7. De laatste, hier te bespreken straf der zonde bestaat daarin, dat de wereld in ethischen zin in de macht van Satan en zijne engelen gekomen is. Sedert Satan den mensch verleid en ten val heeft gebracht, Joh. 8 : 44, 2 Cor. 11 : 3, 1 Tim. 2 : 14, Op. 12 : 9, 14, 15, 20 : 2, 10, is de wereld in zijne macht en ligt in den booze, 1 Joh. 5 : 19, hij is de overste der wereld en de god dezer eeuw, Joh. 12 : 31, 16 : 11, 2 Cor. 4 : 4. Al is het ook, dat de duivelen na hun val in de hel geworpen zijn om tot het oordeel bewaard te worden, 2 Petr. 2 : 4, Jud. 6; zij zijn toch nog niet door dat oordeel getroffen, Mt. 8 : 29, Luk. 8 : 31, Jak. 2 : 19. Zij komen nog in de vergadering der engelen, Job 1, Luk. 10 : 18, Op. 12 : 7, houden zich op in de lucht, Ef. 2 : 2, 6 : 12, zwerven rond, wonen en werken op deze aarde, en hebben hier groote macht. Vooral de Heidenwereld is het gebied hunner werkzaamheid, Hd. 16 : 16, 26 : 18, Ef. 2 : 2, 6 : 12, Col. 1 : 13, 1 Cor. 10 : 20, 8 : 5, Op. 9 : 20; maar toen Christus op aarde kwam, hebben zij ook binnen de grenzen van het volk Gods den strijd tegen Hem aangebonden. Satan heerschte en werkte in de Christus vijandige Joden, Joh. 8 : 44v., |180| verzocht Jezus, Mt. 4 : 1-11 zond onreine geesten, voer in Judas, Luk. 22 : 3, Joh. 6 : 70, 13 : 2, 27 enz.; het was toen zijne ure, Luk. 22 : 53, Joh. 14: 30. Maar Christus was de sterkere, Luk. 11 : 22, streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4 : 13, overwon hem en wierp hem buiten, Luk. 10 : 18, Joh. 14 : 30, 12 : 31, 16 : 11, Col. 2 : 15, Hebr. 2 : 14, Joh. 3 : 8, en onttrekt in beginsel het gebied der gemeente aan zijne heerschappij, Hd. 26 : 18, Col. 1 : 13, 1 Joh. 2 : 13, 4 : 4, Op. 12 : 11. Toch werkt hij nog altijd van buiten af in de gemeente in; hij zwerft rond over de aarde, Job 1, verzoekt de geloovigen en werkt hun tegen, Luk. 22 : 31, 1 Cor. 12 : 7, 1 Thess. 20 : 18, tracht hen te verleiden en ten val te brengen, 1 Cor. 7 : 5, 2 Cor. 2 : 10, 11 : 3, 13-15, 1 Petr. 5 : 8, 1 Thess. 3 : 5, Op. 12 : 10, zoodat de gemeente geroepen is voortdurend tegen hem te strijden, Mt. 6 : 13, Ef. 6 : 12v., Rom. 16 : 20, 1 Petr. 5 : 9, Jak. 4: 7, Op. 12 : 11. Eens aan het einde der dagen verheft hij zich nog eenmaal in al zijne kracht, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21, 2 Thess, 2 : 1-12, Op. 12v.; maar dan zal hij ook door Christus overwonnen en met al zijne engelen in den poel des vuurs geworpen worden, 2 Thess. 2 : 8, 1 Cor. 15 : 21, Op. 20 : 10, cf. Litt. boven bl. 91.

