2. De velerlei namen, welke de H. Schrift voor de zonde bezigt, wijzen haar ontzettend karakter en hare veelzijdige ontwikkeling aan. t'Xx heet de zonde als eene handeling, die haar doel mist en in afdwaling van den rechten weg bestaat; lwv of ¤wv duidt haar aan als ombuiging, verdraaidheid, verkeerdheid, als afwijking van de goede richting; vHp doet haar kennen als overtreding van de gestelde grenzen, als verbreking van de verbondsverhouding tot God, als afval en opstand; hggH als eene verkeerde daad, die onopzettelijk, uit vergissing is geschied; vHr als een goddeloos, van de wet afwijkend, schuldig handelen en wandelen. Voorts wordt ze door £H' geteekend als schuld, door lw' als nietigheid, door 'wH als val;chheid, door hlbn als dwaasheid, door vr als een kwaad, malum, enz. De Grieksche woorden zijn vooral ƒmartia, ƒmartjma, ‡dikia, ‡peiqeia, ‡postasia, parabasiv, parakoj, paraptwma, ìfeiljma, ‡nomia, paranomia; ze spreken voor zichzelf en beschrijven de zonde als afwijking, onrecht, ongehoorzaamheid, overtreding, afval, onwettelijkheid, schuld; en bovendien wordt de zondige macht in den mensch nog door sarx, yucikov en palaiov ‡nqrwpov en in de wereld door kosmov aangeduid. Het latijnsche peccatum is van onzekere afleiding; het nederl. woord zonde, dat waarschijnlijk met het lat. sons, d.i. nocens, samenhangt, Müller, Sünde I 114 f., is in het christelijk spraakgebruik een door en door religieus begrip geworden; het duidt eene overtreding aan, niet van eene menschelijke, maar van eene Goddelijke wet; stelt den mensch in verhouding, niet tot zijne medemenschen, tot maatschappij en staat, maar tot God, den hemelschen Rechter; is daarom ook in vele kringen niet geliefd en wordt dan liefst door zedelijk kwaad enz. vervangen. Verreweg de meeste dezer namen doen de zonde kennen als eene afwijking, overtreding van de wet. De Schrift vat de zonde steeds |75| op als ‡nomia, 1 Joh. 3 : 4; haar maatstaf is de wet Gods. Deze wet had in verschillende tijden ook eene verschillende gedaante. Adam verkeerde in een gansch bijzonder geval; niemand kan na hem zondigen in de gelijkheid zijner overtreding, Rom. 5 : 14. Van Adam tot Mozes was er geen positieve, door God afgekondigde wet. De tegenwerping kan dus gemaakt worden, dat als er geen wet is, er ook geen overtreding, zonde en dood kan zijn, Rom. 5 : 13, 4 : 15. In Rom. 5 : 12v. geeft Paulus daarop geen ander antwoord, dan dat door de ééne overtreding van Adam de zonde als macht in de wereld is ingekomen en allen beheerscht heeft en alzoo de dood tot alle menschen is doorgegaan. De overtreding van Adam heeft allen tot zondaren gesteld en allen den dood onderworpen. Deze invloed van Adams overtreding sluit niet uit maar sluit in, dat alle menschen zelf ook persoonlijk zondaren zijn. Want juist omdat door de ééne overtreding van Adam de zonde in de menschenwereld is gaan heerschen en allen dientengevolge ook zelf persoonlijk zondaren waren, daarom is de dood ook tot allen doorgegaan. Meer zegt Paulus in Rom. 5 : 12v. niet. Dat was daar, in dat verband, voldoende. Maar van elders kan dit antwoord worden toegelicht en aangevuld. Als er van Adam tot Mozes zonde en dood is geweest, Rom. 5 : 13, 14, dan moet er ook eene wet hebben bestaan, wel geen positieve, die met hoorbare stern door God is afgekondigd zooals in het paradijs