5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon van Goddelijke wijsheid, die.in eene schijnbaar menschelijke gedaante op aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit de banden der materie te bevrijden en hen tot pneumatikoi te maken. Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich voortzettende openbaring, welke thans nog het deel der geloovigen is en de christelijke religie uit den kinderlijken in den mannelijken leeftijd doet overgaan. In de dualistische, pantheistische, apocalyptische en libertinistische secten der Middeleeuwen bleef er evenzoo voor Christus geen andere beteekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van iederen mensch. Al deze gedachten werkten na in de eeuw der Hervorming en leidden tot eene sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn. Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar de Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus de eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke natuur had medegebracht, en deze den zijnen door het geloof instort en alzoo hen rechtvaardigt, Herzog2 11, 125 f. Carlstadt, Frank, Schwencfeld, Weigel e.a. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid eene gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus buiten en voor ons |321| maar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke gemeenschap met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340f. 441 f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn Gods en den dood als reëele, physische machten, welke Christus door zijn dood verwonnen heeft en in wier plaats Hij een nieuw Goddelijk leven in de menschheid uitstort, Joh. Claassen, J. Böhme, sein Leben u. seine theos. Werke III 31-76. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus, maar Christus is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade en het licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die, welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware Christ. Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde ie prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen, M.Vitringa VI 51. Evenzoo vatte J.C. Dippel het lijden en sterven van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan; de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II 924. Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller dingen, de Jehova des O.T., die daarin Gods liefde heeft geopenbaard, dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden en zooveel heeft geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed, zijn dood is daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van Christus’ zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort, Plitt, Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f. Schneckenburger, Vorles. über die Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien 195 f. Swedenborg hield het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing maar was voor Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch, |322| kon Hij de vijandige, zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der hel en ordening des hemels, Swedenborg, Die wahre christl. Religion2 1873 S. 169-205.

Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is, Herzog2 14, 590 f.; en ook de ontkenning der obedientia activa door Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden het eerst uiteenzette in een brief ten jare 1604, opgenomen in de Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses theol. XV 18. 19. Karg nam in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius, Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e.a., en oefende later door Camero, Placaeus, Cappellus enz. een schadelijken invloed op de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen zij Christus nog profeet, priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3 : 13, 31, 6 : 36, 62, 8 : 28, 10 : 28, Cat. Rac. qu. 195), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt, en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat. Rac. qu. 209v, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven, ib. qu. 352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven. Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven, door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding ib. qu. 374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus zelf de macht te schenken, om aan allen, die Hem gehoorzamen, het eeuwige leven te schenken, qu. 384. |323| De dood van Christus had hier dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde geen zelfstandig moment in het werk van Christus maar diende alleen, eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering, want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam, qu. 465. Maar bij de hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun, die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doen kan, is zijn koninklijk; dat Hij dit doen wil, is zijn hoogepriesterlijk ambt, qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet, qu. 483; zijn dood was niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het ware offer brengt Hij nu in den hemel, evenals de O.T. hoogepriester de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413. En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d.i. ons van den dienst en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit moesten de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral Catech. Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c. 15 en de Jesu Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 121-252. Vooreerst is zij naar hun oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk, dat God de zonde uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit; de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen aan, dat Christus ons den weg gewezen heeft, om van den dienst en de straf der zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en heeft ons dit door Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijn |324| niet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode van nature eigen, maar zij zijn effectus ipsius voluntatis en hangen van zijn wil af; of God de zouden straffen of vergeven wil, wordt in het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil bepaald; God kan evengoed en beter dan een mensch de zonden zonder voldoening vergeven; ja zijne gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat ze den onschuldige straft en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich betoonen kan; God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is onmogelijk, omdat wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al ware dit mogelijk, die andere zou dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d.i. den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk voor zichzelf verplicht, maar kan de een nooit voor den ander overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkander in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze dan ook niet volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is ten derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden was eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde, omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons dat baten, daar de mensch had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan God zelven (den Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook schadelijk, wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met zijn eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan Christus dan aan God verplicht en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zooveel wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen! |325|

De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo scherp en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomschen en Lutherschen, dat Christus voor alle menschen voldaan had, maar ook ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde had gesteld, dat Hij den eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geen satisfactio plenaria pro peccatis, geen solutio debitorum, die immers vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken; maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood gehandhaafde, toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God nu door het evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden, opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van hemzelven af, Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III c. 18-23. Ook Hugo de Groot wendde in zijne Defensio fidei catholicae de satisfactione Christi 1611 eene poging aan tot rechtvaardiging van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit den wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit de justitia Dei rectoria, d.i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand. De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel, Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke, |326| Egeling, Weg der zaligheid II 175 enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen, droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of van Hugo Grotius. Hetzelfde was het geval in de New England Theology. De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer, Works I 582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring, droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor, cf. E. Park, The atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey, Emmons etc., New-York 1860. A.A. Hodge, The atonement p. 328. Maar velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening. Ernesti, de officio Christi triplici, Opusc. theol. 1773 p. 413 bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet, priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk ambt de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in zijn de obedientia Christi activa commentatio 1755 alle Sociniaansche bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus maar tegen heel de leer der voldoening. En met hem betoogden Bahrdt, Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider Inst. § 140-142, Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor, Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid maar van zijne liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve voortvloeien en een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in O.T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof, bekeering, zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral, dat vergeving der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan maar daarop volgen moet en daarvan afhankelijk is. De religie werd gebouwd op de moraal; het zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van den mensch. Zoo kon de dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging der waarheid (Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der menschen en een bewijs van Gods Iiefde (Schwarze), of eene factische |327| verklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil (Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden (Steinbart), of eene symbolische voorstelling van de vrijwillige overname door den zedelijken mensch van de straf, die hij in zijn zondigen toestand heeft verdiend, Kant, Religion 84 f., cf. v.d. Willigen, Oordeelk. Overzigt over de versch. wijzen, op welke men zich heeft voorgesteld het verband tusschen den dood van J.C. en de zaligheid der menschen, Godg. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw. 608 f. Baur, Chr. Lehre v. d. Versöhnting 478 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I cap. 7. 8.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004