5. De oorsprong van het kwaad is na dien van het zijn het grootste raadsel des levens en het zwaarste kruis des verstands. De vraag: poqen to kakon, heeft alle eeuwen de gedachten der menschen bezig gehouden en wacht nog steeds te vergeefs op een antwoord, dat beter bevredigt dan dat der H. Schrift. Voorzoover de philosophie in dezen iets van beteekenis leerde, is zij in haar geheel genomen een krachtig bewijs voor de waarheid der H. Schrift, dat deze wereld zonder een val niet is te verklaren. Alle groote denkers hebben, al kenden zij Gen. 3 niet of al verwerpen zij het als eene mythe, huns ondanks aan dit eenvoudig verhaal stilzwijgend of uitdrukkelijk hulde gebracht. En voorzoover de wijsbegeerte op eene andere wijze naar oplossing zocht van het probleem, is zij het spoor bijster en jammerlijk aan het dwalen geraakt. Dat geldt allereerst van de pelagiaansche verklaring der zonde, tegen welke de vele bezwaren, boven bl. 44 reeds niet een enkel woord werden genoemd en later bij het wezen en de verbreiding der zonde nog breeder ter sprake komen. Maar het geldt voorts ook van al die stelsels, die het kwade herleiden, niet tot eene wilsdaad van het schepsel maar tot het zijn of de natuur van mensch, wereld of God.

In de eerste plaats is de zonde niet af te leiden uit de zinnelijke natuur van den mensch. Dan toch zou de zonde altijd en overal een zinnelijk, vleeschelijk karakter dragen; dit is echter lang niet altijd het geval; er zijn ook geestelijke zonden, zonden met een daemonisch karakter, zooals hoogmoed, nijd, haat, vijandschap tegen God, die meer verborgen maar volstrekt niet minder in graad zijn dan de vleeschelijke zonden; en deze worden door de zinlijkheid niet verklaard, evenmin als op dit standpunt het bestaan van gevallen engelen mogelijk is. Indien de zonden voortkwamen uit ’s menschen zinnelijke natuur, zou men ook verwachten, dat zij in de eerste levensjaren het sterkst en het veelvuldigst zouden zijn; dat de geest, naarmate hij zich meer ontwikkelt, ook te krachtiger over haar heerschen en eindelijk haar geheel overwinnen zou. Maar de ervaring leert gansch anders. Naarmate de mensch opwast, wordt de zonde, ook de zinnelijke, machtiger over hem; niet het kind nog maar de jongeling en de man is dikwerf slaaf van zijne lusten en hartstochten; en de ontwikkeling van den geest is menigmaal zoo weinig in staat, om de zonde te beteugelen, dat ze veeleer de middelen aan de hand doet, om in |49| nog sterker mate en op meer verfijnde wijze bevrediging der begeerten te zoeken. En zelfs, wanneer de zinnelijke zonden in later leeftijd haar heerschappij hebben verloren, blijven ze nog heimelijk in het hart als begeerten bestaan of maken voor andere plaats, die, ofschoon meer geestelijk van aard, toch niet minder schrikkelijk zijn. Indien deze verklaring der zonde uit de zinnelijkheid dan ook in ernst is bedoeld, moet zij ertoe leiden, om in onderdrukking van het vleesch de verlossing te zoeken; maar juist de geschiedenis der ascese is het best in staat, om voorgoed van de dwaling te genezen, dat de zonde op die wijze overwonnen kan worden. Ook in het klooster gaat het hart der menschen mede, en uit dat hart komen allerlei zonden en ongerechtigheden voort. Ten onrechte eindelijk tracht deze theorie zich staande te houden met een beroep op de notie rWb en sarx in de H. Schrift, bepaaldelijk bij Paulus. Dit woord duidt allereerst de stof, de substantie van het menschelijk lichaam aan, 1 Cor. 15 : 39, dan het uit die stof georganiseerde lichaam zelf in tegenstelling met pneuma, nouv, kardia, Rom. 2 : 25, 2 Cor. 7 : 5, Col. 2 : 5, voorts meer in Oudtest. zin den mensch als aardsch, zwak, broos, vergankelijk wezen, Gen. 6 : 3, 18 : 27, Job 4 : 17-19, 15 : 14, 15, 25 : 4-6, Ps. 78 : 39, 103 : 14, Jes. 40 : 6, Jer. 17 : 5, Rom. 3 : 20, 1 Cor. 1 : 29, Gal. 2 : 16, en eindelijk dan bij Paulus de zondige levensrichting van den mensch. Zoo spreekt hij van sarkikov, n sarki, kata sarka e¸nai, zjn, peripatein, van sarx ƒmartiav, fronjma tjv sarkov, Rom. 3 : 7, 7 : 14, 8 : 3v., 1 Cor. 3 : 3, 2 Cor. 10 : 2, 3 enz. In dezen zin vormt sarx eene tegenstelling met pneuma, doch niet met het menschelijk pneuma, dat immers ook zondig is en heiliging behoeft, Rom. 12 : 1, 2, 1 Cor. 7 : 34, 2 Cor. 7 : 1, Ef. 4 : 23, 1 Thess. 