§ 41. De persoon des Middelaars.

1. Het verbond der genade is van het werkverbond ook daarin onderscheiden, dat het een middelaar heeft, niet van vereeniging maar van verzoening, ten einde de verbroken gemeenschap tusschen God en mensch weer te herstellen. Ook met deze leer van een middelaarschap staat de H. Schrift niet alleen, maar wordt zij van alle zijden gesteund en bevestigd door de analogieën, die daarvan in de godsdiensten bij de volken voorkomen. Over het algemeen zijn de woorden en daden van groote mannen voor de geschiedenis en het leven der volken van de rijkste beteekenis; maar bepaaldelijk geldt dit op godsdienstig gebied. Bijna overal komen er heilige personen voor, die de gemeenschap met God voor anderen bewerken en in stand houden. Profeten treden als tolken der Godheid op en maken haar wil bekend; priesters vertegenwoordigen de menschen in hunne toenadering tot God, brengen hun offeranden en gebeden over, en deelen hun Gods zegen uit; koningen worden menigmaal beschouwd als zonen der goden, als dragers van hun wijsheid en macht. De oorsprong van al deze heilige personen wordt ons door de historie niet verhaald; maar hunne algemeenheid bewijst, dat wij hier te doen hebben met een verschijnsel dat niet toevallig is maar samenhangt met het wezen der religie zelve en met eene diepe behoefte der menschheid. Vele historische godsdiensten zijn bovendien aan de namen van bepaalde stichters verbonden, die dan later boven den rang van gewone menschen verheven, of zelfs, gelijk in het Buddhisme, geheel en al vergoddelijkt worden; apotheose en incarnatie komen bijna in alle godsdiensten voor. Het onderscheid, dat Tiele maakt tusschen theocratische en theantropische godsdiensten, is ook volgens zijn eigen erkentenis niet streng vol te |229| houden en slechts een verschil van meer of minder, Inleiding tot de godsdienstwet. Amst. 1897 bl. 141v., 221v. Eindelijk is er zelfs in alle godsdiensten niet maar in het algemeen eene verwachting, dat het kwade eens door het goede zal overwonnen worden, maar meermalen knoopt zich die verwachting ook aan een bepaald persoon, zooals b.v. aan Krishna in de Indische en Baldur in de Noorsche religie. Ook de mythe van Heracles, de bekende uitspraak van Plato over den rechtvaardige in Rep. VII, de vierde ecloga van Vergilius zijn in dit opzicht merkwaardig. In zijne schoonste en edelste uitingen wijst het Heidendom onbewust naar het Christendom heen; cf. deel I 238-240 en voorts ook nog Lamennais, Essai sur l’indifférence III 408 s. Tholuck, Lehre v. d. Sünde, 4te Beilage. R.Ch. Trench, The Hulsean Lectures for 1845. 1846. 4th ed. Cambr. 1859 p. 153: Christ the desire of all nations or the unconscious prophecies of Heathendom. Pfleiderer, Religionsphilos.3 1896 S. 714 f.

