3. Deze apostolische getuigenis aangaande Jezus den Christus was te veelomvattend, dan dat zij terstond in het christelijk bewustzijn kon opgenomen en in eene alle dwaling afsnijdende, duidelijke formule kon weergegeven worden. Bij de apostolische vaders is daarvan dan ook nog geen sprake, al kennen zij aan Christus eene geheel eenige plaats toe en al noemen zij Hem met allerlei heerlijke en verheven namen, deel II 250. Door de ter linker en ter rechter zijde opkomende dwalingen van het Ebionitisme en het Gnosticisme werd eerst het christelijk denken gewekt, |240| om de apostolische getuigenis zich in haar veelzijdigheid toe te eigenen en de verhouding van Christus, beide tot God en tot de menschheid, tot klaarheid te brengen. Het Ebionitisme hield Jezus wel voor den Messias, geloofde soms ook wel, dat Hij op bovennatuurlijke wijze ontvangen en bij den doop met eene Goddelijke kracht toegerust was, maar het zag overigens in Jezus niets dan een mensch, uit Davids geslacht, met Gods Geest gezalfd en tot koning over een bij zijne wederkomst op te richten aardsch rijk aangesteld. Het Gnosticisme, de stof verachtend en de schepping der wereld aan een djmiourgov toeschrijvend, maakte ook bij Christus eene scherpe scheiding tusschen het Goddelijke en het menschelijke; de hoogste aeon, n.l. Christus, was uit den hemel nedergedaald en had zich voor een tijd lang met den aardschen mensch Jezus vereenigd, of bracht uit den hemel een psychisch lichaam mede of nam tijdelijk een schijnlichaam aan, om de menschheid uit de banden der materie te bevrijden. Harnack meent wel, dat de erkenning van Jezus als een door God uitverkoren en met den Geest toegerust mensch niet ebionietisch maar christelijk was, D.G. I 245, en zegt ook, dat de leer der twee naturen van Christus oorspronkelijk gnostisch was, I 220. 516, maar hij moet toch toegeven, dat in de oudste overlevering Jezus ook als Zoon Gods beleden en nooit voor een yilov ‡nqrwpov gehouden werd, I 153-168, cf. Loofs in Herzog3 4, 18 f. Er mogen verschillende voorstellingen geweest zijn, hoe een en hetzelfde subject tegelijk Zoon Gods en mensch kon zijn; maar zoo werd Christus van het begin af door allen erkend. Deze belijdenis moest leiden en leidde onder Justinus, Irenaeus en Tertullianus, cf. deel II 250-256, tot de leer der twee naturen. De uitdrukking duo oÇsiai cristou komt het eerst voor in een fragment van Melito, welks echtheid echter betwijfeld wordt, Harnack, D.G. I 165, volgens Loofs, Herzog3 4, 31 ten onrechte. Irenaeus heeft de formule van de twee naturen nog niet, maar leert duidelijk, dat Christus waarlijk de Zoon, de Logos, en zelf God is, dat Hij als zoodanig mensch is geworden, en dat deze menschgeworden Logos eene onverbrekelijke eenheid is. Hij is vere homo et vere deus, adv. haer. IV 6, 7, het is een en dezelfde Christus, die de wereld geschapen heeft en die geboren en gestorven is, III 9, 3. 16, 6. 19, 1 enz. Tertullianus leert evenzoo en spreekt nog sterker van twee substanties in Christus, carnea en spiritalis, van twee conditiones, divina et |241| humana, de carne Chr. 5, en nam in Hem aan duplicem statum, non confusum sed conjunctum in una persona, Deum et hominem verum, adv. Pr. 27. Spoedig werd daarna in het Westen voor deze leer van Christus de formule gebezigd, dat Hij was una persona met duo naturae. Augustinus drukt zich geregeld aldus uit; ita vero inter Deum et homines mediator apparuit, ut in unitate personae copulans utramque naturam, et solita sublimaret insolitis et insolita solitis temperaret, Ep. ad Volus. 3. In het Oosten bleef echter de terminologie, evenals in de triniteitsleer, langen tijd onvast en daarom voor allerlei misverstand vatbaar. De woorden oÇsia, fusiv, Ãpostasiv, proswpon misten nog strenge bepaling en werden daarom dooreen gebruikt; zelfs Cyrillus duidt de menschelijke natuur van Christus nog dikwerf als Ãpostasiv in plaats van als fusiv aan, en spreekt dan toch weer van ééne natuur in Christus, mia sesarkwmenj fusiv; de vereeniging van beide naturen werd door Gregorius Naz. en Nyss. als eene mixiv, ‡nakrasiv, en door Cyrillus als eene ›nwsiv fusikj of kata fusin aangeduid; en datgene, wat door de hypostatische vereeniging tot stand kwam, werd meermalen niet e³v maar ›n genoemd, Schwane, D.G. II 294 f. 341 f. De epistola dogmatica van Paus Leo den Groote aan Flavianus droeg er echter veel toe bij, om ook in het Oosten het helder inzicht en het nauwkeurig spraakgebruik in de leer van Christus te bevorderen, Halm, Bibl. der Symbole u. Glaubensregeln3 321-330. En te Chaleedon werd, na verwerping van het Nestorianisme, het Patripassianisme, het Eutychianisme enz., de belijdenis van Christus vastgesteld als van één en denzelfden Zoon enHeere, teleion ton aÇton n qeotjti kai teleion ton aÇton n ‡nqrwpotjti, qeon ‡ljqwv kai ‡nqrwpon ‡ljqwv ton aÇton, . . . . ›na kai ton aÇton criston, u³on, kurion, monogenj, n duo fusesin (volgens de oorspr. lezing; niet k duo fusewn) ‡sugcutwv, ‡treptwv, ‡diairetwv, ‡cwristwv gnwrizomenon, Halm, ib. 166.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004