3. Volgens het N.T. loopen al deze verschillende getuigenissen van wet en profetie op Christus uit; het gansche O.T. wordt principieel in Hem vervuld; in Hem zijn alle beloften Gods ja en amen, Rom. 15 : 8, 2 Cor. 1 : 20. Hij is de ware Messias, de koning uit Davids huis, Mt. 2 : 2, 21 : 5, 27 : 11, 37, Luk. 1 : 32 enz.; de profeet, die den armen het evangelie verkondigt, Luk. 4 : 17v.; de priester, die in zijn persoon, zijn ambt, zijne aanstelling, zijne offerande, zijn heiligdom de O.T. priesterschap zeer verre overtreft, Hebr.; de knecht des Heeren, die als een doulov, Phil. 2 : 7, 8, kwam om te dienen, Mk. 10 : 45, zich onderwierp aan de wet, Gal. 4: 4, alle gerechtigheid vervulde, Mt. 3 : 15 en gehoorzaam was tot den dood des kruises toe, Rom. 5 : 19, Phil. 2 : 8, Hebr. 5 : 8. Als zoodanig maakt Jezus nu onderscheid tusschen het Godsrijk, gelijk het thans door Hem in geestelijken zin wordt gesticht en gelijk het eens in heerlijkheid zal geopenbaard worden; tusschen zijne eerste en tweede komst, die voor de O.T. profetie nog samenviel; tusschen zijn werk in den staat der vernedering en dat in den staat der verhooging. De Christus moet door lijden in zijne heerlijkheid ingaan, Luk. 24 : 26. Het werk, dat Hij nu in den staat der vernedering volbrengt, wordt in het N.T. veelzijdig beschreven. Het is een rgon, door den Vader Hem opgedragen, Joh. 4 : 34, 5 : 36, 17 : 4; het bestond in het algemeen in het volbrengen van Gods, wil, Mt. 26 : 42, Joh. 4 : 34, 5 : 30, 6 : 38, en omvatte dan nader de verklaring Gods, Joh. 1 : 18, de openbaring en verheerlijking van zijn naam, 17 : 4, 6, 26, de mededeeling van Gods woorden, 17 : 8, 14 enz. Christus is een profeet, machtig in woorden en werken, Luk. 24 : 19; Hij is geen novus legislator, maar bij verklaart de wet, Mt. 5-7, 22 : 40, Luk. 9 : 23, 10 : 28, Joh. 13 : 34, 1 Joh. 2 : 7, 8, verkondigt het evangelie, Mt. 12 : 16-21, Luk. 4 : 17-21, en predikt in beide zichzelven als vervuller der wet en inhoud van het evangelie. Hij is de wet en het evangelie in eigen persoon. Hij is geen profeet slechts door hetgeen Hij spreekt, maar allereerst door hetgeen Hij is. Hij is de Logos, Joh. 1 : 1, |311| vol van genade en waarheid, Joh. 1 : 18, gezalfd met den Geest zonder mate, 3 : 34, de openbaring des Vaders, Joh. 14 : 9, Col. 2 : 9. Bron van zijne prediking is Hijzelf, is niet de inspiratie maar de incarnatie. Gods Geest kwam maar niet over Hem; God sprak niet maar met Hem, zooals met Mozes, van aangezicht tot aangezicht, doch God was in Hem en sprak door Hem, Hebr. 1 : 3. Hij is niet een profeet naast anderen maar de hoogste, de eenige profeet; bron en middelpunt van alle profetie; en alle kennisse Gods, in het O.T. vóór zijne vleeschwording, en ook thans in het N.T. na zijne opstanding en hemelvaart, is uit Hem, 1 Petr. 1 : 11, 3 : 19, Mt. 11 : 27. Vervolgens omvatte de wil Gods, dien Jezus kwam volbrengen, ook de wonderen, die Hij deed; het ééne werk valt in vele rga uiteen, Joh. 5 : 36, die werken zijns Vaders zijn, 5 : 20, 9 : 3, 10 : 32, 37, 14 : 10, bewijzen, dat de Vader Hem liefheeft en in Hem is, 5 : 20, 10 : 38, 14 : 10, getuigen, dat de Vader Hem gezonden heeft, 5 : 36, 10 : 25, en zijne Goddelijke heerlijkheid openbaren, 2 : 11, 11 : 4, 40. Ja, Hij doet niet alleen wonderen, maar Hij is zelf in zijn persoon het absolute