7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin, dat Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was, trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zoowel tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam Jezus, vwHwhy en vHwh 3 p. imp. hi. naast vyHwhy, Ps. 116 : 6 a. v. vHy, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen, later verkort tot vwHy, HIjsouv, Jhesus, Jezus, werd wel op uitdrukkelijk bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt. 1 : 21, omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4 : 12, Hebr. 7 : 25, maar was toch onder Jsrael een gewone naam, Num. 13 : 16, 1 S. 6 : 14, 18, 2 K. 15 : 30, 23 : 8, Hos. 1 : 1, Hagg. 1 : 1, Zach. 3 : 1, Ezr. 2 : 2, 6, Neh. 7 : 7, 11, 39, 10 : 24 enz., Hd. 7 : 45, Hebr. 4: 1, Col. 4 : 11. In den naam Christus daarentegen komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen zich naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan, die niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar zij hebben dan ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat zij te minder Christenen worden naarmate zij meer Jezuïten zijn. Maar de geloovigen noemen zich naar den naam Christus, want zij zijn met Hem gezalfd tot profeten, priesters en koningen. Van de andere namen, die zijn ambt en werk aanduiden, komt vooral in aanmerking die van mesitjv, 1 Tim. 2 : 5, Hebr. 8 : 6, 9 : 15, 12 : 24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat Hij in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en mensch met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der Hervorming ontstond over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk geschil. Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid Gods in Christus voor de materia onzer rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogl. te Königsberg, |333| de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog2 14, 590. Hij kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de civ. XI 2, Conf. X 43, Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2, die allen zeiden, dat Christus alleen mediator was, in quantum homo, nam in quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est; en deze theologen werden door Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers: plus valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones, trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini; qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia verae thoologiae. Lutherschen en Gereformeerden kwamen daar ten sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide naturen, dat Hij als zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij het ambt van middelaar ook reeds in de dagen des O.T. had vervuld, Die symb. Bücher der ev. luth. K. ed. Müller 622. 684. Gerhard, Loc. IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven, C.R. XXXVII 337-358, de dienaren der kerk van Zurich in twee brieven, Herzog2 14, 592. Polanus, Synt. theol. p. 430. Turretinus, Th. El. XIV qu. 2. De Roomschen hielden staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus. om middelaar te zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, offeren, lijden, sterven volbracht in zijne menschelijke natuur, dat deze dus alleen was het principium quo, principium formale van de middelaarswerken, Bellarminus, de Christo V c. 1-8 Petavius, de incarn. XII c. 1-4. Doch deze scheiding tusschen den persoon en het werk des middelaars is niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige, dat zij door den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil niet zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht, ib XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christus per sese et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en gelijk met den Vader en den Geest, is de Zoon middelaar, maar |334| wel naar die Goddelijke natuur katH o¸konomian, quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione gratiae se submiserit, Polanus p. 430. De Schrift noemt dan ook meermalen Christus naar zijne Goddelijke natuur subject der vernedering, Joh. 1 : 14, 2 Cor. 8 : 9, Phil. 2 : 6; de kerkvaders laten meermalen in denzelfden geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig, ab humana natura divulsa, maar alleen als menschgeworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en ten slotte moesten de Roomsche theologen dit zelven weer tegen Stancarus verdedigen.

Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien Christus n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur in den zin van Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment zijner ontvangenis en is het O. Test. dus feitelijk van een middelaar verstoken geweest, Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het ook, dat de Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds, toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz. van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd zijn. Want daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts in de idee en het besluit Gods bestonden, maar de Zoon was in den beginne bij God en zelf God. Zijne verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij draagt het karakter van een pactum salutis; het verlossingswerk is een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond na den val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen en de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen is geweest, is de Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na den val als middelaar opgetreden. Reeds onder het O.T. was Hij als profeet, priester en koning werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in de volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch geopenbaard, 1 Joh. 1 : 2, 3 : 5, 8. Hieruit is te verklaren, dat |335| het koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als zoodanig wordt Hij in het O.T. vooral geteekend en voorspeld en met dien titel treedt Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid. De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat in dienst van de waarheid en de gerechtigheid. Omdat het koningschap van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen bezwaar om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van koning bij Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten L.H.K. I4 369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk der liefde en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 402. Inderdaad is een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust, en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het juist het woord ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2 : 7, 89 : 19-21, 110 : 1-4, 132 : 17, Jes. 42 : 1, Hebr. 5 : 4-6; de naam Christus is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid, waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zelven verkoren is. Onder het O.T. werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9 : 8, 15, 1 Sam. 9 : 16, 10 : 1, 16 : 13, 2 Sam. 2 : 4, 5 : 3, 19 : 10, 1 Kon. 1 : 34, 39, 2 Kon. 9 : 1, 11 : 12, 23 : 30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1 : 39, Ps. 89 : 21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps. 20 : 7, 28 : 8, 84 : 10, 89 : 39 enz. De zalving met olie was symbool van de Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10 : 1, 9, 10. |336| En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11 : 2, 42 : 1, 61 : 1, Ps. 2 : 6, 45 : 8, 89 : 21, Luk. 4 : 18, Joh. 3 : 34, Hd. 4 : 27, 10 : 38, Hebr. 1 : 9, bij zijne ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1 : 35 en bij den doop door Johannes, Mt. 3 : 16, Mk. 1 : 10, Luk. 3 : 22, Joh. 1 : 32. En even reëel als zijne zalving, van welke die onder het O.T. slechts schaduw was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat hij een man naar Gods hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht, Deut. 11 :14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet, en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning treedt Christus op; Hij sticht een rijk Gods, dat nu alleen geestelijk en zedelijk bestaat maar bestemd is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook het profetisch en priesterlijk ambt in.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004