8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar, omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is, Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 520 f. III2 386 f. Frank, Chr. Wahrh. II2 158. 202. Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan ook toegestemd, dat geen enkele werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne woorden zijn eene verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1 : 22, 4 : 41, Luk. 4 : 32 enz.; zelf noemt Hij zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven, Joh. 18 : 37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2 : 11, 10 : 37 enz., maar ook openbaring van |337| zijne priesterlijke barmhartigheid, Mt. 8 : 17 en van zijne koninklijke macht, Mt. 9 : 6, 8, 21 : 23. In zijne voorbede komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en koninklijk ambt uit, Joh. 17 : 2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en voorbeeld, 1 Tim. 6 : 13, 1 Petr. 2 : 21, Op. 1 : 5, maar ook eene offerande, Ef. 5 : 2 en een betoon zijner macht, Joh. 10 : 18. De dogmatiek is daarom ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd gewoonlijk behandeld het voorspellen en wonderen doen, onder het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor het koninklijk ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer over dan de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem, de aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten; geisoleerde feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet zich wel voort in het leeren zijner gemeente door Woord en Geest, maar ook als koning regeert en beschermt Hij zijne kerk door deze beide; en zijne hoogepriesterlijke voorbede is geen smeeking maar een koninklijk willen, Joh. 17 : 24. Het is dan ook eene atomistische beschouwing, die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet, priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die drieerlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt meer in de dagen des O.T. en in zijne omwandeling op aarde, zijn priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer in zijn staat van verhooging op den voorgrond; maar werkelijk draagt Hij alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd uit, zoowel vóór als na zijne menschwording, beide in den staat der vernedering en dien der verhooging. Daarom is echter het spreken van drie ambten bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak, die zonder |338| bezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet tot een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie ambten aangesteld en door den Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mensch bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde, die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis, maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid en voorts nog ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid Gods te kennen en te openbaren; priester, om zich Gode te wijden en in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden; discere, acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing; waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene zaligheid noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk ambt. Maar de Schrift ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk, onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning. Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn Woord en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid. Witsius Exerc. 10 in Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leyäecker, de verit. relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. |339| Philippi, Kirchl. GI. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004