en op den Sinai, maar toch wel eene wet, die ook de menschen toen persoonlijk bond en schuldig stelde. Dat zegt Paulus ook duidelijk in Rom. 2 : 12-16. De Heidenen hebben de Mozaische wet niet, maar ze zondigen toch en gaan verloren ‡nomwv, omdat zij zichzelven eene wet zijn en hun conscientie zelve hen beschuldigt. Er is eene openbaring Gods in de natuur beide van religieusen en ethischen inhoud, welke genoegzaam is, om alle onschuld te benemen, Rom. 2 : 18v., 1 Cor. 1 : 21. Terwijl God echter de Heidenen wandelen liet op hun eigen wegen, maakte Hij aan Israël zijne wetten en rechten op duidelijke wijze bekend. En deze wet is nu voor Israel de maatstaf van alle zedelijk handelen. In den laatsten tijd is dit wel bestreden, Stade, Gesch. des Volkes Israel I 1887 S. 507 f. Clemen, Chr. Lehre v. d. Sünde I 21 f. Men meent, dat 'Xx oorspronkelijk slechts beteekende: in het ongelijk zijn of gesteld worden tegenover een machtigere, Ex. 5 : 16, 1 Kon. 1 : 21, 2 Kon. 18 : 14; dat het |76| daarna te kennen gaf een handelen in strijd met de volkszede, Gen. 19 : 7v., 34 : 7, Jos. 7 : 15, Richt. 19 : 23, 20 : 6. 2 Sam. 13 : 12, 21 : 1-14, en dat het eerst langzamerhand eene ethische overtreding aanduidde van de wet Gods. Door de profeten toch kreeg Ihvh eerst een ethisch karakter; terwijl zijn toorn vroeger dikwerf ontbrandde, zonder dat er eenige schuld was van de zijde des menschen, 2 Sam. 16 : 10 en men dus zondaar worden kon, zonder het te weten of te willen, Num. 22 : 34, 1 Sam. 14 : 43 f., kon nu Ihvh alleen toornen over de zonde; deze bestond van nu voortaan waarlijk in aberratio a lege divina. Deze meening wordt echter door de feiten weersproken. Ook al zou 'Xx op de eerstgenoemde drie plaatsen de ruimere beteekenis hebben van onrecht lijden in juridischen zin, zonder dat er van ethische schuld sprake was, dan zou dat nog niets bewijzen voor de stelling, dat dit het oudste en oorspronkelijke begrip van zonde onder Israel was. Het woord betekent eigenlijk missen, Richt. 20 : 16, en kan dus, naast de ethische ook de ruimere beteekenis gehad hebben van: onrecht lijden, in het ongelijk gesteld worden. Maar ook dat is in Ex. 5 : 16, 1 Kon. 1 : 21. 2 Kon. 18 : 14 nog niet het geval. In Ex. 5 : 16 zeggen de Israelieten eenvoudig tot Farao: wij krijgen geen stroo en moeten toch tichelsteenen maken, en als wij ze niet maken, worden wij toch geslagen en krijgen wij de schuld, §mv t'Xxw. In 1 Kon. 1 : 21 zegt Bathseba tegen David: als gij niet beslist en Adonia koning wordt, dan zullen wij, Bathseba en Salomo, straks de schuldigen zijn, die door Adonia worden gedood omdat wij hem niet erkennen. En feitelijk hebben wij toch gelijk, op grond van uw eed vs. 17. In 2 Kon. 18 : 14 doet Hiskia eene belijdenis van schuld, die hem in den nood wordt afgeperst en die hij zelf later niet erkent. Voorts is het wel een feit, dat de volkszede overal als een maatstaf van het zedelijk handelen geldt, maar dit is volstrekt niet daarmede in strijd, dat toch de wet Gods in laatster instantie de norma is van goed en kwaad. Jos. 7 : 15 leert, hoe beide, het overtreden van het verbond en het doen van eene dwaasheid in Israel saam kunnen vallen. De volkszede is op zichzelve even weinig met Gods wet in strijd, als het geweten, dat ook eene ondergeschikte, subjectieve norma is van het zedelijk