§ 38. De verbreiding der zonde

1. De zonde, zoo schrikkelijk reeds in haar wezen, krijgt nog ernstiger karakter door de uitgebreidheid harer heerschappij. Ook buiten de bijzondere openbaring is de volstrekte algemeenheid der zonde erkend. De verschillende godsdiensten met hun priesters en altaren, hun offeranden en boetedoeningen zijn alle op de belijdenis der zonde gebouwd; dogma en cultus, gebed en lied, religie en philosophie vertolken soms op roerende wijze het algemeene zondebesef. HAnqrwpoisi gar toiv pasi koinon sti toÇxamartanein. Vitiis nemo sine nascitur. Communis hominum labes. Cf. Pfanner, Theol. gent. IX 7. Bretschneider, Dogm. II4 16. Lamennais, Essai sur l’indifférence III p. 393-408. Hettinger, Apol. d. Christ. III7 30. 412. Klaarder nog wordt deze algemeenheid der zonde in de H. Schrift uitgesproken, Gen. 6 : 5, 8 : 21, 1 Kon. 8 : 46, 2 Chr. 6 : 36, Job 4 : 17-21, 14 : 4, 25 : 4-6, Ps. 14 : 3, 53 : 2, 130 : 3, 143 : 2, Spr. 20 : 9, Pred. 7 : 20, Jes. 53 : 6, 58 : 1, 59 : 4, 12 enz., cf. Sir. 8 : 6, 25 : 26, Wijsh. 9 : 6, 13-18, 12 : 10, 11 enz. Jezus onderstelt haar, als Hij allen zonder onderscheid roept tot bekeering en den ingang in het koninkrijk Gods verbindt aan de wedergeboorte uit water en Geest, Mt. 4 : 17, Mk. 1 : 15, 6 : 12, Luk. 12 : 47, Joh. 3 : 3, 5. Wel spreekt Hij van gezonden en rechtvaardigen, Mt. 9 : 12, 13, Mk. 2 : 17, Luk. 5 : 31, 32, maar Hij doet dat, zonder over den aard dier gezondheid en rechtvaardigheid een oordeel te vellen, objectief, naar de meening dergenen, die hij alzoo beschrijft. Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere plaatsen genoegzaam; over de farizeërs roept Hij zijn wee uit, maar de vermoeiden en beladenen noodigt Hij tot zijne rust. Evenzoo leeren de apostelen, dat allen gezondigd hebben, dat de gansche wereld in het booze ligt en voor God verdoemelijk is, dat allen behoefte hebben aan de vergevende liefde des Vaders, |105| aan de verlossing door Christus, aan de vernieuwing des H. Geestes, Rom. 3 : 9-20, 23, 5 : 12, 11 : 32, 2 Cor. 5 :19, Gal. 3 : 22, 1 Joh. 1 : 8, 5 : 19. Voorts is naar de Schrift de zonde den mensch eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de ontvangenis afaan, Gen. 6 : 5, 8 : 21, Job 14 : 4, 13 : 26, Ps. 25 : 7, 51 : 7, 58 : 4, 103 : 14, Jes. 43 : 27, 48 : 8, 57 : 3, Ezech. 16 : 3, Hos. 5 : 7, Joh. 3 : 6, Rom. 7 : 7v., Ef. 2 : 3. David gaat in zijne schuldbelijdenis tot den diepsten grond zijner zondigheid terug, vindt die in de zonden zijner ouders en verklaart daaruit, dat hij ook zelf van zijne ontvangenis en geboorte afaan onrein voor God staat, Ps. 51 : 7. In Joh. 3 : 6 zegt Jezus, dat het vleesch, d.i. de mensch als zinnelijk wezen, alleen vleesch voortbrengen kan, dat een zoodanig mensch geen ingang heeft in het koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit den Geest behoeft, dat de mensch als zulk een zinnelijk wezen, als sarx, onrein en bedorven is van zijne geboorte af. En in Ef. 2 : 3 verklaart Paulus, dat Joden en Heidenen tekna fusei ìrgjv zijn; hij stelt zeer zeker fusei hier niet tegenover de dadelijke zonder, waar hij juist over spreekt, vs. 1-3, maar zegt, dat zij fusei kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu, nadat zij levend en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen zijner liefde zijn, en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun dood zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was, eene fusiv, die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2 : 14, 11 : 21, 2 : 15, 4 : 8. Voor het overige is het waar, dat de H. Schrift de algemeenheid der zonde en het tot in de ontvangenis teruggaande bederf des menschen veel meer onderstelt dan breedvoerig en herhaaldelijk beschrijft. De menschen zelven worden allerwege als zondaren geteekend; niet alleen het geslacht vóór den zondvloed en alle Heidenen en goddeloozen, maar ook het volk van Israel; en onder dat volk worden ook van de vromen vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job, David, Salomo enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar ze overtuigd zijn van het rechtvaardige hunner zaak, toch in ootmoedige schuldbelijdenis voor God nedervallen en om ontferming en vergeving smeeken, Ps. 6, 25, 32, 38, 51, 130, 143, Jes. 6 : 5, 53 : 4-6 enz. Het is het hart van den mensch, dat bedorven is, Gen. 6 : 5, 8 : 21, Ps. 14 : 1, Jer. 17 : 9, Ezech. 36 : 26, Mt. 15 : 19; daaruit zijn de uitgangen des levens, Spr. 4 : 23, |106| daaruit komen alle ongerechtiglieden en ook het onverstand voort, Mk. 7 : 22. Het verstand des menschen is verduisterd, Job 21 : 14, Jes. 1 : 3, Jer. 4 : 22, Joh. 1 : 5, Rom. 1 : 21, 22, 1 Cor. 1 : 18-28, 2 : 14, Ef. 4 : 18, 5 : 8; zijn ziel is schuldig en onrein en heeft verzoening en bekeering van noode, Lev. 17 : 11, Ps. 19 : 8, 41 : 5, Spr. 19 : 2, 15, Mt. 16 : 26, 1 Petr. 1 : 22; zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom verbroken, verlicht, gereinigd worden, Ps. 51 : 19, Spr. 16 : 18, 32, Pred. 7 : 9, Jes. 57 : 15, 66 : 2, 1 Cor. 7 : 34, 2 Cor. 7 : 1, 1 Thess. 5 : 23; zijn geweten is bevlekt en behoeft reiniging, Tit. 1 : 15, Hebr. 9 : 9, 14, 10 : 22 zijn begeerte, genegenheid en wil strekt zich uit naar het verbodene en is machteloos ten goede, Jer. 13 : 23, Job. 8 : 34, 36, Rom. 6 : 17, 8 : 7, 2 Cor. 3 : 5; en het lichaam, met al zijne leden, oogen, Deut. 29 : 4, Ps. 18 : 28, Jes. 35 : 5, 42 : 7; 2 Petr. 2 : 14, 1 Joh. 2 : 16, ooren, Deut. 29 : 4, Ps. 115 : 6, 135 : 17, Jes. 6 : 10, Jer. 5 : 21, Zach. 7 : 11, voeten, Ps. 38 : 17, Spr. 1 : 16, 4 : 27, 6 : 18, Jes. 59 : 7, Rom. 3 : 15, mond en tong, Job 27 : 4, Ps. 17 : 10, 12 : 4, 15 : 3, Jer. 9 : 3, 5, Rom. 3 : 14,: Joh 3 : 5-8 enz. staat in den dienst der ongerechtigheid. In één woord, de zonde zit niet aan en om maar in den mensch, en breidt over den ganschen mensch en over heel de menschheid zich uit, Schultz, Altt. Theol.4 670f. Van de plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worrden aangehaald, behoeft alleen Rom. 7 : 7-26 eenige nadere bespreking. Ten allen tijde hebben de Pelagianen zich op dezen pericoop beroepen ten bewijze, dat de nouv of het pneuma in den mensch vrij van zonde is gebleven en deze alleen zetelt in de sarx; in den nieuweren tijd is deze exegese bijna algemeen aangenomen. Augustinus echter in zijne latere periode en al zijne volgelingen zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche kerken, hebben steeds deze uitlegging weersproken en de verzen 14-25 verstaan, als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden gesproken, eene verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt door Delitzsch, Philippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit, Kohlbrugge, e.a., cf. Tholuck in zijn Comm. zum Brief an die Römer5, 1856 S. 333-369, en voorts Meyer, Philippi enz. De laatste exegese verdient om verschillende redenen de voorkeur. 