Gereformeerde Dogmatiek

door Dr. H. Bavinck

Vierde deel

Kampen (J.H. Bos) 1901

a



Inhoud.

IX. Over de Kerk

§ 47. Het wezen der Kerk.

1. De gemeenschap dergenen, die Christus en zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van de kerk, die hare analogieŽn bij de heidensche godsdiensten vindt en in het O. Test. voorbereid werd,

2. maar in eigenlijken zin toch eerst in de dagen des N.T. werd gesticht.

3. Na den apostolischen tijd ontwikkelde zij zich spoedig tot een katholiek, zichtbaar, onfeilbaar, hierarchisch heilsinstituut,

4. zoodat reformatie dringend noodig was. Luther, Zwingli en Calvijn brachten deze, ieder op eigene wijze tot stand,

5. maar ter linker- en rechterzijde werd door rationalisme en mysticisme het kerkbegrip vervalscht, zoodat het ook thans nog, trots vele pogingen tot herstel, aan groote verwarring lijdt.

6. De naam, dien de kerk draagt, duidt haar reeds aan als eene vergadering van Christgeloovigen, en de Schrift stelt dit op allerlei wijze, onder allerlei beelden, vooral ook door wat zij zegt aangaande de gemeenschap der heiligen, in het helderste licht.

7. Als zoodanig kan zij in ruimer en enger zin genomen worden (ecclesia generalis, triumphans, militans, universalis, nationalis, particularis). Maar nooit sluit zij naar haar idee de ongeloovigen in, al zijn dezen ook op aarde steeds in de kerk aanwezig.

8. Ook is zij niet als eene vergadering van praedestinati, perfecti, communicantes, vocati, baptizati te omschrijven, maar als eene vergadering van geloovigen, welke zoowel eene zichtbare als eene onzichtbare zijde heeft. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn dus geen twee kerken, zijn niet aan den kring van ongeloovigen en geloovigen in de kerk, noch aan de kerk als instituut en als organisme gelijk, maar zijn twee zijden van dezelfde kerk.

9. Kenteekenen der kerk zijn niet de 15 notae, welke Bellarminus opgeeft,

10. maar het Woord Gods, dat in prediking, sacrament, belijdenis, leven bediend en beleden, en ten onrechte van Roomsche zijde verworpen wordt.

11. Want al is met dit kenteeken de mogelijkheid van groote scheuring en verdeeldheid der kerken gegeven, ook Rome kan deze niet verhoeden, en de pluriformiteit der kerk sluit, hoe zondig en smartelijk eenerzijds ook, toch ter anderer zijde een zegen in.

12. Daarmede in overeenstemming hebben de eigenschappen der kerk, eenheid, heiligheid, katholiciteit, apostoliciteit, onvergankelijkheid en onfeilbaarheid bij ons een anderen zin dan bij Rome.


§ 48. De regeering der Kerk.

1. De kerk is zonder regeering niet denkbaar en heeft daarom ook altijd eene regeering gehad. Zij was altijd tegelijk instituut en organisme,

2. zoowel in het O. als in het N. Test. Het apostolaat is vooral een sterk bewijs voor het institutair karakter der kerk; en bij dit ambt kwam nog dat van de evangelisten en profeten, terwijl Petrus onder de apostelen de primus inter pares was,

3. en later dan van regeer- en leeroudsten en van diakenen.

4. Deze aristocratisch-presbyterale kerkregeering ging na den apostolischen tijd spoedig over in eene monarchisch-episcopale, die nog in vele kerken heerscht, en bij Rome in eene papale kerkregeering, die in de onfeilbaarverklaring van den paus hare consequentie trok.

5. Beide deze vormen van kerkregeering zijn echter met de leer der H.S. over de verhouding van clerus en leeken, over het episcopaat, over het apostolaat, over Petrus’ primaat, en voorts ook met de oudste getuigenissen der kerk in strijd.

