5. De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor de practijk van het christelijk leven van de grootste beteekenis. Meer dan Roomsche en Luthersche, heeft de Gereformeerde kerk en theologie dit begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte zij de ware religie des O. en N.T. steeds op als een verbond tusschen God en mensch, hetzij dit opgericht werd met den niet-gevallen mensch (foedus operum), of met de schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk der verkiezing (foedus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan, maar voor deze verbonden in den tijd zocht zij een vasten, eeuwigen grondslag in den raad Gods, en vatte dezen raad als bedoelende de behoudenis van het menschelijk geslacht ook weder op als een verbond van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad des vredes, verbond der verlossing). Dit laatste verbond komt kort en zakelijk reeds voor bij Olevianus, Wezen des Genadeverbonds, 2e art. § 1. Junius, Theses Theol. c. 25 th. 21. Arminius, de sacerdotio Christi 1603. Gomarus op Mt. 3 : 13, Luk. 2 : 21. Theses Theol. XIX 1. Amesius, de morte Christi I 5. Voetius, Disp. II 266. Essenius, de subjectione Christi ad legem X 2; wordt dan verder in den breede ontwikkeld door Cloppenburg, de foedere Dei III 4-28 en Coccejus, Summa de foedere c. 5; krijgt daarna eene bepaalde plaats in de dogmatiek bij Burman, Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker, Mastricht, Marck, Moor, Brakel, om dan door Deurhof, Overnatuurkundige en schriftuurlijke samenstelling van de H. Godg. I 12, Wesselius in de voorrede voor Pictets Godgeleerdheid en anderen bestreden te worden en weder allengs geheel uit de dogmatiek te verdwijnen. De ontwikkeling van de leer van het pactum salutis bij de Gereformeerden was ook van scholastieke spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus Zach. 6 : 13, die voor deze leer aangehaald werd,bewijst niets en zegt alleen, dat de het koning- en het priesterschap in zich vereenigende Messias den vrede van zijn volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil). |204| Uit Job 17 : 3, Jes. 38 : 14, Ps. 119 : 122, die echter geen van alle op den Messias zien, en Hebr. 7 : 22, waar alleen staat, dat Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is, dat het nieuwe verbond eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat Christus van eeuwigheid in het pactum salutis borg was geworden; en wel niet van God bij ons, gelijk Crell op Hebr. 7 : 22, Limborch, Theol. Christ. III 21, 7, beweerden, want God als de Waarachtige heeft geen borg noodig, maar van ons bij God, Coccejus, de foedere V § 150-162, Owen op Hebr. 7 : 22, Witsius, Oec. foed. II c. 5, Heidegger, Corp. Theol. XI 23, van den Honert, Het Hoogepr. van Christus 1712 bl. 403, Boston, Eene beschouwing van het Verbond der genade, 2e dr. 1868 bl. 68 enz. Verder werd aan de juristen de onderscheiding ontleend van fidejussor en expromissor en de vraag behandeld, of Christus in het pactum salutis de zonden der O.T. uitverkorenen conditioneel, dan wel absoluut had op zich genomen; het eerste zeiden Coccejus, de foed. § 150-162, Wittichius, Theol. pacif. § 290, Allinga, van Til, d’Outrein, Perizonius e.a. cf. Heppe, Dogm. 270; het laatste zeiden Leydecker, Fax Verit. V 7, Vis Verit. II 1, Filius Dei sponsor 1674, Turretinus, Th. El. XII 9, Mastricht V 1, 34, Voetius, Disp. V 346, Moor IV 569-580, M. Vitringa III 12 enz. En eindelijk werd ook het geschilpunt besproken, of dit pactum salutis meer het karakter droeg van een testament met beroep op Luk. 22 : 19, Joh. 17 : 24, Hebr. 6 : 17, 8 : 6, 9 : 15, 13 : 20, gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schiere, Doctrina test. et foed. I c. 10 beweerden, dan wel van een verbond, zooals Leydecker, Fax Verit. V 6, Wesselius e.a. staande hielden. Toch rust deze leer van het pactum salutis, trots haar gebrekkigen vorm, op eene Schriftuurlijke gedachte. Als Middelaar toch is de Zoon aan den Vader ondergeschikt; noemt Hem zijn God, Ps. 22 : 3, Joh. 20 : 17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v., wien een werk is opgedragen om te doen, Jes. 53 : 10, Joh. 6 : 38-40, 10 : 18, 12 : 49, 14 : 31, 17 : 4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid Mt. 26 : 42, Joh. 4 : 34, 15 : 10, 17 : 4, 5, 19 : 30, loon ontvangt, Ps. 2 : 8, Jes. 53 : 10, Joh. 17 : 4, 11, 17, 24, Ef. 1 : 20v. Phil. 2 : 9v. Deze relatie tusschen Vader en Zoon, ofschoon tijdens de omwandeling van Christus op aarde het duidelijkst uitkomende, is toch niet eerst ingegaan in het moment der vleeschwording, want deze vleeschwording behoort reeds tot de uitvoering van |205| het aan den Zoon opgedragen werk; maar zij valt in de eeuwigheid en bestond dus ook reeds gedurende den tijd des O.T. De Schrift leert dit ook duidelijk, als zij de leiding van Israel aan den Malak Ihvh toeschrijft, Ex. 3 : 2v., 13 : 21, 14 : 19, 23 : 20-23, 32 : 34, 33 : 2, Num. 20 : 16, Jes. 63 : 8, 9, en Christus ook reeds in de dagen des O.T. ambtelijk werkzaam