1º Paulus betoogt in Rom. 7 : 2- 26, dat de wet, van welke de geloovige, door gestorven te zijn met Christus, ontslagen is, |107| zelve niet zondig is. En dat doet hij door aan te wijzen, dat zij den geloovige eerst tot kennis van zijne zonde en zijn dood gebracht heeft, 7-13 en dat zij nu nog de instemming heeft van zijnen inwendigen mensch, al is het ook, dat zijn vleesch zich tegen haar verzet, 14--26. In dit verband is het betoog, dat de wet nu nog de instemming van den geloovige heeft, al is hij ook van haar ontslagen, noodzakelijk. Want voor de stelling, dat de wet zelve heilig is, is het niet genoeg, dat de onwedergeborene, maar is het juist noodzakelijk, dat de wedergeborene haar goed keurt. En zoo spreekt Paulus dan ook van vers 14 af in den tegenwoordigen tijd, niet uit levendigheid van voorstelling, maar wijl hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en goedkeurt. Wijl de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van zijne zonde en dood, wijl hij in de gemeenschap met Christus, vs. 4, Gal. 2 : 19, 20 door de wet der wet is gestorven en van haar vloek is bevrijd, Gal. 3 : 13, daarom en daardoor heeft hij ze als heilig en rechtvaardig en goed leeren kennen, geeft hij haar getuigenis en bevestigt hij de wet door het geloof, Rom. 3 : 30. 2º Omdat Paulus naar den gang van zijn betoog de wet in haar heilig karakter wil eeren, werpt hij alle schuld op de zonde, die in hem woont, en maakt hij een scherp onderscheid tusschen het centrum en de peripherie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn wil, naar zijn inwendigen mensch heeft hij Gods wet lief, maar in zijne leden woont eene andere macht en eene andere wet, n.l. de zonde. Zulk een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens bij den onwedergeborene aangenomen. Bij dezen is er wel eene kennis van God en van de wet en ook een van nature doen van de dingen die der wet zijn, Rom. 1 : 19, 2 : 14, 15, d.i. dus een strijd tusschen rede en zinnelijkheid, geweten en lust, verstand en hart; maar een strijd tusschen vleesch en geest, gelijk Paulus dien hier teekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal. 5 : 17; alleen zij kunnen zeggen, de wet Gods lief te hebben, haar goed te keuren, haar te willen met heel hun hart. 3º Ofschoon Paulus als wedergeborene zichzelf nog noemt sarkinov, pepramenov Ãpo tjn ƒmartian, hij zegt daarmede toch niet, dat bij n sarki is, 8 : 8, 9 of kata sarka wandelt, 8 : 1, want hij noemt zich alleen zoo, wijl hij van wege de in zijne leden wonende zonde niet doen kan wat hij wil en dus door die wet der zonde in zijne leden gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig, wijl hij met het |108| vleesch de wet der zonde dient, dient hij toch met zijn nouv de wet Gods, vs. 26, en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8 nader uitgewerkt wordt. In Christus is bij rechtvaardig en wandelt hij naar den Geest. 4º Daarbij komt nog, dat, indien Rom. 7 : 14v. van den onwedergeborene ware te verstaan, de wedergeboorte zelve onnoodig, eene helpende genade voldoende zou wezen en heel de leer der Schrift over zonde en genade, over rechtvaardigmaking en heiligmaking, over geloof en bekeering omvergeworpen zou worden. Veeleer is Rom. 7 : 7-25 een sterk bewijs voor de algeheele bedorvenheid der menschelijke natuur; want indien de wedergeborene nog zoo heeft te klagen over de macht der zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel en al, zonder het te weten een dienstknecht der zonde, zijnde in het vleesch en wandelend naar het vleesch, en het bedenken van dat vleesch is vijandschap tegen God.