6. De oppositie tegen de Roomsche hierarchie bracht velen tot verwerping van alle regeering der kerk, maar ook dit weerspreekt de Schrift, die der kerk een eigen regeering toeschrijft. Vandaar dat de Gereformeerden deze hebben gehandhaafd in hare onderscheidenheid van de politieke macht.

7. Immers is Christus het eenige hoofd der gemeente, zoowel van de plaatselijke als van alle kerken saam. Hij stort er zijne gaven in uit, zalft allen tot profeten, priesters en koningen,

8. en stelt voorts verschillende ambten in, die niet het orgaan der gemeente zijn, maar hun gezag aan Christus ontleenen, en die in den weg van vocatie, examinatie en ordinatie verkregen worden.

9. Deze ambten zijn in de kerk wel willekeurig vermeerderd en van karakter veranderd, maar zijn twee, resp. drie in getal (leer- en regeerouderlingen en diakenen).


§ 49. De macht der Kerk.

1. De kerk is, evenals de staat, eerst na de zonde ontstaan, en van den staat allengs duidelijker onderscheiden. Zelfs in Israel waren beide, schoon nauw vereenigd, niet ťťn,

2. en in het N.T. gaf Christus aan zijne kerk eene macht, die door haar geestelijk karakter van die der overheid wezenlijk verschilt.

3. Deze geestelijke macht der kerk ontaardde echter bij Rome in eene juridische, dwingende macht, die in tegenstelling met het Caesaropapisme der Grieksche kerk, alle terreinen des levens, ook dat van den staat, aan zich onderwerpt en dienstbaar maakt,

4. en in de plena et suprema potestas van den paus culmineert. Deze macht, bepaaldelijk de onfeilbaarheid van den paus, vindt echter niet alleen geen steun in de Schrift, maar is ook in zichzelve onbepaald, ongegrond, in strijd met het episcopaat en antichristelijk.

5. De Reformatie verwierp daarom eenparig deze macht, maar ging weer uiteen, inzoover Luther en Calvijn anders oordeelden over de biecht, over presbyteraat en tucht, over de verhouding van de kerkelijke en wereldlijke macht. De onderscheiding deze beide laatste machten ging in de eeuwen na de Hervorming hoe langer hoe meer in eene, althans relatieve, scheiding over.

6. Nu is het echter voor geen twijfel vatbaar, dat Christus aan zijne kerk eene macht heeft geschonken, die een eigen oorsprong, orgaan, natuur en doel heeft, en door Romanisme en Anabaptisme evenzeer wordt miskend. Deze macht der kerk is drieŽrlei,

7. n.l. ten eerste potestas docendi, dat is, de macht, om het woord Gods te prediken, uit te leggen, te verdedigen, te belijden,

8. ten tweede potestas gubernationis, dat is, de macht om de gemeente te regeeren

9. en de tucht uit te oefenen,

10. en den derde potestas misericordiae, dat is, de macht om barmhartigheid te bewijzen aan de ellendigen.

11. Deze macht komt in de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad en voor meerdere kerken in de meerdere vergaderingen, die reeds van oude dagteekening en voor den welstand der kerken noodig en goed zijn.

12. Met deze macht staat de kerk in de wereld zelfstandig en vrij, maar haar dienende met de goederen, welke Christus haar schenkt.


X. Over de Middelen der Genade.

§ 50. Het Woord.

1. Bij de uitdeeling zijner genade bedient Christus zich van middelen, die door mysticisme en rationalisme ten onrechte miskend, door Rome verkeerdelijk in absoluten zin opgevat, maar door de Hervorming, bepaaldelijk door Calvijn in hun rechte waarde hersteld werden.

2. Tot deze genademiddelen behoort in de eerste plaats het woord Gods, dat ook buiten de ambtelijke bediening werkt,

3. en als genademiddel in wet en evangelie te onderscheiden is.

4. Deze onderscheiding is echter geen onverzoenlijke tegenstelling, gelijk het antinomisme leert, en evenmin eene wezenlijke identiteit, gelijk het nomisme wil, want beide verschillen principieel maar gaan toch in de prediking steeds samen.

