2. De wijziging, door de zonde in de offerande aangebracht, vertoonde zich eerst langzamerhand. Eerst was het offer eenvoudig hxnm, gave, Gen. 4 : 3; en de offeranden werden door de offeraars zelven gebracht. Toen offercultus en priesterschap reeds bij andere volken zich ontwikkeld hadden, werden deze ook voor Israel geregeld. Evenals het profetisch en koninklijk, zoo rust ook het priesterlijk ambt volgens de wet op verkiezing van Ihvh, Num. 16 : 7, Hebr. 5 : 4. De taak, aan de priesters opgedragen, is eene dubbele; zij moeten het volk Israels, mede door de urim en thummim, onderwijzen aangaande de rechten en wetten des Heeren, Ex. 29 : 30, Deut. 17 : 9, 33 : 8-10, Jer. 18 : 18, Ezech. 7 : 26, 44 : 23, 24, Hagg. 2 : 12, Mal. 2 : 7, en voorts met de offeranden des volks tot Ihvh naderen, Lev. 21 : 8, Num. 16 : 5 enz., en dan van zijnentwege het volk zegenen, Lev. 9 : 23, Num. 6 : 23. De offers, die Israel brengen moest, waren verschillend. |306| Het paaschoffer, Ex. 12, neemt eene zelfstandige plaats in, is zoen- en brandoffer, sacrificium en sacramentum tegelijk; het bondsoffer, Ex. 24 : 3-11, diende, evenals dat bij Abraham, Gen. 15 : 9, Jer. 34 : 18v., tot bevestiging van het verbond; het bestond daarom uit brandoffers van varren, wier bloed ter bedekking der zonde en ter heiliging door Mozes als middelaar des verbonds deels op het altaar deels op het volk werd gesprengd, en werd daarna met dankoffers besloten; het brand- en dankoffer, Lev. 1, 3, diende, om de op den grondslag des verbonds rustende gemeenschap met God te onderhouden; het zond- en schuldoffer, Lev. 4-6, onderstelde, dat de gemeenschap met God door eene zwakheidszonde gestoord was en bood in de besprenging des bloeds van het geslachte offerdier bedekking der zonde en herstel der gemeenschap met God. De verzoening kwam nu aldus tot stand: door de handoplegging droeg de offeraar zijne zonde op het dier over; wel wordt dit dikwerf ontkend, maar ten onrechte; handoplegging sluit in de Schrift altijd eenige overdracht in, van zegen, Gen. 48 : 13, Mt. 19 : 13, vloek, Lev. 24 : 14, ambt, Num. 27 : 18, Deut. 34 : 9, den H. Geest, Hd. 8 : 17 enz., en zoo bij de bloedige, ook de brand- en de dankoffers, Lev. 1 : 4, 3 : 2, van erkende en beleden zonde, Lev. 4 : 4, 15, 16 : 21, 2 Chr. 29 : 23; de offerande zelve heette t'Xx of £H'. Daardoor was het offerdier nu des doods waardig. Maar wijl het niet alleen diende, om voor den offeraar de straf te ondergaan, maar juist om voor zijne zonde verzoening te doen, daarom wordt het dooden van het dier altijd een slachten genoemd. Het was niet om den dood als dood te doen, maar om daardoor het bloed te verkrijgen, dat verzoening moest doen. God had juist dat bloed van het dier tot eene verzoening op het altaar gegeven; en wel omdat dat bloed de zetel der ziel, de zetel van een, na en door de slachting weer van zonde bevrijd leven was, Lev. 17 : 11. Als dit bloed, nu op het altaar of op het verzoendeksel in Gods nabijheid kwam, dan werd daardoor de offeraar of zijne zonde voor het heilig aangezicht Gods bedekt; pf liever, God zelf was het, Deut. 21 : 8, Jer. 18 : 23, Mich. 17 : 19, en als zijn plaatsvervanger de priester, Lev. 5 : 13, 10 : 17, 15 : 15, die door de als rpk, lutron, losprijs gedachte offerande de personen der offeraars van hunne zonden weg of ook die zonden zelve voor zijn aangezicht bedekte, rpk met de praep. lv of dvb. |307| Litt. over den O.T. offercultus in Herzog2 11, 61 en voorts nog Smend, Altt. Relig. 319. Marti, Gesch. d. isr. Rel. 226.

