech. 36 : 21, Ef. 1 : 17, 1 Joh. 2 : 12, maar dit is zoo weinig daarmede in strijd, dat God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande (amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in den tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelve zijn door Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij is geworden uit eene vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons van den vloek der wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is Christus de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20 : 28, 27 : 28, Joh. 1 : 18, 15 : 13, Rom. 5 : 12v., 1 Cor. 15 : 21, 22, 2 Cor. 5 : 19-21, Gal. 3 : 13, 4 : 4, 1 Joh. 4 : 9. Zoo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’ wil, schriftuurlijk en door |358| de gansche Christenheid geleerd, ook door de Gereformeerden, Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15 : 13, Rom. 5 : 10, 2 Cor. 5 : 19, 1 Joh. 4 : 19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf. Scholten, L.H.K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid. Cat. qu. 37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II 170v. Mastricht, Theol., V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol. IV 40 X 30. Turretinus, de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 265 f. Eindelijk 7º, de mystische en de moreele theorie raken op alle punten met de Schrift en met de christelijke religie in strijd. De eerstgenoemde acht het wezen der religie gelegen in de mystische eenheid van God en mensch. Deze is door de zonde verstoord maar door Christus hersteld en wel niet zoozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis. Hoe die mystische eenheid van God en mensch nu door Christus hersteld is, is op dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide, dat die eenheid objectief bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken is. Schleiermacher stelt het zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf zoo uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en zijn, zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De moreele theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eischt maar in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijne leer, leven en sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementeele theorie van Grotius ziet in God den Rector mundi, die persoonlijk wel zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang der wereldorde de zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods, van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt dan in figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis en geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften geen plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan in een martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, de |359| christelijke religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school. Gerechtigheid is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op hare plaats. Zonde is geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mensch is niet zoo boos, of hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten goede veranderd worden, cf. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A.A. Hodge, The atonement, ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelven verandert. De geloovigen onder het O.T. hadden het voorbeeld van Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op eene andere wijze zalig geworden dan wij, en Christus is niet de eenige naam, onder den hemel den menschen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tusschen den dood van Christus en de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven. Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer, dat Christus door zijn beeld een diepen indruk maakt op het verstand of op den wil of ook op het gevoel van den mensch, en zoo hem bevrijdt van de meening, dat God om zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht, die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem neerdrukt. Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het bloed des kruises!







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004