12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, Mt. 3 : 15, 20 : 28, 26 : 42, Joh. 4 : 34, 5 : 30, 6 : 38, Rom. 5 : 19, Gal. 4 : 4, Phil. 2 : 7, 8, Hebr. 5 : 8, 10 : 5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus is dikwerf van de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak, losgemaakt en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd; ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de christelijke deugden bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit zijn lijden; Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese und Mönchthum, I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven, dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus niet eenstemmig en ondubbelzirnig uit. Trente maakt wel melding van de sanctissima passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. 12, de Christo V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v.d. Prot. kerken. vert. door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341. Ook onder de Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz., opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor, die aan zijne actieve gehoorzaamheid |350| te kort doen. Zelfs Parsimonius en Piscator loochenden haar, wijl Christus reeds voor zichzelf tot deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel een necessarium requisitum personale was, ons ten goede, nostro bono, maar geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven, verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven. De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon van Christus naar beide naturen Heer der wet was en dus ook niet als mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was, Gerhard, XVI 57. 59. Quenstedt III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers I2 274. Maar de Gereformeerden konden alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven al en den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding tusschen eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4 : 34, 17 : 4, 19 : 30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een losprijs voor velen, Mt. 20 : 28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal. 4 : 4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8 : 3, heeft niet geleefd ten gevalle van zichzelven, oÇc ›autû ×resen, Rom. 15 : 3, heeft bij zijne menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden tot den dood toe, mecri qanatou, Phil. 2 : 7, 8, 2 Cor. 8 : 9 en zoo is het één dikaiwma en ééne Ãpakoj, die aan velen de dikaiwsiv zwjv schenkt, Rom. 5 :18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd, om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of zelfs zooals Jac. Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480, tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het |351| beroep op plaatsen als Zach. 3 : 9, Joh. 19 : 30, Rom. 6 : 10, Hebr. 7 : 27, 1 Petr. 3 : 18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout, geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid, cf. Moor III 985 sq. Mastricht V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec., foed. II 6. Misc. S. II 77 1. Maresius, Syst. Theol.. IX 46. Ex. v.h. Ontw. v. Tol. X 467-471. Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus, Sent. III dist. 18, 2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel. art. 22, cf. Acta Syn. Dordr. sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst. 191. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 287. Ten tweede is het zeker waar, dat Christus als mensch voor zichzelf der wet onderworpen was; alleen maar, zijne menschwording en zijn mensch-zijn is niet voor Hem zelven maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit beschouwd als een persona privata, een individu naast en op gelijke lijn met anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor zichzelven zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, wier representant hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid en gehoorzaamheid de vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was Christus als mensch aan de wet Gods onderworpen als regel des levens; zelfs de geloovigen worden nooit van de wet in dien zin ontslagen. Maar Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet werd hem in het werkverbond nog onder eene andere forma voorgehouden, n.l. als weg tot het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door zijne vereeniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven. Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zich |352| en de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk Anselmus zeide, maar heel zijn leven was eene zelfverloochening, ééne zelfofferande, door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen gebracht. Ten derde, dat de geloovigen nog altijd tot onderhouding der wet als regel des levens verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want de geloovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg der zonden te dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld, zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zoo zou Christus hen van niets, noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben bevrijd. Jac. Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de zijnen alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, den lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk der verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen, eene verlossing van den ganschen mensch naar ziel en lichaam, van alle zonden en gevolgen der zonde. En deze is volbracht in en door Christus’ leven en sterven. Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in een onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks wederkomen zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt de verlossing, door Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeeling worden de geloovigen geestelijk bevrijd van elke schuld en macht der zonde en hare gevolgen, van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving der zonden en het eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven; en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze voltooid zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van Christus’ werk alleen in de verlossing van den eeuwigen, dood te zien, even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke, ethische heerschappij van den Christen over zonde en wereld in het Diesseits, te beperken. De gansche persoon van Christus, beide met zijne actieve en passieve |353| gehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche verlossing. Cf. over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16, 5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5 : 19, Gal. 4 : 4. Gomarus, Theses theol. disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35. Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius, Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus, de foedere V 93. Quenstedt, Theol. III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755. Baur, Versöhnung 478v. Philippi, Der thätige Gehorsam Christi, 1841. Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., Neue kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers I2 271 f. A.A. Hodge, The atonement 248-264 enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004