5. En evenzoo is het woord als genademiddel noch van de werking des Geestes te scheiden noch ook met deze te vereenzelvigen. De H. Geest werkt niet sine verbo noch per verbum maar cum verbo.


§ 51. De Sacramenten.

1. Het tweede genademiddel is het sacrament. De naam komt in de Schrift niet voor, was eerst voor allerlei kerkelijke handelingen en plechtigheden gebruikelijk en werd eerst in de Middeleeuwen tot een zevental ceremoniŽn beperkt. Ook de leer der sacramenten werd eerst door de scholastiek uitgewerkt en vertoonde hoe langer hoe grootere afwijking van de Schrift.

2. Rome toch verstaat onder de genade, door het sacrament medegedeeld, alleen de gratia sanctificans, en maakt het sacrament los van het woord en evenzoo van het geloof. De Hervorming verwierp deze dwalingen maar droeg toch in de personen van Luther, Zwingli en Calvijn eene verschillende opvatting voor, die de kerken verdeelde en, trots de verzwakking van de beteekenis der sacramenten door mysticisme en rationalisme, nog heden ten dage kerk en theologie uiteen doet gaan.

3. Ofschoon de naam van sacrament in de Schrift niet voorkomt, is hij daarom nog niet te verwerpen. En ook is de behandeling van de algemeene leer der sacramenten vůůr die van doop en avondmaal niet af te keuren, wijl daardoor het verschil in opvatting duidelijk aan het licht treedt en de dwaling gemakkelijk ingezien wordt. Volgens de Schrift zijn de sacramenten teekenen en zegelen van Gods genade en tevens belijdenissen des geloofs.

4. Als zichtbare teekenen en zegelen duiden zij aan en bevestigen zij de onzichtbare genade, door God in Christus geschonken dat is, dezelfde genade, welke ook in het woord wordt aangeboden, zij het ook op andere wijze.

5. Het verband tusschen teeken en beteekende zaak is niet physisch, corporeel, locaal, maar een verband van relatie, dat door het woord der instelling tot stand komt, en, schoon van geestelijken aard, toch niettemin objectief en reŽel is.

6. Daarom werken de sacramenten ook niet ex opere operato maar onderstellen bij den ontvanger het geloof, hetgeen aan hunne objectiviteit geen afbreuk doet en hunne waarde ongeschonden laat.

7. Het getal der sacramenten bedraagt niet zeven, maar slechts twee, doch deze twee wegen in waarde tegen het zevental van Rome op.


§ 52. De Doop.

1. In het O.T. door de besnijdenis voorbereid, werd de doop op Goddelijken last het eerst door Johannes aan de Joden bediend.

2. Deze doop van Johannes verschilt niet wezenlijk van den christelijken doop, maar werd door Jezus overgenomen en vůůr zijne hemelvaart tot alle volken uitgebreid, tot teeken en zegel van de vergeving der zonden en van de inlijving in Christus en zijne gemeente.

3. Na den tijd der apostelen werd hij reeds spoedig met de trinitarische formule bediend, als een mysterium der inwijding opgevat, met allerlei ceremoniŽn omgeven en steeds meer magisch in zijne werking voorgesteld. Volgens Rome schenkt hij door de innige verbinding van teeken en beteekende zaak ex opere operato, behalve een character indelebilis, de heiligmakende genade, die van alle schuld, straf en smet der zonde bevrijdt.

4. De Lutherschen leerden eene soortgelijke nauwe vereeniging van het water des doops met de Goddelijke genade, en lieten althans bij kinderen de wedergeboorte tot stand komen door den doop, maar de Gereformeerden hielden staande, dat de doop, als een sacrament, ook bij kinderen het geloof onderstelde en rustte op den grondslag van het genadeverbond. Maar dit verbond werd steeds meer veruitwendigd; en rationalisme en mysticisme miskenden de waarde van den doop zoozeer, dat in den nieuweren tijd verschillende pogingen tot handhaving van het objectief karakter van den doop beproefd zijn.