5 : 23, maar met het pneuma ƒgion of qeou, Rom. 8 : 2, 9, 11, hetwelk het menschelijk pneuma vernieuwt, Rom. 7 : 6, 8 : 14, Gal. 5 : 18, ook het lichaam heiligt en in den dienst der gerechtigheid stelt, Rom. 6 : 13, 19, 12 : 1, 1 Cor. 6 : 13, 15, 19, 20, en alzoo in den mensch een kainov ‡nqrwpov plaatst tegenover de oude, zondige levensrichting, de sarx, van den palaiov ‡nqrwpov, Rom. 7 : 5v., 8 : 1v., Gal. 5 :13-25, Ef. 2 : 3, 11, Col. 2 : 4. Sommigen hebben nu gemeend, dat het vleesch naar deze beschouwing niet alleen zetel en orgaan maar ook bron en oorsprong der zonde is, Baur, Holsten, Lüdemann, Zeller, Pfleiderer, Der Päulinismus2 1890 S. 60 f. |50| Holtzmann, Neut. Theol. 1897 II 13 f., Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 188 f., Matthes, Theol. Tijdsch. 1890 blz. 225-239. Maar dit is niet te handhaven tegenover noch te rijmen met deze onloochenbare gegevens, dat Paulus duidelijk de zonde afleidt uit de verleiding der slang en de overtreding van Adam, Rom. 5 : 12, 2 Cor. 11 : 3; dat hij spreekt van eene besmetting des vleesches en des geestes en ten opzichte van beide reiniging verlangt, 2 Cor. 7 : 1; dat hij onder de vruchten des vleesches ook allerlei geestelijke zonden noemt, zooals afgoderij, twist, toorn en zelfs ketterij, Gal. 5 : 19v.; dat hij de vijandschap tegen God aanduidt als fronjma tjv sarkov, Rom. 3 : 7; dat hij het bestaan van booze geesten aanneemt, die toch in het geheel geen sarx hebben, Ef. 6 : 12; dat hij Christus, schoon genomenov k gunaikov, Gal. 4 : 4 en uit Israel to kata sarka, Rom. 9 : 5, toch als zonder eenige zonde erkent, 2 Cor. 5 : 21; dat hij het lichaam een tempel Gods noemt en alle leden opeischt voor den dienst der gerechtigheid, Rom. 6 : 13, 19, 12 : 1, 1 Cor. 6 : 13-20; dat hij eene opstanding der gestorvene lichamen leert, 1 Cor. 15, en de ascese in beginsel bestrijdt, Col. 2 : 16, 1 Thess. 4 : 4. De voorstanders van het gevoelen, dat Paulus het vleesch voor het principe der zonde houdt, keeren dan ook dikwerf halverwege terug en zeggen, dat het vleesch niet zelf zonde is en niet vanzelf zonde meebrengt, maar wel tot zonde prikkelt en verzoekt, Clemen 204. Holtzmann II 38. Anderen hebben daarom geoordeeld, dat Paulus, als hij het woord sarx in ethischen zin bezigt, de oorspronkelijke beteekenis ervan geheel uit het oog verliest, Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung der christl. Kirche5 1862 S. 508 f. Tholuck, Stud. u. Krit. 1855 S. 477 f. Weiss,. Bibl. Theol.3 1880 § 68. Wendt, Die Begriffe Fleisch u. Geist 1878 cf. Theol. Stud. van de la Saussaye c.s. 1878 blz. 361v. Nitzsch, Ev. Dogm. 315 f. Dit is op zichzelf echter al niet waarschijnlijk en doet het verband, dat de Schrift telkens legt tusschen de aardsche, zwakke, vergankelijke natuur van den mensch en zijne zonde, niet tot zijn recht komen. Er is ongetwijfeld een innige samenhang tusschen beide; de zinnelijke natuur des menschen is niet de zonde zelve noch ook bron of beginsel der zonde, maar is toch haar woning, Rom. 7 : 17, 18 en orgaan harer heerschappij over ons, Rom. 6 : 12. De mensch is niet louter geest, maar hij is aardsch uit de aarde, is geworden tot eene levende |51| ziel, 1 Cor. 15 : 45 v., staat daardoor met den kosmos in verband en heeft het lichaam altijd tot zijn werktuig en tot het orgaan van zijn handelen, Rom. 6 : 13, 8 : 13. Deze zinnelijke natuur geeft aan de zonde, gelijk die den menschen eigen is, een eigen, van die bij de engelen onderscheiden karakter, zoowel in haar oorsprong als in haar wezen. De verzoekingen komen van buiten door de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en de grootschheid des levens tot hem. En het is de zinnelijke natuur van den mensch, die aan zijne zonde dit karakter geeft, dat hij den buik maakt tot zijn God, dat hij de dingen die beneden zijn bedenkt, dat hij zichzelven zoekt en voor zichzelven leeft, en dat bij het schepsel eert boven den Schepper, Rom 1 : 21 v., Phil. 2 : 4, 21, 3 : 19 Col. 3 : 2, enz. Sarx duidt de zondige levensrichting aan van den mensch, die naar ziel en lichaam zich van God af- en naar het schepsel heenwendt. Cf. Hofmann, Schriftbew. I2 559. Müller, Sünde I5 447 f. Ernesti, Die Ethik des Ap. Paulus3 1880 S. 32 f. Cremer in Herzog2 4, 573. Gloël, Der H. Geist 1888 S. 14-61, 246.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004