Maar wat bij de Heidenen niet meer dan een onbewust en onbepaald verlangen was, dat werd in Israel voorwerp van een vast geloof en vurige hope. God gaf zijne beloften aan dat volk. Hij liet de menschheid hare geschiedenis niet beginnen zonder de hope, dat het vrouwenzaad eens over het slangenzaad zou triumfeeren. Ja, het is de Christus zelf geweest, die als Engel des verbonds het volk Gods in den O.T. dag heeft geleid, door Israel heen zijn eigen komst in het vleesch heeft voorbereid, en door zijn Geest zijn eigen beeld teekenen liet in historie en profetie, Joh. 5 : 39, 1 Petr. 1 : 11, Op. 19 : 10. Daarom bevat het O.T. ook niet enkele, op zichzelf staande Messiaansche teksten, die in eene Christologie des O.T. atomistisch worden saamgegaard; maar heel de O.T. bedeeling met haar personen en gebeurtenissen, haar ambten en instellingen, haar wetten en ceremoniën is eene heenwijzing en heenbeweging naar de vervulling in het N.T. Er is eene „Symbolik der Schöpfung”, eene typiek in de natuur, welke blijkens Jezus’ gelijkenissen in Hem en in zijn koninkrijk hare verwezenlijking erlangt. Er is eene onbewuste verwachting en hope in de religie en in de historie der volken, welke, in het Christendom tot hare waarheid komt. Er is eene rechtstreeksche en opzettelijke voorbereiding en afschaduwing van de logikj latreia in de instellingen en gebeurtenissen des O.T. |230| Tempel en altaar, priester en offerande, Zion en Jerusalem, profeet en koning, alle zijn ze voorbeelden en schaduwen van eene hoogere, geestelijke, waarachtige werkelijkheid. En vooral het koningschap kreeg onder Israel zulk eene typische beteekenis. De theocratische koning, die, vooral in David met zijne nederige afkomst, zijne rijke levenservaring, zijne edele natuur, zijn diep gevoel, zijn poetischen aanleg, zijne groote gaven, zijn onbezweken moed, zijne schitterende overwinningen belichaamd werd, Smend, Altt. Rel. Gesch. 58, was een zoon Gods, 2 Sam. 7 : 14, Ps. 2 : 6, 7, Ps. 89 : 27, de gezalfde bij uitnemendheid, Ps. 2 : 2, 18 : 51, wien allerlei lichamelijke en geestelijke zegeningen werden toegewenscht, Ps. 2 : 8v., 21, 45, 72, die zelfs als Elohim werd aangesproken, Ps. 45 : 7. De koning is drager der hoogste, der Goddelijke waardigheid op aarde. In David heeft de theocratische koning zijn zuiverst beeld gevonden; daarom zal het koningschap ook blijven in zijn huis, 2 Sam. 7 : 8-16. Deze belofte Gods aan David is dan de grondslag, het middelpunt van alle volgende verwachting en profetie. De profetie, die bij de typiek ter verklaring bijkomt, ziet uit het verleden en heden naar de toekomst heen en teekent den te verwachten Davidide steeds duidelijker in zijn persoon en werk af. De meening, b.v. van Paul Volz, Die vorexilische Jahweprophetie und der Messias, Göttingen 1897, dat de Messiasidee aan de voorexilische profeten vreemd is, wordt door de feiten weerlegd en is slechts door eene willekeurige kritiek staande te houden. Naarmate het koningschap in Israel en Juda minder aan zijne idee beantwoordde, nam de profetie de belofte van 2 Sam. 7 op en klemde zich daaraan vast, Am. 9 : 11, Hos. 1 : 11, 3 : 5, Mich. 5 : 1, 2, Jes. 9 : 5, 6, 11 : 1, 2, 10, Jer. 23 : 5, 30 : 9, 33 : 17, 20-22, 26, Ezech. 34 : 23, 24, 37 : 22-24. Deze gezalfde koning zal uit Davids huis voortkomen, als dit tot nederheid vervallen, van den troon verstooten, aan een afgehouwen tronk gelijk geworden zal zijn, Jes. 11 : 1, 2, Mich. 5 : 1, 2, Ezech. 