5. De Schrift spreekt alleen van den doop van volwassenen, en leert duidelijk, dat hij alleen voor geloovigen ingesteld is en na belijdenis mag bediend worden. Het teeken in den doop is water, waarin de doopeling ondergedompeld of waarmede hij besprengd wordt.

6. Dit water wordt tot een sacrament door het woord der instelling, dat in de Schrift niet als eene formule bedoeld maar toch in de kerk weldra zoo toegepast is, en tusschen teeken en beteekende zaak wel eene reŽele maar geen physische en locale vereeniging tot stand brengt. De weldaden van den doop zijn in hoofdzaak vergeving en wedergeboorte.

7. Tot hen die recht hebben op den doop, behooren ook de kinderen der geloovigen. Dit recht werd tegenover de bestrijders van den kinderdoop op verschillende wijze betoogd,

8. en rust op vele schriftuurlijke gronden.

9. Bedienaar van den doop is Christus, die daarbij van menschen, bepaaldelijk van de leeraars gebruik maakt; hem bedienen laat in de openbare vergadering der gemeente; op onbepaalde tijden; in geval van den kinderdoop, in tegenwoordigheid der ouders; aan alle personen, die nog gerekend kunnen worden te behooren binnen den kring des verbonds.


§ 53. Het Avondmaal.

1. Het tweede sacrament is het avondmaal, dat in het O.T. door het pascha afgebeeld en voorbereid,

2. en in het N.T. door Christus ingesteld werd, tot een teeken en zegel van de gemeenschap aan zijne offerande op het kruis.

3. Dit avondmaal was spoedig het middelpunt van den christelijken cultus en werd allengs, vooral sedert de scholastiek, opgevat als eene onbloedige offerande van het lichaam en bloed van Christus, waaraan de communie ondergeschikt is.

4. De Reformatie verwierp deze Roomsche leer wel eenparig, maar liep in de positieve uiteenzetting van de leer des avondmaals ver uiteen. Luther, Zwingli, Calvijn droegen elk een eigen opvatting voor, die, na hen gewijzigd en verlaten, toch tot den huidigen dag voortbestaan.

5. De namen voor het avondmaal zijn zeer vele in aantal, maar de beste is die van heilig avondmaal of maaltijd des Heeren, wijl het een wezenlijke maaltijd is met Christus als gastheer, de leeraars als zijne dienaren, met brood en wijn tot spijze en drank, in den eersten tijd met een gewonen maaltijd verbonden, aan eene tafel en niet op een altaar te vieren.

6. Maar deze maaltijd heeft een geestelijke beteekenis, is niet bloot een gedachtenismaal of een belijdenisacte, doch eene gemeenschapsoefening door het geloof met den gekruisten Christus. Wel is Christus niet physisch en locaal in de teekenen aanwezig, want trans- en consubstantiatie zijn beide om vele schriftuurlijke en natuurlijke redenen uitgesloten.

7. Maar desniettemin is die gemeenschap met Christus in het avondmaal objectief en reŽel, zoo echter, dat zij van de zijde des ontvangers het geloof onderstelt en juist daardoor als gemeenschap aan den persoon en aan de weldaden van Christus, versterkt wordt.

8. Evenals de doop, is ook dit avondmaal alleen voor de gemeente ingesteld, en wel voor gedoopte en levende geloovigen, die belijdenis van hun geloof hebben afgelegd en niet door de kerk om leer of leven zijn geweerd.


XI. Over de Laatste Dingen.

§ 54. De tusschentoestand.

1. Alle godsdiensten bevatten eene zekere eschatologie en leeren bepaaldelijk de onsterfelijkheid der ziel; en de philosophie nam menigmaal dit laatste leerstuk over.

2. De bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel bijgebracht, hebben tegenover het ongeloof geen dwingende kracht maar zijn toch als getuigenissen en rechtvaardigingen des geloofs belangrijk.