Het geloof aan booze geesten komt bij alle volken en in alle godsdiensten voor. Soms heeft de vrees voor de booze geesten het vertrouwen op de goede schier geheel verdrongen, Roskoff, Gesch. des Teufels 1869 I 20. En in bijna alle heidensche godsdiensten wordt het physisch kwaad aan een of meer geestelijke wezens toegeschreven, die in natuur en rang met de goede goden, gelijk staan, ib. 24-175. De Schrift leert echter anders, en het Christendom heeft in den eersten tijd op allerlei wijze het joodsche, en heidensche bijgeloof bedwongen en tegengegaan; kerk en staat, maakten allerlei bepalingen tegen tooverij, waarzegging enz., en, pasten toch op hen, die zich daaraan schuldig maakten, tot de dertiende eeuw niet anders dan disciplinaire straffen toe, ib. I 287. 293. Zelfs toen men later tot de doodstraf de toevlucht nam, had men daarmede toch eigenlijk de uitroeiing der heidensche superstitie op het oog. Het gaat daarom niet aan, christelijke religie en kerk zonder meer aansprakelijk te stellen vooral het bijgeloof, dat ook onder de Christenen, en voornamelijk van de 13e tot de 18e eeuw, heeft geheerscht. Er werkten daartoe |181| allerlei oorzaken mede, de ellendige toestanden in staat en maatschappij, de schrikkelijke bezoekingen van hongersnood en pest, de grove onkunde van het volk, de gebrekkige kennis van de natuur, de magische, kabbalistische richting onder de beoefenaren der natuurwetenschap enz., ib. II 314 f. Toch gaat de kerk in dezen niet vrij uit. Menigmaal nam zij in theorie en practijk het heidensche bijgeloof over. Reeds bij de kerkvaders komt dat uit. Gelijk ieder mensch zijn beschermengel heeft, zoo heeft bij ook zijn daemon. Buiten het Christendom heeft de duivel schier onbeperkte heerschappij. De verlossing in Christus is in de eerste plaats eene bevrijding van den duivel. Alle physisch kwaad in de wereld, ziekte, misgewas, hongersnood, pest, dood wordt aan Satan toegeschreven. Hij is de onzichtbare oorzaak van alle afgoderij, magie, astrologie, ketterij, ongeloof; de superstitie rust op eene daemonische realiteit. Toen de veelszins oppervlakkige bekeeringen der volken van Europa onder christelijk vernis allerlei heidensche leeringen en practijken deden voortleven, kwam in de Middeleeuwen daar nog bij het geloof, dat de duivel in allerlei gedaanten, van kater, kat, muis, bok, zwijn, weerwolf, verschijnen, allerlei ongedierte scheppen, als incubus of succubus aan hoererij zich schuldig maken, menschen tot een met bloed bezegeld verbond overhalen, hen beheksen, in hen varen, met hen door de lucht rijden, hen in dieren veranderen, en ook in de natuur allerlei onheil aanrichten kon. Rome heeft de daemonische realiteit van dit bijgeloof steeds in bescherming genomen, niet alleen in de Middeleeuwen (bul van Innocentius VIII 1484. Malleus maleficarum 1487), maar ook na de Hervorming tot op den huidigen dag toe; in de Roomsche theologie, b.v. van Suarez, Vasquez, Lessius, Liguori, Görres, e.a., neemt het geloof aan de macht des duivels eene buitengewoon breede plaats in, cf. Graf Paul von Hoensbroech, Religion oder Aberglaube, Berlin Walther 1897 S. 56 f.; en hoezeer het bijgeloof onder de Roomsche Christenen in de practijk voortleeft, is nog onlangs in de beruchte geschiedenis van Leo Taxil op droeve wijze aan het licht