5. Ofschoon de zonde altijd één is in beginsel en wezen en steeds in ‡nomia bestaat, zijn er in hare openbaringen en werkingen zeer verschillende graden. Allereerst is er een groot |90| onderscheid tusschen de duivelsche en de menschelijke zonde. In het Oude Test. vinden wij nog geen ontwikkelde daemonologie. Dat er in Gen. 3 eene booze, geestelijke macht optreedt, weten wij eerst uit het N.T.; de £yryvW, Lev. 17 : 7, 2 Chron. 11 : 15, Jes. 13 : 21, 34 : 14, £ydH, Deut. 32 : 17, Ps. 106 : 27, tylyl, Jes. 34 : 14, en hqwlv, Spr. 30 : 15 zijn zeker niet als elementen der openbaring te beschouwen; en dat er bij lz'zv, Lev. 16, aan een boozen geest moet worden gedacht, is onbewijsbaar. Van booze geesten is er alleen sprake 1 Sam. 16 : 14-23 en 1 Kon. 22 : 19v., en van Satan in Job 1, 1 Chr. 21 : 1, Zach. 3. De scheiding tusschen goede en kwade engelen is nog niet voltrokken; de booze geest gaat nog van God uit, Satan bevindt zich nog onder de zonen Gods; eerst langzamerhand wordt de tegenstelling scherper. Het woord satan beteekent wederpartijder en kan op zichzelf een goeden zin hebben; het komt voor van menschelijke tegenstanders, 1 Sam. 29 : 4, 1 Kon. 5 : 4, 11 : 14, 23 : 25, van hindernisseu op den weg, 2 Sam. 19 : 23, van een menschelijk aanklager, Ps. 109 : 6, 20, 29, zelfs van den Malak Ihvh, die Bileam in den weg treedt, Num. 22 : 22, 32. Maar toch wordt Satan in het O.T. al gedacht als een wezen, dat vijandig tegen God en zijn volk overstaat. En als de openbaring zich voltooit en Christus komt, om de werken des duivels te verbreken, dan worden ook de baqj tou satana openbaar. Het N. Test. doet ons eene basileia, Mt. 12 : 26, Mk. 3 : 24, Luk. 11 : 17, 18, kennen van booze geesten, welke de antithese vormt van Christus en zijn rijk. Aan het hoofd staat Satan, met verschillende namen genoemd, diabolov, satanav, cqrov, Mt. 13 : 39, Luk. 10 : 19, katjgwr, Op. 12 : 10, beliar (syr. voor belial, nietswaardigheid), ponjrov, Mt. 13 : 19, Ef. 6 : 16, 2 Thess. 3 : 3, 1 Joh. 2 : 13, 14, 3 : 12, 5 : 18, beelzeboul (lett. heer der woning, maar waarschijnlijk ontstaan uit beelzeboub, vliegengod, art. Herzog3 2, 514) Mt. 10 : 25, ‡rcwn twn daimoniwn, Mt. 9 : 34, ‡rcwn tjv xousiav tou ‡erov, Ef. 2 : 2, ‡rcwn tou kosmou, Joh. 12 : 31, é qeov tou a¸wnov toutou, 2 Cor. 4 : 4, é drakwn é megav, é ìfiv é ‡rcaiov, Op. 12 : 9, 20 : 2 enz. En onder hem staan vele daimonia, daimonev, pneumata ponjra, ‡kaqarta, pneumatika tjv ponjriav, die weer in allerlei klassen en rangen onderscheiden zijn, 1 Cor. 15 : 21, Ef. 6 : 12, Col. 2 : 15 Jud. 6, ook in boosheid de een nog den ander overtreffen, Mt. 12 : 45, Luk. 11 : 26, |91| en samen Satans ‡ggeloi zijn, Mt. 25 : 41, 2 Cor. 12 : 7, Op. 12 : 7, 9. Cf. Hofmann, Schriftbeweis I2 418 f. Sander, Die Lehre der H. Schrift vom Teufel 1858, Oehler, Theol. des A.T. 200. Kuenen, G. v. I. II 256v. Halm, Theol. des N.T. 128 f. Schwartzkopff, Der Teufels- und Daemonenglaube Jesu, Zeits. f. Theol. u. Kirche von Gottschick, VII 1897 S. 289-330. Holtzmann, Neut. Theol. I 53 f. 167. II 238 f. enz. Weser, Die verschiedenen Auffassungen vom Teufel in N.T., Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f. Everling, Die paulin. Angelologie und Daemonologie, Göttingen 1888. Al is er zoo onder hen nog eenig verschil in sterkte en boosheid, alle te zamen worden zij toch als door en door bedorven voorgesteld. Zij zijn altijd en overal de tegenstanders Gods, de verstoorders van zijn rijk, de bestrijders van Christus, de verleiders der menschen, de aanklagers van Gods kinderen; zij leven in de zonde als in hun element. Nooit komen zij voor als object van Gods liefde, ofschoon ze zijne schepselen zijn; Christus heeft hunne natuur niet aangenomen; voorwerp van onze liefde, van onze voorbede mogen zij niet zijn; er is voor hen geen hope op herstel en behoud.