3. De Schrift bevat ook wel reeds in het O.T. de leer der onsterfelijkheid, gelijk hare voorstelling van den Scheol duidelijk bewijst, maar zij voegt daaraan de veel rijkere openbaring toe, dat het waarachtige leven alleen verkregen en genoten wordt in de gemeenschap met god, die over dood en graf triumpheert.

4. De latere Joodsche literatuur liet aan deze openbaring geen recht wedervaren, maar het N. Test. doet nog beter dan het O. Test. uitkomen, dat de dood eene straf der zonde is, dat de geloovigen door Christus een leven deelachtig worden, hetwelk verre boven den dood is verheven, en dat zij, ofschoon na het sterven in zekeren zin tot het doodenrijk behoorend, toch terstond in een anderen toestand intreden dan de ongeloovigen.

5. De christelijke kerk bleeft eerst bij deze weinige gegevens der Schrift over den tusschentoestand staan, maar wijdde er meer aandacht aan, naarmate de wederkomst van Christus toefde, en kwam allengs tot het aannemen van vijf receptacula aan de overzijde des grafs, onder welke vooral het vagevuur voor den tusschentoestand van beteekenis is.

6. De Reformatie verwierp deze leer, maar zag spoedig allerlei meeningen over den tusschentoestand opkomen, zooals die van een voorloopigen toestand, van een purgatorium, van een zieleslaap, van eene zekere lichamelijkheid der zielen, van zielsverhuizing en voortgaande loutering, van limbus patrum, limbus infantium en mogelijke bekeering na den dood.

7. De Schrift bevat weinig over den tusschentoestand, omdat zij, schoon de onsterfelijkheid der ziel aannemende, vooral het nieuwe leven wil doen kennen, dat Christus aan het licht heeft gebracht en zonder hetwelk het menschelijk leven hier reeds op aarde en vooral hiernamaals in den Scheol zijn inhoud en waarde verliest.

8. De leemten, welke de Schrift in onze voorstelling van den tusschentoestand openlaat, mogen niet aangevuld worden met menschelijke gissingen, zooals de zieleslaap,

9. de lichamelijkheid der zielen na den dood,

10. het blijvend verkeer der dooden met de levenden, dat dan misoffer, voorbede, heiligenvereering, doodenbezwering en reliquiŽncultus medebrengt.

11. Van de plaats van den tusschentoestand is weinig te zeggen, maar zeker is, dat er terstond bij den dood een verschillende toestand intreedt voor geloovigen en ongeloovigen, waarin geene verandering door bekeering, gelijk velen thans meenen, meer mogelijk is.

12. Ook is de toestand der gestorven geloovigen niet als een vagevuur te denken, want zij komen naar de leer der Schrift terstond na den dood in den hemel bij Christus. Ofschoon er dus van eene vereering der heiligen en van eene voorbede voor de afgestorvenen geen sprake kan zijn,

13. blijft er toch eene gemeenschap der triumfeerende met de strijdende kerk bestaan. Ook de zaligen in den hemel zij niet zonder ons volmaakt; zij zien verlangend uit naar de parousie van Christus, en zijn ook niet boven alle ruimte, tijd en werkzaamheid verheven.


§ 55. De wederkomst van Christus.

1. Gelijk er een einde komt aan het leven van den enkelen mensch, zoo ook aan dat van menschheid en wereld. De wetenschap bevestigt dat,

2. de godsdiensten koesteren algemeen deze verwachting, en de Oudtest. profetie verkondigt aan het einde van deze bedeeling de oprichting van het Messiaansche rijk, dat, rijk aan geestelijke en stoffelijke zegeningen, tot de einden der aarde zich uitbreiden zal.

3. Het O.T. beschrijft in dit Messiaansche rijk geen tusschenperiode maar een eindtoestand, doch de latere Joodsche litteratuur ging tusschen een voorafgaand Messiasrijk en een daarna volgend Godsrijk onderscheid maken en deed zoo de leer van het chiliasme opkomen, welke ook door vele Christenen, vooral in tijden van vervolging en druk, werd overgenomen.