Opmerking verdient het echter, dat de zoenoffers volstrekt niet alle maar slechts enkele, bepaalde, onopzettelijke zonden verzoenden; op de zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing uit het midden des volks, Num. 15 : 30. Al werden de zonden door afdwaling ook zeer ruim genomen, Lev. 5, 6; toch bleef de verzoening, welke door de zoenoffers aangebracht werd, zeer beperkt. Trouwens, het genadeverbond, door God met Israel opgericht, berustte niet op die zoenoffers maar ging eraan vooraf en had zijn grondslag alleen in Gods belofte: Ik ben de Heere uw God. De zond- en schuldoffers dienden alleen, om onopzettelijke overtredingen, die geen bepaalde bondsbreuk waren, te verzoenen en de daardoor verstoorde gemeenschap met God te herstellen. Dit blijkt ook daaruit, dat zij verordend waren voor gevallen, waarin er alleen van levietische onreinbeid maar niet van subjectieve schuld sprake was, Lev. 5 : 2, 12 : 6, 7, 15 : 14. Er bleven dus tal van zonden over, voor welke de wet geen verzoening door offeranden aanwees; niet alleen eenige zonden met opgeheven hand, die met uitroeiing werden gestraft, maar voorts allerlei geestelijke en vleeschelijke zonden, zonden met gedachten en woorden, zonden van hoogmoed en zelfzucht. Voor al deze zonden waren geen offers voorgeschreven. Het is waar, dat volstrekt niet alleen de zond- en schuldoffers maar dat ook de brand- en dankoffers een verzoenend karakter droegen, Lev. 1 : 3, 4, 9 : 7, en dat op den grooten verzoendag alle zonden des volks werden verzoend, Lev. 16 : 16, 23 : 26-32, Num. 29 : 7-11. Toch blijft het opmerkelijk, dat daarbij van al de bovengenoemde zonden geen sprake is en dat de eigenlijke zond- en, schuldoffers alleen in bepaalde gevallen voorzien. Bij bijzondere gelegenheden, als het volk zwaar gezondigd en aan bondsbreuk zich schuldig gemaakt heeft, wordt dan ook de verzoening op buitengewone wijze verkregen, door Mozes’ voorbede, Ex. 32 : 30-35, Num. 14, Ps. 106 : 23, of door ongewone offeranden. Num. 16 : 45-50, 2 Sam. 24 : 25, 2 Chron. 29 : 8-11. En dat wisten de vromen in Israel ook; zij wisten, dat de zoenoffers slechts in zeer enkele gevallen een weg tot ver zoening ontsloten; en daarom gaan zij achter die offers terug en pleiten op de barmhartigheid Gods. En dat bedoelde de O.T. offercultus ook aan Israel te leeren. Die enkele offeranden, die |308| voorgeschreven waren, dekten niet het gansche leven; zij brachten geen ware verzoening aan; zij dienden alleen om het zondebesef te wekken en waren typen, die heenwezen naar eene andere en betere offerande. De O.T. offercultus was onvolmaakt; de priesters waren zelven zondaren; het bloed van stieren en bokken kon de zonden niet wegnemen; de offers moesten eindeloos worden herhaald. Alles duidde aan, dat de ceremonieele bedeeling des O.T. slechts eene voorbijgaande, symbolische, typische beteekenis had. En daarom komt er naar de profetie een ander verbond, dat niet verbroken maar door allen gehouden wordt, Jer. 31 : 31; een ander profeet, die in bijzondere mate met den Geest Gods gezalfd zal zijn en eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut. 18 : 15, Jes. 11 : 2, Mal. 4 : 5; een andere priester, die niet naar de wijze van Aaron maar naar de orde van Melchizedek zal aangesteld worden en daarom de priesterlijke en koninklijke waardigheid in zich vereenigen en beide eeuwiglijk dragen zal, Ps. 110, Jer. 30 : 21, Zach. 6 : 13; een andere koning, die uit Davids huis voortkomen en een Heerscher wezen zal in Israel, Mich. 5 : 1, 2. En zoo zal er, ook eene andere, betere offerande komen. De offers van dieren zijn de ware niet, Ps. 40 : 7, 50 : 8, 51 : 18, Am. 4 : 4, 5 : 21, Hos. 6 : 6, 8 : 11, Jes. 1 : 11, Jer. 6 : 19, 7 : 21 enz.; de ware offeranden Gods zijn gehoorzaamheid, 1 Sam. 15 : 22, barmhartigheid, Hos. 6 : 6, een gebroken geest, Ps. 51 : 19, naar Gods stem hooren, Jer. 7 : 23. En die offerande zal gebracht worden door dien knecht des Heeren, die Israels plaats innemen, zijn werk volbrengen, tot een verbond des volks en tot een licht der Heidenen wezen zal, Jes. 42 : 6, 49 : 6, en voor de zonden zijns volks, zijne ziel tot een schuldoffer zal stellen, Jes. 53 : 10.