Er is in het wezen en begrip der duivelen iets volkomen onbegrijpelijks. Wir können des absolute böse Wesen immer nur unter der Bedingung denken, dass wir entweder an der absoluten Bosheit oder an der wahren Existenz etwas fehlen lassen, C.J. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 116. F.A.B. Nitzsch, Ev. Dogm. 337. Absoluut boos kunnen zij niet zijn, want zij zijn schepselen Gods en dus als zoodanig goed; en toch zijn zij alleen voorwerp van Gods haat en van zijn eeuwigen toorn. Om deze onbegrijpelijkheid van de natuur der duivelen hebben velen hun bestaan ontkend, en hen voor zielen van gestorven menschen of voor personificaties van onze booze zonden of voor onpersoonlijke principia van het kwade gehouden, Bekker, Betov. Werelt II c. 20v. Semler, de daemoniacis 1760. Schleiermacher, Chr. Gl. § 44. 45. Schelling, Werke II 4 S. 241 f. Rothe, Ethik § 50. Martensen, Dogm. § 99 f. Mallet, art. Teufel in Herzog. Strauss, Chr. Gl. II 1 f. Biedermann, Dogm. 614 f. Lipsius, Dogm. § 521-524 enz. Maar de realiteit van Satan en zijne engelen is door de Schrift buiten twijfel gesteld; aan accommodatie valt er in het minst niet te denken; Jezus heeft zich in een zeer gewichtig punt der religie geheel en al vergist of het is alzoo, als Hij heeft gezegd. En |92| de leer van Satan is voor heel de christelijke leer ook verre van onverschillig. Zij is van waarde tegenover het manicheisme, want Satan is geen oorspronkelijk wezen maar een gevallen engel; tegenover het pelagianisme, want Satan is door ééne wilsbeslissing geheel en al bedorven; tegenover de opvatting der zonde als zwakheid en zinlijkheid, want Satan is een hooge, heerlijke, rijke geest; tegenover de meening, dat de zonde een voorbijgaand moment in de ontwikkeling is, want Satan blijft Satan en wordt nimmer hersteld; tegenover de verlaging van den mensch tot een duivel, want Satan is uit zichzelf ten val gekomen, de mensch werd door hem verleid, is niet onschuldig maar ook niet urschuldig; tegenover de opvatting van de verzoening als een ethisch proces, want Christus is gekomen om de werken des duivels te verbreken. Het geloof aan Satans bestaan is geen element van het zaligmakend geloof in Christus; maar het hangt er toch wel mee samen. Er ligt waarheid in het: nullus diabolus, nullus redemptor! Indien er geen zonde ware, zou er geen verlosser zijn, en de ernst der zonde komt juist in de leer van Satan het duidelijkst uit. Uit alles, wat de Schrift van de engelen getuigt, blijkt toch, dat het zedelijk leven bij hen een ander karakter draagt dan bij de menschen. Menschen zijn op ieder terrein en zoo ook in het zedelijke, aan ontwikkeling onderworpen; zij worden klein geboren, in kennis, kracht, deugd of ondeugd, en groeien in alle deze langzamerhand op. Maar zoo is het bij de engelen niet. Zij zijn allen tegelijk met elkaar en volwassen geschapen; degenen, die staande bleven, werden in eens bevestigd in het goede, en zij, die vielen, werden terstond verhard en voleind in het kwade. Satan is niet verleid, maar hij bracht de leugen, de zonde uit zichzelven voort, Joh. 8 : 44, en is daarin in eens verstokt geworden. De aard zijner zonde is zoo, dat hij voor geen berouw meer vatbaar