9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche werk een openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten eene scherpe tegenstelling tusschen den God des toorns, der wrake, der gerechtigheid, die zich in het O.T. openbaarde en den God der liefde en der genade, die in het N.T. in Christus zich had bekend gemaakt, deel II 200. Maar zulk eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh Elohim in het O.T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig, gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20 : 5, 6, 34 : 6, 7, Deut. 4 : 31, Ps. 86 : 15 enz. In het N.T. is God, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk. 6 : 36, 2 Cor. 1 : 3, 1 Petr. 5 : 10; er is geen tegenstelling tusschen den Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en gaarne vergevende als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus spreekt, zijne werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker, swtjr, Luk. 1 : 47, 1 Tim. 1 : 1, Tit. 3 : 4, 5, degene, die in Christus de wereld met zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend heeft, 2 Cor. 5 : 18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des Vaders gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus is eene gave van Gods liefde, Joh. 3 : 16 Rom. 5 : 8, 8 : 32, 1 Joh. 4 : 9, 10. Wel zegt Paulus in Rom. 3 : 25, 26, dat God Christus Jezus tot eene verzoening door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteld e¸v ndeixin tjv dikaiosunjv aÇtou; en hierbij is zonder twijfel aan de gerechtigheid als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen te komen en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig, dat God Christus in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des tijds, tot eene verzoening door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. Maar ook hier is de gerechtigheid Gods niet als in strijd met zijne genade en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet daarin, dat zij |340| de zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat zij in Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods n.l. bestaat in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In dezen laatsten zin wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant; maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let op de anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft en, den toestand, waarin hij verkeert, deel II 194v. Ook hier bij Paulus is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid, trouw, waarheid identisch, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld. Immers is zij juist die deugd Gods, welke Christus gaf tot eene verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade. Van een strijd van Gods gerechtigheid en liefde, gelijk het evangelisch gezang 125 : 5, dien voorstelt, is er dus geen sprake. In onzen zondigen toestand kan ons dit wel zoo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en in volle harmonie. Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen, alsof Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de menschen door allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift, ook in het O. Test., een gansch ander karakter, het onderstelt het verbond der genade. Ook kwame er dan eene gnostische tegenstelling tusschen Vader en Zoon, die den Zoon als den God der genade verre boven den Vader als den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test., schepping en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou. Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene betooning van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde, gelijk wij ons die menigmaal denken en die van de liefde Gods in de Schrift ten eenenmale verschilt. In dat geval toch bleve niet alleen het lijden en sterven van Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde voorstelt, geheel |341| onverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook rechtstreeks weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons veeleer, dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot luisterrijke openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop, maar zij wordt door alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve in den weg van recht en gerechtigheid, Jes. 1 : 27, 5 : 16. Hinter dem Zorne ist als letztes Agens die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne (Delitzsch). Cf. over Rom. 3 : 25, 26, behalve de commentaren van Philippi, Tholuck, Meyer enz., Pfleiderer, Der Paulinismus2 143 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 100. Fricke, Der Paulin. Grundbegriff der dik. qeou, erörtert auf Grund von Röm. 3 : 21-26, Leipzig 1888.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004