wonder; als de menschgeworden, van den H. Geest ontvangen, opgestane en verheerlijkte Zone Gods is Hij zelf het grootste wonder, middelpunt van alle wonderen, auteur van de herschepping aller dingen, eerstgeborene uit de dooden, in allen de Eerste, Col. 1 : 18. Voorts omvat de wil Gods vooral, dat de eengeborene Zoon des Vaders het leven aflegge voor de zijnen, Joh. 10 : 18. Het N. Test. ziet in Christus eene offerande, en de vervulling van den O.T. offercultus. Hij is het ware bondsoffer; evenals het oude verbond word bevestigd door het bondsoffer, Ex. 24 : 3-11, zoo is het bloed van Christus het bloed des nieuwen testaments, Mt. 26 : 28, Mk. 14 : 24, Hebr. 9 : 13v Christus is eene qusia, xbz, het slachtoffer voor onze zonden, Ef. 5 : 2, Hebr. 9 : 26, 10 : 12; eene prosfora, dwron, ¤brq, hxnm, Ef. 5 : 2, Hebr. 10 : 10, 14, 18; een lutron, ‡ntilutron. Mt. 20 : 28, Mk. 10 : 45, 1 Tim. 2 : 6, xl'g, ywdp, rpk, losprijs, losgeld, om iemand los te koopen uit de gevangenis, en vandaar zoenmiddel, om door eene offerande anderer zonde te bedekken en zoo hen te redden van den dood; eene timj, 1 Cor. 6 : 20, 7 : 23, 1 Petr. 1 : 18, 19, een prijs, die voor de loskooping betaald is; een zondoffer, dat voor ons tot zonde is gemaakt, 2 Cor. 5 : 21, 1 Joh. 2 : 2, 4: 10; het paaschoffer, dat voor ons |312| is geslacht, Joh. 19 : 36, 1 Cor. 5 : 7, het lam Gods, dat de zonde der wereld draagt en daarvoor geslacht is, Joh. 1 : 29, 36, Hd. 8 : 32, 1 Petr. 1 : 19, Op. 5 : 6 enz.; het ³lastjrion, Rom. 3 : 25, d.i. niet het verzoendeksel, trpk, al is dit woord ook zoo in LXX overgezet wijl er geen beter aequivalent in het grieksch te vinden was, maar datgene, wat tot verzoening dient, zoenmiddel, of scil. quma, zoenoffer, cf. Deismann, Die sprachl. Forschung der griech. Bïbel, Giessen 1898 S. 16. 17; een katara Gal. 3 : 13, die den vloek der wet van ons overnam, als de slang in de woestijn, aan het kruis verhoogd, Joh. 3 : 14, 8 : 28, 12 : 33, en als een tarwegraan, in de aarde stervende, om alzoo veel vrucht te dragen, Joh. 12 : 24. De betrekking, waarin deze offerande van Christus tot ons en onze zonde staat, wordt evenzoo op zeer verschillende wijze uitgedrukt. Hij geeft of stelt zijn leven, Mk. 10 : 45, Joh 10 : 15, heiligt zich, Joh 17 : 19, wordt zonde en vloek gemaakt, 5 Cor. 5 : 21, Gal. 3 : 13, is overgeleverd, Rom. 4 : 25, heeft zich overgegeven, Gal. 2 : 20, heeft geleden, 1 Petr. 3 : 18, is gekruisigd en gestorven, Joh. 11 : 50, 51, Rom. 5 : 6, 1 Cor. 15 : 3, 2 Cor. 5 : 15, 1 Thess. 5 : 10, en dat wel als een lutron ‡nti pollwn, Mt. 20 : 28, Mk. 10 : 45, in de plaats van velen, of Ãper c. gen. pers., Joh. 10 : 15, 11 : 50, 51, Rom 5 : 6, 8, 2 Cor. 5 : 15, 21, Gal. 3 : 13, Ef. 5 : 2, Hebr. 2 : 9, ten behoeve van ons, van zijn volk, cf. Phil. 13, Ãper sou, in gratiam tuam, zoodat gij ’t niet behoeft te doen; of Ãper c. gen. rei, Joh. 6 : 51, 1 Cor. 15 : 3, Hebr. 10 : 12, ten behoeve van de zonden, om ze weg te doen, of ten behoeve van het leven der wereld, opdat deze door Christus’ dood het leven erlange; of peri c. gen. pers. Mt. 26 : 28, 1 Joh. 2 : 2, om, ter wille van velen of van de geheele wereld; of peri c. gen. rei, Rom. 8 : 3, Hebr 10 : 6, 18, 1 Petr. 3 : 18, 1 Joh. 2 : 2, 4 : 10, om, ter wille van de zonde; of dia c. acc. rei, Rom. 4 : 25, ter oorzake van, van wege de zonde.

Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft, is te veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf Hij daardoor zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1 : 20, de hemelvaart, 1 Petr. 3 : 22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1 : 20, Hebr. 12 : 2, de verheffing tot Hoofd der gemeente, Ef. 1 : 22, den naam boven allen naam, Phil. 2 : 9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2 : 9 , de heerschappij over |313| alle dingen in hemel en aarde, Mt. 28 : 18, Ef. 1 : 22, 1 Cor. 15 : 24v., het laatste oordeel, Joh. 5 : 22, 27. En verder verwierf Hij voor de zijnen, voor de menschheid, voor de wereld eene onafzienbare reeks van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8 : 12, het ware brood, 6 : 35, de ware wijnstok, 15 : 1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven, 11 : 25, 14 : 6, onze sofia, dikaiosunj, ƒgiasmov, ‡polutrwsiv, 1 Cor. 1 : 30, onze e¸rjnj, Ef. 2 : 14, de eerstgeborene en de eersteling, die door velen gevolgd wordt, Rom. 8 : 29, 1 Cor. 15 : 23, de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15 : 45, het hoofd der gemeente, Ef. 1 : 22, de hoeksteen van het Godsgebouw, Ef. 2 : 20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijne weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien toch alle weldaden voort: de gansche swtjria, Mt. 1 : 21, Luk. 2 : 11, Joh. 3, 17, 12 : 47, en dan na der de vergeving der zonden, Mt. 26 : 28, Ef. 1 : 7, de wegneming, a¸rein onzer zonden, Joh. 1 : 29, 1 Joh. 3 : 5, de reiniging of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10 : 22, de rechtvaardigmaking, Rom. 4 : 25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1 : 30, de u³oqesia, Gal. 3 : 26, 4 : 5, 6, Ef. 1 : 5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2 : 18, 3 : 12, de aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d.i. de ³lasmov, Rom 3 : 25, 1 Joh. 2 : 2, 4 : 10, Hebr. 2 : 17, de daarvoor bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige maar gunstige vredeverhouding tot de wereld, katallagj, Rom. 5 : 10v., 2 Cor. 5 : 18-20, en de vredeverhouding des menschen in betrekking tot God, Rom. 5 : 1; verder de gave des H. Geestes, Joh. 15 : 26, Hd. 2, Gal. 4 : 6, de wedergeboorte en het kindschap uit God, Joh. 1 : 12, 13, de heiligmaking, 1 Cor. 1 : 30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom. 6 : 3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6 : 6v. Gal. 2 : 20, de kruisiging aan de wereld, Gal. 6 : 14, de reiniging, Ef. 5 : 26, 1 Joh. 1 : 7, 9, en de afwassching, 1 Cor. 6 : 11, Op. 1 : 5, 7 : 14, der zonden door de besprenging met het bloed van Christus, Hebr. 9 : 22, 12 : 24, 1 Petr. 1 : 2, de wandel in den Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6 : 4, de gemeenschap aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6 : 5, Ef. 2 : 6, Phil. 3 : 20, de navolging van Christus, Mt. 10 : 38, 1 Petr. 2 : 21v. alverder de bevrijding van den |314| vloek der wet, Rom. 6 : 14, 7 : 1-6, Gal. 3 : 13, Col. 2 : 14, de vervulling van het oude en de inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14 : 24, Hebr. 1 : 22, 9 : 15, 12 : 24, de verlossing uit de macht van Satan, Luk. 11 : 22, Joh. 14 : 30, Col. 2 : 15, 1 Joh. 3 : 8, Col. 1 : 13, de overwinning der wereld, Joh. 16 : 33, 1 Joh. 4 : 4, 5 : 4, de bevrijding van den dood en van de vreeze des doods, Rom. 5 : 12v., 1 Cor. 15 : 55v., Hebr. 2 : 15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10 : 27, 28; en eindelijk de opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11 : 25, 1 Cor. 15 : 21, de hemelvaart, Ef. 2 : 6, de verheerlijking, Joh. 17 : 24, de hemelsche erfenis, Joh. 14 : 1, 1 Petr. 1 : 4, het eeuwige leven, hier reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3 : 15, 36 en eens zich ten volle openbarend in heerlijkheid, Mk. 10 : 30, Rom. 6 : 22, de nieuwe hemel en aarde, 2 Petr. 3 : 13, Op. 21 : 1, 5, de wederoprichting aller dingen, Hd. 3 : 21, 1 Cor. 15 : 24-28.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004