6. Dit lijden voleindt zich in die andere straf op de zonde, welke de dood heet. Velen zijn van meening, dat de Schrift, behalve op enkele plaatsen, den dood niet beschouwt als gevolg en straf der zonde. Wel is in Gen. 2 : 17 de plotselinge, terstond, intredende dood als straf op de zonde bedreigd, en deze wordt ook altijd als eene ramp en eene straf beschouwd. Maar de dood op zichzelf is veelmeer natuurlijk en is met het stoffelijk organisme van den mensch vanzelf gegeven, Gen. 3 : 19, 18 : 27, Job 4 : 19, Ps. 89 : 48v., 90 : 3, 103 : 14v., 146 : 4, Pred. 3 : 20, 12 : 7. Zoo oordeelden vroeger reeds de Pelagianen, Socinianen, Rationalisten en oordeelen thans nog vele theologen, zooals Schleiermacher, Chr. Gl. § 59 Zusatz. Lipsius, Dogm. § 414. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 308 f. Smend, Altt. Rel. 504. Marti, Gesch. d. israel. Rel. 193. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 233 f. Matthes, Theol. Tijdschr. 1890 bl. 239-254 enz. Er ligt in deze voorstelling eenige waarheid. In Gen. 2 : 17 is inderdaad niet de dood in het algemeen, maar bepaald de terstond na de overtreding intredende dood op de zonde bedreigd. Gen. 3 : 19 verhaalt daarom ook niet de volle uitvoering der bedreigde straf; maar wijzigt deze en stelt haar uit. Dientengevolge ziet het O.T. in den plotselingen, in den bloei der jaren intredenden dood juist eene straf voor de zonde, Gen. 6 : 3, Num. 16 : 29, 27 : 3, Ps. 90 : 7-10, gelijk ook de doodstraf zoo opgevat wordt. Deze beschouwing hangt samen met de toenmalige oeconomie des verbonds en met de paedagogie van het volk Israels. God verbond aan de onderhouding zijner geboden in de dagen des O.T. een lang en gelukkig leven en stelde op de overtreding allerlei straffen aan deze zijde des grafs. Zoo was het oog van de rechtvaardigen vooral op de lotsbedeeling van dit leven gericht en binnen den kring van het aardsche bestaan beperkt; slechts zelden drong het door tot de overzijde des grafs. Het onderscheid tusschen rechtvaardigen en goddeloozen lag daarom niet allereerst in den dood als zoodanig, want deze was voor allen gelijk, maar in de verschillende bedeeling van het lot, dat aan den dood voorafging. En als die bedeeling ook dikwerf zoo weinig verschilde, dan werd het onderscheid tusschen de rechtvaardigen en de goddeloozen gezocht in de onderscheidene bedoeling, die het lijden voor de eersten en de laatsten had, Deut. 8 : 2v, Hos. 2 : 5v. Jes. 1 : 25v., Jer. 4 : 3, 9 : 7, 31 : 18, |177| Klaagl. 3 : 27v., Ps. 119 : 67, 71, 75, Spr. 3 : 11v., Job 1 enz. De gerechtigheid Gods, die de zonden bezoekt, wordt voor het vrome Israel ook wederom principe van verlossing en heil, deel II 197v. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de dood zelf natuurlijk en noodzakelijk werd geacht. Immers sluit de beschouwing, dat de dood gevolg is van het stoffelijk organisme des menschen, geenszins uit, dat die dood straf is der zonde. Alleen daarom kan voor den mensch de straf der zonde in den dood bestaan, wijl hij stof is en uit de aarde genomen. Paulus leert evenzoo, dat Adam aardsch is uit de aarde en dat desniettemin de dood door de zonde in de wereld is gekomen. En alle Christenen spreken op dezelfde wijze; de mensch is stof, vleesch, vergankelijk, en toch is zijn dood gevolg der zonde. Voorts is er geen volk, dat de schrikkelijkheid en de onnatuurlijkheid des doods dieper heeft gevoeld dan Israel; de mensch is stof en moet tot stof wederkeeren, maar natuurlijk is dit niet, de zonde heeft de levenskracht der menschen allengs verzwakt, Henoch en Elia zijn den dood ontkomen, het is in strijd met de innerlijke natuur van den mensch, Job 14 : 1-12, rechtvaardigheid en leven zijn innig verbonden, Lev. 18 : 5, Deut. 4 : 1, 30 : 15, Jer. 21 : 8, Hab. 2 : 4, Ezech. 33 : 16, Ps. 36 : 10, Spr. 3 : 2, 18, 4 : 4, 13. 22, 8 : 35 enz., in de vergankelijkheid des levens wordt een gericht Gods openbaar, Ps. 90 : 7-12, cf. Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 1836. Schultz, Altt. Theol. 690 f. Oehler, Theol. d. A.T. § 77. In de apocriefe en joodsche litteratuur, Sir. 25 : 26, 39 : 29, 40 : 9, Henoch 69 : 11, Wijsh. 