is; van een zedelijk bewustzijn, van een geweten is bij hem geen sprake; hij leeft van den haat. Der eigentlich satanische Charakter besteht in einem Hass alles dessen, was über ihm und bloss weil ës über ihm ist (Baader). De zonde ook in de duivelen is geen materia maar forma; er is geen summum malum, gelijk er een summum bonum is; maar de forma der zonde is met de engelennatuur zoo één geworden, dat er geen scheiding meer mogelijk is. Het is wel is waar al te stout, om te beweren, dat de gevallen engelen ook voor Gods almacht |93| onverlosbaar zijn; en beter is het, hier in Gods welbehagen te rusten, Voetius, Disp. I 920. Turret., Th. El. IX 5, 8. Heidegger, Corp. Th. VIII 49. Moor II 414. Maar toch blijkt genoeg dat dat welbehagen geen willekeur is. Hier op aarde is er reeds onder menschen eene zonde, die onvergefelijk is, n.l. de lastering tegen den H. Geest; met den dood, d.i. met die eigenaardige bedeeling, waarin wij hier op aarde leven, houdt de vergeving aller zonden op; de aard der zonde snijdt bij de gevallen engelen den weg der verlossing af. Waarbij dan nog komt, dat de engelen niet zijn één geslacht. Menschen konden vallen en zijn gevallen in éénen; en zij kunnen gered worden en worden gered in éénen. Maar de duivelen zijn niet in éénen, niet in een ander, maar ieder voor zich en hoofd voor hoofd gevallen; er was onder hen geen foedus operum, en daarom is er ook voor geen foedus gratiae plaats. De satanische zonde is dus bij alle overeenkomst toch in oorsprong, natuur, gevolgen eene geheel andere dan de menschelijke. Zij draagt een absoluut karakter, Satan is de hoogste openbaring van het kwaad. Daarom wordt hij in de Schrift met zoo machtige, hooge namen als overste der wereld, god dezer eeuw enz. genoemd. Maar daarom is ook de overwinning van Satan de volkomen triumf van de zonde. God heeft haar in Satan alle gelegenheid gegeven, om te toonen wat zij is en vermag. Het hoogste en beste, het edelste en grootste in Gods schepping heeft zij zich dienstbaar gemaakt. En toch blijkt zij ten slotte in den strijd van macht tegen recht onmachtig te zijn. Es ist der Charakter des Bösen, dass es immer mit Energie anfängt und mit Schwäche aufhört (Baader). De zonde is niet, zij wil zijn; zij heeft geen waarachtige realiteit en komt daar nooit toe; zij is leugen in haar oorsprong en leugen in haar einde. En daarom is Satan ten slotte met al zijne macht aan Gods verheerlijking dienstbaar. Luzifer ist, kann man sagen, durch die Probe inne geworden, dass nichts wáhrhaft ist als Gott. Darum ist Luzifer so gut ein Beweis Gottes als ein Engel. Wenn der Gute beweist, dass Gott ist, so beweist der Böse, dass nur Gott ist (Baader). Cf. Augustinus, de civ. Xl en XII. Anselmus, de casu diaboli. Lombardus, Sent. II dist. 2-7. Thomas, S. Theol. I qu. 63. 64. Petavius, de Angelis l. III. Gerhard, Loc. V c. 4. sect. 10 sq. Quenstedt, Theol. I 450 sq. Zanchius, Op. III 167-216. Voetius, Disp. I 906 sq. |94| Daub, Judas Ischarioth, Heidelb. 1816. 1818. Philippi, Kirchl. Gl. III 251 f. Lange, Dogm. II 559 f. Dorner II 188 f. Oosterzee § 76. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I2 428.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004