4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een ander karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’ persoon. Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis der theologie kwamen allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van waarheid bevatten, cf. Bähr, Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den drei ersten Jahrh. 1832. Baur, Die christl. Lehre v.d. Versöhnung in ihrer gesch. Entw. 1838. Dorner, Entw. d. Lehre v.d. Person Christi2 1851. Thomasius, Christi Person u. Werk II3 113 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers., deel I. Art. Versöhnung in Herzog1 van Schoeberlein, in Herzog2 van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken van Hagenbach enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7. Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter trachtte men zich van het werk van Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond verschillende voorstellingen naast elkander voor; van den beginne af werd Christus niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander genoemd; Eusebius spreekt van Christus als monon |315| ‡rciera twn élwn kai monon ƒpasjv tjv ktisewv basilea kai monon profjtwn ‡rciprofjtjn tou patrov, Hist. eccl. I 3, en verwante uitspraken komen ook voor bij Lactantius, Greg. Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss, Das Mittlerwerk nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd, Just. Apol. I 10. Iren.. adv. haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex., Strom. V 12. Orig., de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de incarn. 16. Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfélijkheid deelachtig maken zou, Iren., adv. haer. III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn. 7. Greg. Nyss., Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en dezen alzoo door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had, Orig., op Mt. 20 : 28. Greg. Nyss., Orat. cat. 22-26. Damasc., de fide orthod. III 1. 27 enz. En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9, cf. Clemens Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens Justinus Martyr is Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht is, de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, |316| cf. Semisch, Justin der, Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt Irenaeus, dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef. cf. III 18. 7. V 16, 2, door zijn lijden en dood ons Gode verzoend, III 16, 9, ons in de gunst van God, tegen wien wij gezondigd hadden, hersteld, den Vader voor ons verzoend, onze ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt en de vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17, 1. En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf, komt ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss., Damascenus voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd deze voorstelling overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus zag in de religie eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan Gods wet is onderworpen en voor overtredingen aan God door de poenitentia heeft te voldoen; evenals in de triniteit, zoo bracht Tertullianus in de leer van de boete verschillende termen in zwang, deo offenso satisfacere, deum iratum placare, reconciliare, deum promereri enz., die nog wel niet door hemzelven maar toch reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius e.a. op Christus en zijne offerande werden toegepast, Harnack, D.G. III 15 f., cf. I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van Christus’ offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds ons bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds ons verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner, Augustius Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi, Heidelberg 1899 S. 18. Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie komt ook de juridische of satisfactorische bij hem voor. Christus is mediator, reconciliator, redemptor, salvator, medicus, pastor enz., Hij is sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij is het ware en eenige offer voor de zonden, de civ. X 6. Enchir. 33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze straf over, om daarmede onze schuld te betalen en aan onze straf een einde te maken, c. Faust. Man. XIV 4. Delicta nostra sua delicta fecit, ut justitiam suam nostram justitiam faceret. Zijne maledictio is onze benedictio; Christus de te sibi habebat carnem, de se tibi salutem, de te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias, de se tibi honores, Enarr. in ps. 60.

De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden van |317| Christus aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’ geschrift Cur Deus homo gaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat hij Christus’ dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde. Maar terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en voldoening niet absoluut noodzakelijk was, zocht Anselmus naar een grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de zonde altijd aut poena aut satisfactio volgen moet en dat, indien God de menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Maar omdat Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf maar bovendien ook nog verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde, voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had. Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd meestal ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde, loochende de oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus’ verdienste, ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf genoegzaam was, leerde, dat het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God, cf. deel II 211; maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk en noemde ze conveniens, S. Th. III qu. l art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3. Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden niet eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van zijne genade en liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons door zijn woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde in ons wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods kinderen maakt, en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van Christus’ persoon en werk gelegen is, Herzog2 1, 16. Verschillende elementen in de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooáls heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft, de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt met |318| miskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt tusschen satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en de reden, waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg, dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, als voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtigheid, om daardoor voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere theologie eene blijvende beteekenis heeft verkregen. De verlossing, door Christus aangebracht, is door Anselmus het eerst en het duidelijkst opgevat als eene bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen der zonde, van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst van de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch is dit in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoening niet met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus, S. Theol. III qu. 16; ook verklaart hij de overdracht van Christus’ verdienste op de zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente zijn lichaam is, ib. qu. 8; maar bij brengt het in de beschouwing van Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op als meritum, satisfactio, sacrificium, redemptio, ib. qu. 48 en noemt dan als zijne vruchten de liberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena peccati, reconciliatio, aditus paradisi, ib. qu. 49. De verzoening staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle daardoor tot stand, dat Christus als een forma virtutis et humilitatis ons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en subjectieve zijde der verzoening, vergeving en vernieuwing worden niet genoegzaam uit elkander gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura, Brevil. IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche theologen, Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.3 IV 295 sq. Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht 1888 II 267v., maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het begrip redemptio, of satisfactio (en meritum) |319| of behandelen het ook in het schema der drie ambten, Cat. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael. theol. IV 1839 p. 309.. Liebermann, Instit. theol.8 II 264. Dieringer, Kath. Dogm.4 465. Scheeben, Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV 198 sq. 256 sq. Jansen, Prael. theol. II 708.

De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geen andere leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met band en tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband. Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om aan Gods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de voldoening door den Godmensch noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle schuld en straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne gansche, zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet door ons te leeren en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook als priester en koning, Calvijn eerst in den Catech. Genev., daarna in de editie der Institutie van 1539 en dan van hem allengs door Geref., Luth. en Roomsche theologen overgenomen. De objectieve en de subjectieve zijde der verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden. Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods gerechtigbeid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is daarom de vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smet, dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen, de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de waarachtige koning. Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f. Gerhard, Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460. Hollaz, Ex. 728--764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn, |320| Inst. II 15-17. Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius, Coll. theol. I 228 sq. Voetius, de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El. XIV. Id. De satisfactione Christi 1691. Owen, verschillende tractaten in deel X van zijn Works, Edinburgh Clark 1862. Moor III 842 sq. M. Vitringa V 315 sq. VI 5 sq.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004