In het O.T. loopen deze belofte van den lijdenden knecht des Heeren en die van den gezalfden koning ten deele nog parallel. Beide beloften wortelen in de vastheid van Gods verbond; God kan zijn verbond, in weerwil van Israels ontrouw en afval, niet vergeten; Hij kan het niet doen om zijns naams wil; het is een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet. En daarom krijgt Israel, hoe ook van wege zijne zonde tot ellende vervallen, toch weer een koning uit Davids huis. Die koning zal zijn van nederige geboorte, Jes, 11 : 1, 2, Mich. 5 : 1, 2, Ezech. 17 : 22, Hij zal niet alleen koning maar ook priester wezen, Jer. 30 : 21, Zach. 3 : 1, 6 : 13, Ps. 110, de |309| gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen, Jer. 23 : 6, de offers overbodig, Jes. 60 : 21, Jer. 24: 7, 31 : 35, Ezech, 36 : 25, 27 en allen tot priesters maken, Jes. 61 : 6. Daarnaast loopt nu de andere belofte, dat deze gerechtigheid voor Israel alleen in den weg van lijden verworven zal worden. De offercultus symboliseerde de noodzakelijkheid der zoenofferande; de historie toonde het in zoo menig voorbeeld, in Mozes, David, Job, de profeten en in die kleine schare van getrouwen, die de knie voor Baal niet bogen, dat de besten het meest lijden, dat zij, die de zake Gods voorstaan en in zoover rechtvaardig zijn, door lijden tot heerlijkheid moeten ingaan; en in de ballingschap en daarna als gemeente werd Israel de knecht des Heeren, die in nood en ellende verkeerende en van alle zijden benauwd, toch door den Heilige Israels verlost worden zou, Jes. 41 : 8v. Doch ook Israel is de ware knecht des Heeren niet; en heeft zelf verlossing van noode, Jes. 41 : 14, 42 : 19v.; waar kon de profeet ook in het verleden of heden het Israel of een individueel persoon, een profeet, een martelaar vinden, die zoo wonderbaar door Jhvh was toegerust, die zoo onwankelbaar trouw bleef, die in de verkondiging der waarheid aan de Heidenen het zwaarste lijden en den schandelijksten dood onderging? De moderne exegese doet vergeefs moeite, om in de enkele vromen onder Israel, in de profeten, of ook in Jeremia of een ander lijder de figuur voor Jesaja’s schilderij van den knecht des Heeren te vinden. Israel zelf met al zijne vromen en profeten stelt zich in Jes. 53 tegenover dien knecht des Heeren, erkent dat het Hem om zijn lijden veracht heeft en belijdt, dat Hij juist om hunne overtredingen verwond en om hunne ongerechtigheden verbrijzeld is. Al wordt het niet rechtstreeks gezegd, de knecht des Heeren kan geen ander dan de Messias zijn, die immers ook priester wezen en de gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen zal. Cf. Delitzsch op Jes. 42v. Oehler, in Herzog2 9, 649 en de daar aangehaalde litt., ook Smend, Altt. Rel. 257. Het is eene moeilijke vraag, of de Joodsche theologie vóór Jezus’ komst deze twee lijnen in de profetie reeds liet samenvallen en alzoo een lijdenden Messias verwachtte, cf. Wünsche, Leiden des Messias, Leipzig 1870. Dalman, Der leidende u. sterbende Messias der Synagoge 1888. Weber, System 344 f. Schürer, Neut. Zeitgesch. 597. Baldensperger, Selbstbew. Jesu 121 f., Oehler in Herzog2 9, 670. Holtzmann, Neut. Theol. I 65 f. |310| Maar al wordt deze vraag ook bevestigend beantwoord; inhoud van het volksgeloof was de verwachting van een lijdenden Messias toch niet; Jezus’ discipelen toonen er zich geheel onvatbaar voor, Mt. 16 : 22, Luk. 18 : 34, 24 : 21, Joh. 12 : 34.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004