laat zijn, Joh. 8 : 56, 1 Cor. 10 : 4, 9, 1 Petr. 1 : 11, 3 : 19. Er is immers ook maar één Middelaar Gods en der menschen, Joh. 14 : 6, Hd. 4 : 12, 1 Tim. 2 : 5, die gister en heden en eeuwig dezelfde is, Hebr. 13 : 8, die van eeuwigheid tot Middelaar is verkoren, Jes. 42 : 1, 43 : 10, Mt. 12 : 18, Luk. 24 : 26, Hd. 2 : 23, 4 : 24, 1 Petr. 1 : 20, Op. 13 : 8, en als Logos ook eeuwig bestond, Joh. 1 : 1, 3, 8 : 58, Rom. 8 : 3, 2 Cor. 8 : 9, Gal. 4 : 4, Phil. 2 : 6 enz. De Schrift geeft ons door dit alles eene rijke en heerlijke voorstelling van het werk der verlossing. Het pactum salutis doet ons de verhouding en het leven der drie personen in het Goddelijk wezen kennen als een verbondsleven, als een leven der hoogste zelfbewustheid en der hoogste vrijheid. Hier, binnen het Goddelijk wezen, heeft het verbond zijne volle realiteit; terwijl het verbond van God en den mensch wegens beider oneindigen afstand altijd min of meer het karakter draagt van eene souvereine beschikking, diaqjkj, is het hier tusschen de drie personen eene sunqjkj in vollen zin. De hoogste vrijheid en de volkomenste overeenstemming vallen hier samen. Het werk der zaligheid is een werk der drie personen, waartoe allen medewerken en waarin elk zijne bijzondere taak verricht. In de besluiten, ook in die der praedestinatie, trad de ééne wil Gods op den voorgrond en kwam het trinitarisch karakter nog niet zoo duidelijk uit. Maar hier in het pactum salutis komt het verlossingswerk uit in zijn volle Goddelijke schoonheid. Het is het Goddelijk werk bij uitnemendheid. Gelijk bij de schepping des menschen God vooraf opzettelijk met zichzelven te rade gaat, Gen. 1 : 26, zoo treedt bij de herschepping ieder der drie personen nog duidelijker in zijn onderscheiden karakter op. De herschepping is evenals de schepping een werk van God alleen; uit, door, tot Hem zijn alle dingen; geen mensch is zijn raadsman geweest of heeft Hem eerst gegeven, dat het hem zou wedervergolden worden. Het is God drieëenig alleen, Vader, Zoon en Geest, die samen het gansche werk der zaligheid uitdenken, vaststellen, |206| uitvoeren, en ten einde brengen. Maar voorts legt dit pactum salutis ook verband tusschen het eeuwige werk Gods ter zaligheid en datgene, wat Hij daartoe doet in den tijd. Het verbond der genade, dat in den tijd wordt geopenbaard, hangt niet in de lucht, maar rust op een eeuwigen, onveranderlijken grondslag. Het ligt vast in den raad en in het verbond van God drieëenig, en is daarvan de onfeilbaar volgende toepassing en uitvoering. Ja, in het verbond der genade, dat in den tijd door God met menschen opgericht wordt, is de mensch niet de handelende en de actief optredende. Maar het is wederom God drieëenig, die het werk der herschepping, na het ontworpen te hebben, ook tot stand brengt. Het is niet zoo, dat God eerst zijn verbond met Adam en Noach, met Abraham en Israel opricht en eindelijk eerst met Christus. Maar het verbond der genade ligt van eeuwigheid gereed in het pactum salutis der drie personen en wordt van stonde aan na den val door hen gerealiseerd. Christus begint niet eerst te werken met en na zijne vleeschwording, en de H. Geest vangt zijn arbeid niet eerst aan met zijne uitstorting op den Pinksterdag. Maar gelijk de schepping een trinitarisch werk is, zoo is ook de herschepping van het eerste oogenblik af een werk der drie personen geweest. Alle genade, die na den val der schepping toevloeit, komt haar toe uit den Vader door den Zoon in den H. Geest. De Zoon is terstond na den val opgetreden als de Middelaar, als de tweede en laatste Adam, die de plaats des eersten inneemt en herstelt en volbrengt, wat hij verdierf en naliet. En de H. Geest is terstond opgetreden als de Trooster, als de toepasser van het heil, door den Christus te verwerven. Alle verandering, ontwikkeling, vooruitgang in inzicht en kennis valt dus aan de zijde van het schepsel. In God is ere geen verandering noch schaduw van omkeering. De Vader is eeuwig Vader, en de Zoon eeuwig Middelaar, en de H. Geest eeuwig Trooster. Daarom is het O.T. ook te begrijpen als één in wezen en substantie met het N.T. Want, schoon God zijne openbaring successief en historisch meedeelt en rijker en voller maakt, en de menschheid dus in kennis, in bezit en genot der openbaring vooruitgaat, God is dezelfde en blijft dat. De zon verlicht het aardrijk langzamerhand, maar zij zelve is dezelfde, des morgens en des avonds, in den dag en den nacht. Al heeft Christus zijn werk eerst op aarde volbracht in het midden der historie en al is de H. Geest |207| eerst op den Pinksterdag uitgestort, God kon de weldaden, door hen te verwerven en toetepassen, toch ook ten volle uitdeelen in de dagen des O.T. De geloovigen des O.T. zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij. Er is één geloof, één Middelaar, één weg des heils, één verbond der genade. Cf. Schneckenburger, Verlg. Darst. II 135 f. Dr. Vos, De Verbondsleer in de Geref. Theol. Grandrapids 1891.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001