Deze algemeenheid der zonde wordt in Gen. 3 afgeleid uit den val van den eersten mensch. Wel staat dit er niet met even zooveel woorden; Gen. 3 let veel meer op de verandering in de omstandigheden, die tengevolge van den val intreedt (smart der vrouw, vervloeking van bet aardrijk, verdrijving uit den hof), dan op den zedelijken omkeer, die er bij Adam en bij zijne nakomelingen plaats greep. Maar toch verhaalt het, dat terstond na het bedreven kwaad schaamte en vrees zich van hen meester maakt, dat het schuldbewustzijn ontwaakt, dat zij wegvluchten van God. De straffen, Gen. 3 : 16v. uitgesproken, hebben niet alleen op Adam en Eva maar zonder twijfel ook op hunne nakomelingen betrekking, en deze straffen onderstellen naar heel de beschouwing des O.T. ook gemeenschappelijke schuld. Het eerste feit, dat na den val wordt bericht, is Kains broedermoord; de historie zelve wordt eene andere, ook zonder dat dit nader wordt gezegd, zij wordt eene geschiedenis van zonde, ellende en dood. De mensch is nu van nature boos, Gen. 6 : 5, 8 : 21. Evenzoo brengen de verdere O.T. Schriften de algemeenheid der zonde niet uitdrukkelijk met den val van den eersten mensch in verband. Zij blijven bij het feit van de algemeenheid der zonde staan of herleiden deze ook tot de vergankelijke, zinnelijke natuur van den mensch, Job 4 : 17v., 14 : 41, 15 : 14v., 25 : 4v., Ps. 78 : 38v., 103 : 13v., Mk. 14 : 38, Joh. 3 : 6, Rom. 6 : 7v. enz., cf. boven bl. 49v. Eerst Paulus is het, die in 1 Cor. 15 : 21v., Rom. 5 : 12v. |109| de algemeenheid der zonde uit Adams ongehoorzaamheid verklaart, cf. ook Wijsh. 1 : 13, 14, 2 : 23, 24, Apoc. Baruch 23 : 4, 54 : 15, 56 : 5, 9, 4 Ezra 7 : 68. In 1 Cor. 15 : 21v. zegt hij, dat de dood van alle menschen op dezelfde wijze zijn oorzaak heeft in den mensch Adam, als de opstanding uit de dooden in den mensch Christus. Er ligt hier duidelijk in, dat de dood van alle menschen niet eerst veroorzaakt is door hunne persoonlijke zonden, maar reeds over alle menschen uitgesproken en tot alle menschen doorgegaan is, enkel en alleen om de ongehoorzaamheid van Adam; op dezelfde wijze, als de opstanding niet door de persoonlijke goede werken, het geloof enz. van de geloovigen, maar uitsluitend door de gehoorzaamheid van Christus verdiend is. Niet in en door zichzelven maar in Adam sterven zij; en niet in en door zichzelven staan zij op maar alleen in Christus. Hoe en waarom die dood tot allen is doorgegaan, wordt nader uiteengezet in Rom. 5 : 12v. Wijl wij door den dood van Christus als vijanden verzoend zijn, zijn wij zeker, dat wij met Hem ook eeuwig leven zullen; ja zoo zeker zijn wij, dat wij nu reeds roemen door Christus, die de verzoening ons schonk, vs. 10, 11. De genade en het leven van Christus gaan daarom (dia touto, vs. 12) de zonde en dood van Adam verre te boven. Dit is het thema van den pericoop vs. 12-21, en het wordt op deze wijze uitgewerkt en bewezen. Door één mensch is de zonde, als machtig en allesbeheerschend beginsel, in de wereld gekomen, en op die wijze en in dien weg is ook de dood tot alle menschen doorgegaan, nademaal allen zondigden. De woordjes fH ÿ zijn niet met Orig., Vulg., Aug., enz. door in quo te vertalen, want ze staan te ver van ‡nqrwpov af, om daarop terug te kunnen gaan, en ze beteekenen ook niet in welken, ofschoon deze gedachte op zichzelve niet onschriftuurlijk is, Hebr. 7 : 10, 1 Cor. 15 : 22, maar ze zijn eene conjunctie, pi toutû éti, eo quod, quia, quandoquidem, Calvijn, Martyr en de meeste nieuwere exegeten; Ómarton duidt niet aan een zondigen toestand, maar eene daad. Paulus zegt dus in vers 12: Adam overtrad, daardoor kwam de zonde en de dood in de wereld en heerschte over allen. De redengevende zin fH ÿ pantev Ómarton geeft niet te kennen, dat Paulus de oorzaak van den dood van ieder mensch in zijne persoonlijke, dadelijke zonden zoekt, want in 1 Cor. 15 : 22 zegt hij uitdrukkelijk, dat allen in Adam sterven; hier in vers 14 |110| verklaart hij, dat de dood ook heerschte over hen, die niet