17 : 22; God zal hem als eene spruïte aan Davids huis doen voortspruiten, Jer. 23 : 5, 6, 33 : 14-17, zoodat hij zelfs den naam van Spruite draagt, Zach. 3 : 8, 6 : 12. Maar ondanks zijn nederige geboorte, zal hij toch de echte, ware, theocratische koning zijn. Ofschoon afkomstig uit het kleine, verachte Bethlehem, waar het Davidisch koningshuis zijn oorsprong heeft en zich, verdreven uit de heerschappij, terugtrekt, |231| Mich. 5 : 2, cf. 3 : 12, 4 : 9, 14, zal de Messias toch een Heerscher over Israel zijn, wiens uitgangen en oorsprongen als Heerscher, van God uit, al zijn van ouds af, van de dagen der eeuwigheid, deel II 243. Hij wordt door God gegeven, is een eeuwig koning, draagt de namen van Wonderbaar Raadgever, sterke God, cf. 10 : 21, Deut. 10 : 17, Jer. 32 : 18, eeuwig Vader (voor zijn volk), Vredevorst, Jes. 9 : 5, 6, is gezalfd met den Geest der wijsheid en des verstands, des raads en der dapperheid, der kennis en vreeze des Heeren, 11 : 5, wordt gelegd tot een beproefden kostelijken grondsteen in Zion, 28 : 16, is een rechtvaardig, zegerijk, zachtmoedig en daarom op een ezelin rijdend koning, die niet trotsch is op zijne macht maar door God ondersteund wordt, Jer. 33 : 17, 20, 22, 26, Zach. 9 : 9v., dien het volk noemt en erkent als den Heere onze gerechtigheid, Jer. 23 : 6, cf. 33 : 16, waar Jeruzalem zoo genoemd wordt als de stad, in welke Ihvh zijne gerechtigheid wonen doet; die een held zal zijn als David en wiens huis zal wezen als God, als de Engel Gods, die eens bij den uittocht Israels leger voorging, Zach. 12 : 8, cf. Mal. 3 : 1, die eeuwig heerschen, een rijk van gerechtigheid, vrede en welvaart stichten zal, en zijne heerschappij ook over de Heidenen, tot de einden der aarde uitbreiden zal, Ps. 2, 45, 72, Ezech, 37 : 25, Zach. 6 : 13, 9 : 10 enz. Dit heerlijk Messiasbeeld wordt dan daardoor nog afgewerkt, dat deze toekomstige koning ook als profeet en priester geteekend wordt. Wel treden deze trekken niet op den voorgrond, want in het Godsrijk zal de Geest Gods op allen uitgestort worden, Joël 2 : 28, Zach. 12 : 10, 13 : 2v., Jer. 31 : 34, en al het volk zal priesterlijk en den Heere heilig zijn, Jes. 35 : 8, Joël 3 : 17, Zach. 14 : 20, 21; maar toch wordt de Messias ook als profeet voorgesteld, op wien in bijzondere mate de Geest des Heeren rust, en die eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut. 18 : 15, Jes. 11 : 2, Jes. 40-66, Mal. 4 : 5; en hij zal de priesterlijke en de koninklijke waardigheid in zich vereenigen, Jer. 30 : 21, Zach. 3, 6 : 13, Ps. 110. In den knecht des Heeren bij Jesaja komen duidelijk alle drie ambten aan het licht; hij is priester, die door zijn lijden de zonden zijns volks verzoent, hij is profeet, die met Gods Geest gezalfd het aangename jaar des Heeren verkondigt, hij is koning, die verheerlijkt wordt en de vrucht van zijn arbeid geniet. Hoe diep deze Messiasverwachting in Israel is |232| ingegaan, toonen ons de psalmen; vele gaan uit van het Davidisch koningschap en zijn in eDgeren zin messiaansch, Ps. 2, 18. 20, 21, 45, 61, 72, 89, 132, andere spreken alleen van God of Jahveh als Koning, Ps. 10, 24, 29, 44, 47, 48, 66, 68, 87, 93, 95-100, 145-150. Cf. de werken over de Christologie des O.T. van Hengstenberg, 2e Ausg. 1854, van Oosterzee, 1859-61, Bade, 2 Bde, 2e Aufl. Münster 1858, Böhl 1882, R. Gordon, Christ as made known to the ancient Church, 4 vol. Edinburgh 1854; voorts werken over de O.T. voorspellingen als van Riehm, Die messian. Weissagung, Gotha 1875. Hofmann, Weissagung und Erfüllung 1841, ’44. Schriftbeweis, 2e Aufl. 1859, Orelli, Die alttest. Weissagung von der Vollendung des Gottesreiches in ihrer gesch. Entw. 1882; vervolgens werken over de theologie des O.T. van Schultz, Oehler, Smend, Dillmann, Riehm, Kayser, Kuenen, De profeten I 234v., Duhm, Die Theologie der Propheten 1875. König, Die Theologie der Psalmen 1857. Dornstetter, Das endzeitliche Gottesreich nach der Prophezie, Würzburg 1896. Stade, Die mess. Hoffnung im Psalter, in Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. II 1895 S. 369-413. Boehmer, Das Reich Gottes in den Psalmen, Neue Kirchl. Zeits. VIII 1897, Heft 8-10; en eindelijk ook nog dogmatische leerboeken, als van Dorner Chr. Gl. I 702. Grétillat, Exposé IV 95. Runze, Katech. der Dogm. Leipzig Weber 1898 § 75.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004