getreden, cf. H. Gerber, Leo Taxil’s Palladismusroman, 2 Th. Berlin 1897. Voor Rome valt al het bestaande in een lager, ongewijd en een hooger, gewijd terrein uiteen; op het eerste heerscht Satan met bijna onbeperkte macht, het tweede moet door kruisteeken, wijwater, bezweringen enz., voor zijn invloed en werking beveiligd worden, |182| De Harbe’s Verklaring der Kath. Geloofs- en zedeleer, bew. en verm. door B. Dankelman, Utrecht IV 1888 bl. 598v.; de Roomsche Christen ziet zich overal van den duivel bedreigd en moet allerlei maatregelen nemen, om hem te verjagen, Kolde, Die kirchl. Bruderschaften, Erlangen 1895 S. 47. Het is waar, dat het Protestantisme dit Roomsche en in den grond heidensche bijgeloof in den eersten tijd bijna geheel onaangetast heeft gelaten; heksengeloof en heksenprocessen werden door de Protestanten even sterk als door de Roomschen verdedigd en later door de Roomschen (Spina, Molitor, Loos, Tanner, von Spee) evengoed, als door de Protestanten (Weier 1563, Godelmann 1562, Reginald Scott 1584, van Dale 1685, Bekker 1691, Thomasius 1701) bestreden; op voorgang van Luther, kenden de Lutherschen eene zeer groote macht aan den duivel toe, leidden alle kwaad uit hem af en handhaafden het exorcisme, Köstlin, Luthers Theol. II 351 f. Müller, Symb. Bücher 477. 483. 771, cf. Roskoff, t.a.p. II 364 f. Philippi, Kirchl. Gl. III 341. Maar toch bracht de Reformatie, vooral in haar Calvinistische vertakking, in het duivelgeloof wel terdege eene belangrijke wijziging aan. Teruggaande tot de Schrift en bij hare gegevens blijvende staan, belijdende de volstrekte souvereiniteit Gods, kon zij in Satan en zijne engelen, hoe machtig ook, toch niet anders zien dan schepselen, die zonder Gods wil zich noch roeren noch bewegen kunnen. Rationalistisch was de Hervorming niet. Zij hield staande, dat er booze geesten waren, die op de menschen, vooral op hun verbeelding, inwerken en hen zelfs tot hun instrument verlagen konden. Maar deze macht van Satan over de menschheid was toch altijd aan Gods voorzienigheid onderworpen; zij was in de eerste plaats ethisch van aard en had in de zonde haar oorsprong; zij was bovendien binnen enge grenzen beperkt; niet Satan, maar God is de Schepper van het licht en de duisternis, van het goede en het kwade; ziekte en dood worden door Hem ons toegezonden, Jes. 45 : 7. Hebr. 2 : 7 zegt alleen, dat Satan het geweld des doods heeft, wijl hij door de zonde den dood in de wereld tot heerschappij heeft gebracht en dus menschenmoorder is van den beginne, Joh. 8 : 44. Ons leven en levenseinde is niet in Satans maar in Gods hand. Luk. 13 : 11, 16 en 2 Cor. 12 : 7 geven geen recht, om alle ziekte en kwaal aan Satan toe te schrijven. En voorts kan Satan niet scheppen |183| en iets uit niet voortbrengen, hij kan noch als incubus noch als succubus kinderen voortbrengen, hij kan geen menschen in dieren veranderen, ter dood brengen of in het leven terugroepen; hij kan niet onmiddelijk op verstand en wil inwerken, hij kan de substantie en de qualiteit der dingen niet veranderen enz., Voetius, Disp. I 906 sq., en voort Polanus, Synt. V c. 12. Zanchius, Op. III 167-216. Synopsis pur. theol. XII 36 sq. Turretinus, Theol. 191. VII qu. 5. Mastricht, Theol. III c. 8. Brahe, Aanm. over de vijf Walch. art. 1758 bl. 195v. Moor II 328. M. Vitringa II 117 sq.