zondigden in de gelijkheid van Adams overtreding, en — zoo mogen wij er bijvoegen — ook over de kinderen; en in vs. 15 en 17 spreekt hij het zoo sterk mogelijk uit, dat door de misdaad van éénen velen gestorven zijn. Toch is ter andere zijde bij dien redengevenden zin niet stilzwijgend bij te denken, dat allen in Adam gezondigd hebben. Dit is op zichzelf al onwaarschijnlijk, maar het wordt daardoor onmogelijk gemaakt, dat vs. 13 en 14 juist handelen van de zonde, die de menschen niet in Adam maar zelf persoonlijk bedreven, al zondigden zij toen ook niet in de gelijkheid der overtreding van Adam. Maar Paulus wil zeggen, dat door Adams overtreding èn de zonde èn de dood, beide in verband met elkaar, in de menschheid tot heerschappij gekomen zijn, dat tengevolge van Adams overtreding alle menschen zelf persoonlijk zondaren geworden zijn en allen hoofd voor hoofd sterven. Hij betoogt deze stelling in de volgende verzen aldus: de zonde, die door Adams overtreding in de wereld inkwam, was er ook en heerschte ook in den tijd van Adam tot Mozes, toen God zijne wet nog niet had afgekondigd; de menschen zondigden ook toen. Maar — zoo werpt Paulus zichzelven als het ware tegen — de zonde wordt toch niet toegerekend als er geen wet is; de wet van Mozes was er nog niet, dus kon toen de zonde ook niet toegerekend worden. En daarop antwoordt hij: zeer zeker wel, de dood heeft immers toch geheerscht van Adam tot Mozes toe, al is het ook, dat de menschen toen geen positieve, door God uitdrukkelijk en woordelijk afgekondigde wet overtraden en dus niet zondigen konden in gelijkheid der overtreding van Adam. Zij zondigden toch wel, omdat zij ook toen eene wet hadden, die hun van nature bekend was, Rom. 1 : 18v., 2 : 12-15. Als de dood dus toen toch geheerscht heeft, dan moet ook toen de zonde geheerscht hebben. En zij heerschte toen, niet doordat ieder persoonlijk een positief gebod overtrad als Adam en dus elk voor zichzelf en door zichzelf een zondaar werd; neen, maar omdat door de overtreding van Adam de zonde in de wereld was gekomen en over allen heerschte en in het gevolg daarvan, ook de dood. Adam is dus juist een type van Christus. Het gaat met de zonde en den dood, die uit Adam ons toekomen, op dezelfde wijze toe, als met de gerechtigheid en het leven, welke Christus verworven heeft. Er is verschil in intensiteit, de |111| genade is overloediger en het leven is machtiger, maar de modus quo, waarop beide ons deel worden, is dezelfde. De misdaad van éénen was de oorzaak van de schuld, de zonde en den dood aller menschen, en zoo is de gehoorzaamheid van éénen de oorzaak van aller gerechtigheid, vrijspraak en leven. In éénen zijn allen veroordeeld en gestorven; in éénen worden zij allén gerechtvaardigd en behouden. In beide gevallen gaat er een oordeel Gods, een krima, vooraf; en uit dat krima worden eenerzijds onze zonde en dood, en andererzijds onze gerechtigheid en ons leven afgeleid. En zoo komt de gedachte, welke Paulus in dezen pericoop ontwikkelt, hierop neer: 1º over de ééne overtreding van Adam heeft God een vonnis geveld, bestaande in schuldigverklaring en veroordeeling tot den dood. 2º dat vonnis is in Adam geveld over alle menschen, omdat zij op de eene of andere wijze, welke Paulus hier niet nader verklaart maar uit zijn redeverband vermoeden laat, in Adam begrepen waren; allen zijn in Adam schuldig verklaard en ten doode veroordeeld. 3º krachtens dit voorafgaand oordeel Gods zijn alle menschen persoonlijk zondaren geworden en sterven zij allen ook feitelijk. God denkt en beschouwt, beoordeelt en veroordeelt alle menschen in éénen, en daarom komen zij ook allen als zondaren uit hem voort en zijn zij allen aan den dood onderworpen. Cf. Moor III 255. Turretinus, Theol. El. IX 9. Ontw. v.h. Ex. v. Tol. X 373. Dietzsch, Adam u. Christus, Bonn 1871. Hünefeld, Römer 5 : 12-21, Leipzig 1895. Hofmann, Schriftbew., I 524 f. Thomasius, Christi Person u. Werk I 212. Pfleiderer, Der Paulin. 53 enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004