leven; altijd is zij en blijft zij, ook in de meest christelijke maatschappij, eene norma normata; en ook in Israel is de volkszede, b.v. van |77| de gastvriendschap, door de wet niet vernietigd maar wel erkend en geheiligd. Alleen, waar zij in conflict komt, moet zij voor de wet Gods wijken. Dat nu feitelijk de volkszeden in Israel steeds met Gods wet overeenkwamen of door haar werden gereinigd, beweert niemand, evenmin als het geweten der Christenen naar Gods wet reeds ten volle is geconformeerd. Vele daden der heiligen in O. en N.T., van Noach, Abraham, Izak, Jakob, Rachel, David, Petrus enz. zijn daarom ook beslist te veroordeelen en niet, omdat ze geloovigen waren, met de Rabbijnen te verontschuldigen. Het wezen der zonde wordt ten slotte niet bepaald door wat onder Israel, in de gemeente, al of niet gebruikelijk is, maar door de wet Gods. En dit is het standpunt, dat de H. Schrift steeds inneemt. De zonde moge groot of klein zijn, zij is altijd slechts daarom zonde, wijl zij tegen God en zijne wet ingaat, Gen. 13 : 13, 20 : 6, 39 : 9, Ex. 10 : 16, 32 : 33, 1 Sam. 7 : 6, 14 : 33, 2 Sam. 12 : 13, Ps. 51 : 6, Jes. 42 : 24, Jer.44 : 7, 20 enz. Het komt altijd aan op des Heeren wil en woord en wet, op zijne rechten en inzettingen, op zijne geboden en ordinantiën; God te kennen en te dienen is de allesomvattende roeping van Israel, en daaraan wordt het door de profeten getoetst. En evenzoo is het in het N.T. Jezus stelt niemand minder dan God zelven tot voorbeeld, Mt. 5 : 48, en beoordeelt alles naar zijne wet, Mt. 19 : 17-19, Mk. 10 : 17-19, Luk. 18 : 18-20. Deze is voor Hem de inhoud van wet en profeten, en Hij handhaaft haar ten volle, zonder er iets af te doen, Mt. 5 : 17-19, 23v., 6 : 16v., 21 : 12v., 23 : 3, 23, 24: 20 en beoordeelt juist van uit dat standpunt de menschelijke inzettingen, Mt. 5 : 20v., 15 : 2v., Mk. 2 : 23v., 7 : 8, 13 enz. In Mt. 7 : 12 stelt hij dan ook geen nieuw ethisch principe maar geeft hij niets anders dan eene practische interpretatie van het gebod der naastenliefde. De Mozaische wet heeft wel in Christus haar doel en haar einde bereikt, Rom. 10 : 4, Gal. 3 : 24, en de geloovige is vrij van haar en staat in de genade, Rom. 6 : 14, 7 : 4, 10 : 4, Gal. 2 : 19, 3 : 15v., 5 : 18, maar deze vrijheid heft de wet toch niet op doch bevestigt haar, Rom. 3 : 31; haar recht wordt juist vervuld in dengene, die wandelt naar den Geest, Rom. 8 : 4. Die Geest immers vernieuwt ons en leert ons onderzoeken en kennen en doen, wat Gods wil is, Rom. 12 : 2, Ef. 5 : 10, Phil. 1 : 10. Die wil is kenbaar uit het O. Test., Rom. 13 : 8-10, 15 : 4, |78| 1 Cor. 1 : 31, 10 : 11, 14 : 34, 2 Cor. 9 : 9, 10 : 17, Gal. 5 : 14, is in Christus openbaar, 1 Cor. 11 : 1, 2 Cor. 3 : 18, 8 : 9, 10 : 1, Phil. 2 : 5, 1 Thess. 1 : 6, 4 : 2, 1 Thess. 2 : 21, en vindt ook in het eigen geweten weerklank, 1 Cor. 8 : 7, 10 : 25, 2 Cor. 1 : 12; zij wordt geschreven in het hart der geloovigen Hebr. 8 : 10, 10 : 9. Overal in de Schrift is het wezen der zonde ‡nomia, 1 Joh. 3 : 4, afwijking van den wil Gods, geopenbaard aan Adam of Mozes of Christus of aan de gemeente door den H. Geest. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 20-42. Schultz, Altt, Theol.4 659 f. Smend, Altt. Religionsgesch. 106 f. 119 f. 192 f. enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004