Alleen door zulk een geloof, dat zich eng aansluit bij de H. Schrift, is het bijgeloof te overwinnen, hetwelk zoo diepe wortelen geslagen heeft in het menschelijk hart en trots alle zoogenaamde verstandelijke ontwikkeling telkens weer bovenkomt. Het rationalisme bestreed eerst de inwerking der booze geesten op de menschen en daarna hun bestaan; en het gevolg is geweest, dat wel het geloof aan de Schrift is prijsgegeven, maar niet het bijgeloof is uitgeroeid. Integendeel doet dit thans onder allerlei vormen van magnetisme, hypnotisme, telepathie, spiritisme, astrologie enz., juist in de kringen des ongeloofs zijn intrede; het occultisme, dat alle eeuwen door en bij alle volken gebloeid heeft, cf. Kiesewetter, Gesch. d. Occultismus, 3 Bde, Leipzig 1891, A. Lehmann, Aberglaube und Zauberei, Stuttgart 1898, telt ook in de laatste decennia dezer eeuw zijne aanhangers bij millioenen en wordt zelfs in kunst en wetenschap als de hoogste wijsheid verheerlijkt. Ook tegenover dit nieuwerwetsche bijgeloof is het dwaze Gods wijzer dan de menschen. Want niet alleen is er tegen het bestaan van gevallen geesten niets redelijks in te brengen, maar ook de mogelijkheid, dat zij menschen verleiden kunnen, kan op geen enkelen grond worden betwist. Gelijk menschen door woord en daad, door voorbeeld en gedrag op anderen invloed oefenen, zoo is er niets ongerijmds in de gedachte, dat ook van de gevallen geestenwereld eene verleidende macht uitgaat op der menschen verbeelding, verstand en wil. Er wordt hiertegen wel ingebracht, dat dan de mensch altijd zijne schuld op den duivel werpen kan; maar dit is ook het geval, als iemand door zijn medemensch verleid wordt; voorts geschiedt de verzoeking altijd in ethischen weg en heft de eigen schuld niet op; en in de kringen, waar aan het bestaan van |184| gevallen engelen geloofd wordt, is het schuldgevoel gewoonlijk niet zwakker, dan daar, waar hun bestaan wordt ontkend. Het geloof aan den duivel handhaaft tegelijk den ontzettenden ernst der zonde en de verlossingsvatbaarheid van den mensch; entweder ein Teufel ausserhalb der Menschheit oder Tausende von Teufeln in Menschengestalt, Weiss, Apol. d. Christ. II3 519. Er openbaart zich bij menschen soms zulk een woeste, welbewuste, opzettelijke haat tegen God en al het goddelijke, ib. 574-587; kinderen Gods, en onder hen niet de zwakste en de kleinste, maar de verst gevorderden, zulke, die vooraan staan in den strijd, die het nauwst leven in de gemeenschap met God, zij klagen menigmaal over zulke schrikkelijke verzoekingen en aanvechtingen, zij gewagen van zoo goddelooze gedachten en neigingen, die plotseling in hun hart opstijgen, dat het een voorrecht is, aan het bestaan van duivelen te mogen gelooven. Er zijn baqj tou satana, welke in de Schrift, in de historie der menschheid, in de worsteling der kerk van Christus, in de ervaring der geloovigen soms voor een oogenblik worden ontdekt. En daarbij bedenke men, dat de zondige macht een rijk vormt en in haar bestrijding van God en zijn rijk systematisch te werk gaat. Wie haar geheel kon overzien, zou zonder twijfel in de geschiedenis harer worsteling een plan van aanval en verdediging ontdekken. Daar is in het zondige leven van den enkelen mensch, maar veel meer nog in dat van gezinnen, geslachten, volken, menschheid door alle eeuwen heen eene welbewuste, planmatige bestrijding van God en al wat Godes is. En de leiding van dezen strijd rust bij hem, die in de Schrift de overste dezer wereld en de god dezer eeuw heet. Zoo is hij