6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan pogingen, om de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele daartegen ingebrachte bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen vorm te handhaven. Algemeen werd zij daarbij geleid door het streven, om de juridische leer van de voldoening, waarbij Christus in onze plaats den eisch van Gods gerechtigheid vervulde, om te zetten in die van eene persoonlijke, religieus-ethische werkzaamheid van Christus, waardoor Hij niet in God, die altijd liefde is, maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of in ons hart of in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel schreven echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog slechts eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar. Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid. De persoon en het werk van Christus zijn de historische inkleeding van de idee, dat de wereld als zoon Gods, uit Hem uitgaande en tot Hem terugkeerende, noodzakelijk lijden moeten alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd en de eindigheid onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en stervende God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf terug, Hegel, Werke XII 949-256. Zoo voortredeneerende, zeide von Hartmann, God kan mij niet, maar ik kan God verlossen, nur durch mich kann Gott erlöst werden. Das reale Dasein ist |328| die Incarnation der Gottheit, der Weltprocess die Passionsgeschichte des fleischgewordenen Gottes und zugleich der Weg zur Erlösung des im Fleische Gekreuzigten, Das sittl. Bewustsein2 1886 S. 688. In de moderne theologie, die wel zoover niet gaat maar toch principieel door de philosophie van Hegel en Kant beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking van het kindschap Gods, van de eenheid van God en mensch; verkondiger van Gods vaderliefde en voorbeeld der gemeente, Pfleiderer, Grundriss § 128. 133. Schweizer, Chr. Gl. § 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm. § 802. 815 f. Lipsius, Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann, Die Krisis d. Christ. in der mod. Theol. 1880. Scholten, L.H.K. I 410v. Hoekstra, Godg. Bijdr. 1866 bl. 273 v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het godsd. geloof bl. 201v.

Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher; wel leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed, al sloot hij zich ook bij haar spraakgebruik en bij de leer van de drie ambten aan, maar het was hem er toch om te doen, om aan Christus eene blijvende plaats in het Christendom te verzekeren. De Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand door de mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus n.l. deelde altijd in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap, kreeg deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap, neemt Hij daarna, niet door zijn woord en voorbeeld slechts maar door de mystieke werking die er uitgaat van heel zijn persoon, ons op in zijne gemeenschap, en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de Erlösung, d.i. de wedergeboorte, de heiligmaking gaat evenals bij Rome en het rationalisme aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden vooraf, Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef de grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie, Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe, Theol. Ethik § 541-558. Schoeberlein, art. Versöhnung in Herzog1 en |329| Princip u. Syst. d. Dogm. 182 f. 647 f, Lange, Dogm. II 813-908. Martensen, Dogm. § 156-169, ook Hofmann in zijn Schriftbeweis, die daarom door Philippi, Thomasius, Delitzsch e.a. bestreden werd, cf. Weiszäcker, Um was handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre? Jahrb. f. d. Th. 1858 S, 155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij Ritschl. Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van loon en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort. God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij onveranderlijk de rnenschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in een rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor de zijnen Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene gansch bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om n.l. de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne levenstaak; en heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit gezichtspunt opgevat, als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde, niet als een borgtocht of middelaarschap, als een plaatsvervanging voor ons. In die zedelijke levenstaak ging Jezus op, daaraan wijdde Hij zich geheel, Hij bleef er trouw aan tot in den dood toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil volbracht, zijn doel met de menschheid gerealiseerd, zijne liefde, genade, trouw geopenbaard, en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne levehstaak tot in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd en toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christus |330| geen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig ware gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen losgekocht zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar wel verkregen, dat allen, die evenals Christus Gods wil tot den hunnen maken, in zijne gemeenschap het schuldbewustzijn, het ongeloof, het wantrouwen, de verkeerde gedachte, alsof God toornde en strafte, mogen afleggen en in weerwil van hunne zouden aan Gods liefde en trouw gelooven en in de vergeving der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook zelven positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf. u. Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886 S. 93 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm. § 44-46. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 246 f. Dogm. S. 446 f. Haering, Zu Ritschl’s Versöhnungslehre, Zurich 1888. Id. Zur Versöhnungslehre, Gött. 1893. Nitzsch, Ev. Dogm. 504-513. Ziegler in Gottschieks Zeits. f. Th. u. K. 1895. Riebergall, ib. 1897 S. 461-512. Ecklin, Der Heilswert des Todeä Jesu, Basel 1888. Kühl, Die Heilsbedeutung des Todes Christi, Berlin 1890.

Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische of ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier te lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer en zagen in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door Jezus geleden en door God toegelaten was, vooral in verband met zijne opstanding, eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid en van de zonde der menschen, welke dezen voor hunne boosheid doet schrikken, Jezus’ grootheid leert bewonderen en Gods liefde gelooven, Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181. Chantepie de la Saussaye nam in zijne leer der verzoening. de denkbeelden van Schleiermacher en de Vermittelungstheologie over, cf. mijne Theol. van Ch. d.l. S. 48. In Engeland leerden Thomas Erskine, The unconditional freeness of the gospel 1828 en Dr. John Mc Leod Campbell, The nature of the atonement, 5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was ook onze vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap, de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron aller ellende, op Gods gericht over de zonde |331| het amen uitsprak en als het ware in onze plaats belijdenis daarvan deed, en alzoo als ons Hoofd eene gerechtigheid en leven verwierf, welke niet juridisch ons toegerekend maar wel mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace Bushnell, Vicarious sacrifice grounded in principles of universal obligation, ed. NewYork 1866, trachtte het lijden van Christus geheel te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde draagt. Maurice, Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson e.a. zagen in de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des Vaders het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf. Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S. 460 f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen voor deze mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening vooral in aanmerking: Pressensé, Essai sur le dogme de la Rédemption, Bulletin Théol. 1867. Durand, Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de philos. 1889. Ménégoz, Péché et Rédemption. Bovon, Etude sur l’oeuvre de la Rédemption 1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier bij niemand, maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door Tholuck, Lehre v.d. Sünde u. v.d. Versöhner 1823. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar, Dogm. § 48. Böhl, Dogm. 361 f. Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung, Basel 1874. Koelling, Die satisfactio vicaria, d.i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu, I Gütersloh 1897. Gess, Jabrb, f. d. Theol. 1857 S. 679-52. 1858 S. 713 f. 1859 S. 467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f, Ebrard, Dogm. § 396 f. Id. Die Lehre v.d. stellvertr. Genugtbuung 1857. Frank, Chr. Wahrheit II2 157 f. Kähler, Wiss. v.d. chr. Lehre S. 363 f., Zur Lehre v.d. Versöhnung, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge. The atonement, Philad. 1867. Dale, The atonement, 18 ed. London 1896. Crawford, The doctrine of H. Scr. resp. the atonement, Edinb. London 1871. Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. Hugh Martin, The atonement in its relations to the covenants, the priesthood, the intercession of our Lord, Edinb. Hunter z.j. George Smeaton, The doctrine of the atonement as taught bij Christ Himself, Edinb. Clark |332| Lyttelton, The atonement, in Gore’s Lux mundi 1892 p. 201-229. John Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement as a satisfaction made to God for the sins of the world2, London 1898. Merle d’Aubigné, L’expiation de la croix, 2 ed. Paris 1867. Bois, La nécessité de l’ expiation, Revue théol. de Montauban 1888. Id. Expiation et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 s., enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004