1 : 12v., 2 : 24, 4 Ezr. 3 : 7, Apoc. Bar. 23 : 4, Weber, System 238 f., en in het N.T., Joh. 8 : 44, Rom. 1 : 32, 5 : 12, 6 : 23, 1 Cor. 15 : 22, 55, 56, Hebr. 2 : 14, 1 Petr. 4 : 6, Jak. 1 : 15, 5 : 20, Op. 20 : 14, 21 : 4 enz., wordt dan duidelijk uitgesproken, dat de dood bezoldiging der zonde is. Allerminst bestaat er dus voor hen, die het N.T. steeds verheffen ten koste van het O.T., reden, om den samenhang van zonde en dood te loochenen. Toch geschiedt dit menigmaal op grond van getuigenissen der historie en uitspraken der natuurwetenschap. Er zijn n.l. velen, die alle vreeze des doods schijnen overwonnen te hebben en zeer kalm ontslapen; anderen maken door zelfmoord zelfs een einde aan het leven; Rousseau beweerde, dat de natuurmenschen allen in vrede en zonder vreeze sterven; Lessing meende, dat de ouden den dood hielden voor een broeder |178| van den slaap en er niets schrikwekkends in zagen; de romantiek dweepte menigmaal op sentimenteele wijze met den dood. En toch, al hebben enkelen in stoische apathie het zoover gebracht, dat zij den dood als een lot met kalmte tegemoet zien, vreeze des doods is al het levende aangeboren. Wij gelooven in den grond niet, dat wij sterven moeten. De dood speelt in het menschelijk leven zulk eene groote rol, dat de philosophie terecht eene meletj qanatou kan heeten, Schopenhauer, Die Welt I 324 f. II 528 f. De dood is voor den mensch altijd de laatste en grootste vijand geweest; allen erkennen in hem ten slotte eene onnatuurlijke macht en ontvluchten hem zoo lang mogelijk. Wel heeft de natuurwetenschap menigmaal den dood natuurlijk en noodzakelijk genoemd; Lauvergne zeide b.v., la mort de l’homme est une conséquence logique et naturelle de son être. Tout prend fin, dura lex sed lex, bij Delitzsch, Apol. 132, cf. ook H. Wagner, De dood toegelicht van het standpunt der natuurwet. Utrecht 1856. Maar zoo sprekende, heeft de wetenschap meer beweerd, dan zij verantwoorden kon. De dood is een mysterie in vollen zin. Volgens de natuurwetenschap zijn stof en kracht, en volgens Weismann en anderen zijn ook de ééncellige protozoën onsterfelijk. Waarom is dan sterfelijk het physisch organisme, dat uit zulke stoffen en krachten en cellen samengesteld is? Dat organisme wordt bovendien volgens de wetenschap bij een mensch alle zeven jaren vernieuwd; het wordt van dag tot dag gevoed en versterkt; waarom kan dit proces niet doorgaan en houdt het na enkele tientallen van jaren reeds op? Men spreke niet van ouderdom en verval van krachten, want dit zijn namen, die de verschijnselen wel aanduiden maar niet verklaren, en zelve juist verklaring van noode hebben. Wesbalb die Zellen sich abnutzen und dahinsiechen, weshalb sie im Alter Veränderungen unterliegen, von denen sie in der Jugend bewahrt bleiben, das ist uns bis jetzt noch verborgen, H. de Varigny, Wie stirbt man? Was ist der Tod? Uebers. von S. Wiarda, Minden z.j. 52. Vele planten en dieren voorts overtreffen den levensduur des menschen tot soms met honderden jaren toe; waarom is de levenskracht bij den mensch zoo spoedig uitgeput en brengt hij het hoogstens tot zeventig of tachtig jaren, als hij zeer sterk is? Daarbij komt nog, dat de dood door verval van krachten zoo goed als nooit voorkomt, noch bij menschen, noch bij planten en dieren. Bijna |179| altijd treedt de dood in tengevolge van een ziekte, een ramp, een ongeval enz.; zelfs als eene enkele maal een mensch zoogenaamd aan verval van krachten sterft, draagt de dood toch nog een pathologisch karakter en wordt hij door eene of andere storing van bepaalde cellen in het lichaam veroorzaakt. Wat is dan de reden, dat de dood bijna alle menschen wegneemt vóór den tijd en dikwerf zelfs in de kracht der jaren, in den bloei der jeugd, in de eerste uren van hun bestaan? De wetenschap kent de oorzaak niet, welke den dood tot eene noodwendigheid maakt, de Varigny 18. Dat de mensch sterft, zegt daarom Prof. Pruys van der Hoeven in zijne Studie der Christ. Anthropologie, is een raadsel, dat zich alleen verklaren laat door de ontaarding zijner natuur, bij Delitzsch, Apol. 126. Le mystère de la mort reste aussi intact que celui de la vie, Delage, La structure du protoplasma etc. 1895 p. 354. 771, en cf. voorts Sabatier, Le problème de la mort, 2 ed. 1896. Bourdeau, Le problème de la mort, ses solutions imaginaires et la science positive, 2 ed. Paris 1896. Newman Smyth, The place of death in evolution, London Unwin 1897.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004