reeds terstond opgetreden bij de verleiding en den val van den eersten mensch. In het Heidendom heeft hij eene macht georganiseerd, die tegen alle ware religie, zedelijkheid, beschaving vijandig overstaat. Als Christus op aarde verscheen, heeft hij zijne macht tegen Hem geconcentreerd, niet alleen door Hem persoonlijk aan te vallen en rusteloos te vervolgen, maar ook door Hem van alle kant met daemonische krachten te omringen en alzoo zijn werk tegen te houden en af te breken. De daimonizomenoi in het N.T. waren geen gewone kranken, al komen ziekteverschijnselen, zooals doofheid, stomheid, epilepsie, krankzinnigheid enz., ook wel bij ben voor. Want zij worden telkens duidelijk van gewone zieken onderscheiden, |185| Mt. 4 : 24, 8 : 16, 10 : 1, Mk. 1 : 32, 3 : 15, Luk. 13 : 32. Het bijzondere bij de bezetenen is, dat uit hen een ander subject spreekt, dan zij zelven zijn, dat dat subject Jezus als den Zone Gods erkent, geheel vijandig tegenover Hem staat, en niet anders dan op zijn bevel den lijder verlaat, Mt. 1 : 34, 8 : 29, 31, Mk. 1 : 26, 3 : 11, Luk. 4 : 34, 41, 5 : 41, 8 : 2, 30, Hd. 16 : 17, 19 : 15. Deze obsessio nu, hoe ontzettend ook, is zoo weinig onmogelijk, dat wij in het hypnotisme, waarbij de eene mensch aan gedachte en wil van den ander onderworpen wordt, een anoloog verschijnsel zien optreden; dat er nog heden ten dage zulke gevallen van bezetenheid zich voordoen; en dat wie haar onmogelijk acht, ook alle inwerking van de ziel op het lichaam, en van God op den mensch en de wereld zou moeten ontkennen. Satan bootst alles na; God openbaart zich door theophanie (incarnatie), profetie, wonder; de daemonische caricatuur daarvan zijn obsessio, mantiek en magie, aan welke de Schrift daarom menigmaal realiteit toekent, Gen. 41 : 8, Ex. 7 : 12, 22, 8 : 7, 18, 19, Num. 22, Deut. 33 : 4, Jos. 24 : 10, 1 Sam. 6 : 2, 7, 28, 2 Chr. 33 : 6, Jes. 47 : 9-12, Jer. 39 : 13, Nah. 3 : 4, Dan. 1 : 20, 2 : 10, Hd. 8 : 9, 13 : 6-10, 16 : 16 enz., die zij ten stelligste afkeurt en verbiedt, Ex. 22 : 18, Lev. 20 : 27, Deut. 18 : 10, Jer. 27 : 9, 2 Chr. 33 : 6, Mich. 5 : 11, Gal. 5 : 20, maar die nog eens tegen het einde der dagen door Satan in al hare verleidende kracht zullen worden geopenbaard, 1 Thess. 2 : 18, 2 Thess. 2 : 8-11, Op. 9 : 1-11, 13 : 13-15, 19 : 20. Cf. behalve de reeds vroeger over de daemonologie genoemde litt., boven bl. 91, Ebrard, art. Dämonische in Herzog1. Joh. Weiss, in Herzog3. Delitzsch, Bibl. Psych.2 293. Hofmann, Schriftbew. I 445 f. Philippi, Kirchl. Gl. III2 334 f. Kahnis, Dogm. I 445 f. Beck, Vorles. über Chr. Gl. II 390 f. Weiss, Leben Jesu I 454 f. Justinus Kerner, Geschichten Besessener neuer Zeit, nebst Reflexionen von C.A. Eschenmayer über Besessensein und Zauber 1834, en daarbij Strauss, Charakteristiken und Kritiken 1830 S. 301. Demon Possession and allied themes, being an inductive study of phenomena of our own times, bij Rev. John L. Nevius D.D. for forty years a missionary to the Chinese. With an introduction bij Rev. F. F. Ellinwood D.D. 2 ed. New-York, Chieago and Toronto, Fleming H. Revell Company 1896. Hafner, Die Daemonischen im N.T. 1894. |186| Laehr, Die Daem. des N.T. Leipzig 1894. Zimmer, Sünde oder Krankheit, Leipzig 1894. J.A.H. van Dale, Bezetenheid en Krankzinnigheid, Heusden 1896. Florenz Chable, Die Wunder Jesu, Strassb. Theol. Stud. II 4. 1897 S. 45 f. Bodelschwingh, Die Mitarbeit der Kirche an der Pflege der Geisteskranken, 1896 S. 13 f. |187|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004