4. Ofschoon in sommige hoofdzaken overeenstemmend, zijn de Chiliasten onderling toch zeer met elkander in strijd en maken zij zich allen bij de uitlegging der Schrift aan groote willekeur schuldig.

5. Reeds het O. Test. doet zelf van de profetie eene betere verklaring aan de hand, dan het chiliasme ons biedt, en het N. Test. beschouwt zich als de geestelijke en dus waarachtige vervulling van het O. Test.

6. Maar niet alleen is het chiliasme met deze hoofdgedachte der Schrift in strijd, doch voorts, ook met vele andere gegevens, vooral met de doorloopende verwachting des N.T. aangaande het Joodsche volk,

7. die door enkele plaatsen, vooral Rom. 11 : 11-32, niet weersproken wordt.

8. Voorts verwacht het N.T. nergens een staat van heerlijkheid en eere voor de gemeente van Christus in deze bedeeling, maar veeler toenemende vervolging en druk, waaraan eerst de eenige wederkomst van Christus een einde maakt.

9. Wel is er in Op. 20 van eene duizendjarige binding van Satan sprake. Maar dit hoofdstuk bevat eigenlijk niets van al wat aan het chiliasme wezenlijk eigen is, evenmin als andere plaatsen der Schrift.

10. En de gebeurtenissen, in Op. 20 verhaald, vallen niet chronologisch na die der vorige capita, maar loopen daarmede parallel. Zij bedoelen, het einde ons te schetsen van de cultuurlooze volken, gelijk de vorige hoofdstukken dat deden ten aanzien van die natiŽn, in wier midden het evangelie gepredikt is en dus de anti-christelijke macht zich ontwikkelen kan.

11. Aan de wereldgeschiedenis maakt dus Christus, wien als Zoon des menschen het oordeel gegeven is, door zijn tweede komst een einde.

12. De tijd dier wederkomst is in het N.T. niet bepaald, al nemen hare voorteekenen reeds met den val van Jeruzalem een aanvang. En even sober is de Schrift in de beschrijving van de wijze, waarop die wederkomst plaats heeft.


§ 56. De voleinding der eeuwen.

1. Met de wederkomst van Christus begint de Dag des Heeren, welks duur niet te bepalen is. De eerste gebeurtenis, die daarop plaats grijpt, is de opstanding der dooden,

2. waarbij de identiteit van het opstandingslichaam

3. met het gestorven lichaam bewaard blijft.

4. Dan volgt het gericht, dat over alle menschen en engelen en over al hun gedachten, woorden en daden zich uitstrekt.

5. De plaats, waarheen de goddeloozen verwezen worden en eeuwige straffen lijden, is de gehenna. De eeuwigheid der helsche straf is wel menigmaal op allerlei gronden bestreden en beurtelings door de leer van het hypothetisch universalisme, van de wederherstelling aller dingen of van de conditioneele onsterfelijkheid vervangen.

6. Maar zij is in de Schrift vervat, en door de natuur der zonde en de Goddelijke gerechtigheid geeischt, ofschoon zij zeer verschillende graden in hare toepassing niet uitsluit.

7. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld, welke in geen vernietiging van hare substantie maar in eene herschepping van hare forma bestaat.

8. Deze vernieuwing der wereld bewijst, dat de zaligheid niet uitsluitend als eene hemelsche maar ook als eene aardsche te denken is,

9. en niet alleen geestelijke maar ook stoffelijke zegeningen omvat, welke beide hier wel aanvangen doch eerst in de eeuwigheid worden voltooid. De gemeenschap met God, die het wezen der toekomstige zaligheid is en met verstand en wil beide genoten wordt,

10. wordt verhoogd door de gemeenschap der heiligen, wier getal, ook al omvat het niet alle menschen en al is er over de zaligheid van Heidenen en jongstervende kinderen weinig te zeggen, toch eene schare zal vormen, die niemand tellen kan,

11. en die zelve allerlei verscheidenheid van persoonlijkheid, gaven, loon en werkzaamheid insluit.




a. De tekst van de uitgebreide inhoudsopgave is afkomstig uit deel IV, 549-556.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004