2. De traditie van zulk een val komt ook nog bij andere volken voor. Het Avesta verhaalt, dat de eerste booze daad van Ahriman bestaan heeft in het voortbrengen van eene groote slang, Dahaka, met drie hoofden, drie monden, zes oogen en duizend krachten, om door haar de wereld te verderven. Ahriman, die ook wel zelf de slang, de leugenaar, de bedrieger der stervelingen heet, heeft door haar den vrede gestoord, bet paradijs verwoest, twijfel en |41| ongeloof in de harten der menschen gezaaid, ziekte en lijden op de aarde gebracht, want Jima, de edele heerscher in het gouden tijdperk is aan God ongehoorzaam geweest; hij viel door hoogmoed en zelfverheffing in zonde, Ahuramazda verliet hem en hij werd gedood. Ook de Babylonisch-Assyrische overlevering staat met het bijbelsch verhaal in onmiskenbaar verband; de slang heet daar Tiamat, brengt door haar verleiding den mensch ten val, maar wordt daarvoor ook door Merodach vervloekt en bestreden, cf. Fischer, Heidenthum u. Offenbarung 1878 S. 137 f. 208 f. Delitzsch op Gen. 3 : 1. Overigens is, gelijk het wezen, zoo ook de oorsprong der zonde aan de Heidenen onbekend. Zelfs de Joden, die den val en de verleiding door Satan, Wijsh. 2 : 24, erkenden en hem daarom dikwerf de oude slang noemden, leerden soms, dat Satan op den zesden dag tegelijk met Eva was geschapen, dat hij door zinnelijken lust geprikkeld, den mensch trachtte te verleiden, en dat de mensch ook reeds vóór den val naast den bwXh rcy een vrh rcy, eene neiging ten kwade ontving, om deze te overwinnen en alzoo zijne werken recht verdienstelijk te maken, Weber, System 210 f. 242 f. En zoo werd elders in de Heidenwereld de oorsprong der zonde niet in den wil van de redelijke schepselen maar in het wezen der dingen gezocht. De val is onbekend. Het Confucianisme is een ondiep rationalisme en moralisme, dat den mensch voor van nature goed hield en in een deugdzaam leven, in overeenstemming met de wereldorde, den weg der zaligheid zocht, Saussaye, Religionsgesch. I 249. Volgens het Buddhisme is het Atman of Brahman, de goddelijke substantie, het eenig reëele; de wereld der verschijnselen is maar een droom, heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende wording en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen, want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom, dood onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is te zoeken in de begeerten, in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn; verlossing bestaat dus in uitdooving van het bewustzijn of ook in vernietiging van het zijn, nirvana, ib. 411 f. Het Parzisme leidde het kwaad terug tot een oorspronkelijk boozen geest, Ahriman, die tegenover den hoogsten God, Ahuramazda staat, een eigen rijk der duisternis heeft, de schepping Gods verderft, maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem zal onderdoen, ib. II 34 f. De Grieken en Romeinen hebben wel in |42| de sagen van eene aurea aatas, van Prometheus en Pandora iets, dat aan de bijbelsche verhalen herinneren kan; maar zij kenden oorspronkelijk geen booze geesten, die tegenover de goede stonden, en schreven aan de goden allerlei booze begeerten en euveldaden toe. Het menschelijk geslacht was ook niet in eens gevallen maar langzamerhand ontaard, en nog bezat des menschen wil de kracht om deugdzaam te leven, binnen de perken zich te houden, en alzoo de zonde, die wezenlijk Ãbriv was, te overwinnen, ib. 191, cf. G. Baur, Stud. u. Krit. 1848 S. 320. De philosophie nam gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak en het wezen der zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig boos, d.i. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt goed; er is niets anders dan ontwikkeling van noode, om den mensch, die van nature goed is, te brengen tot beoefening der deugd, Xen. Mem. III 9, 4 sq. IV 6, 6. Plato en Aristoteles zagen het ongenoegzame dezer beschouwing wel in; de rede was toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te beheerschen; de zonde wortelde dieper in de menschelijke natuur, dan dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam zelfs tot eene geheel andere leer over den oorsprong van de zonde en zocht dezen in een val der praeëxistente zielen. Maar beiden handhaafden toch den vrijen wil en bleven van oordeel, dat de deugd in onze macht staat; het uitwendig lot moge bepaald zijn, de deugd is ‡despotov en hangt alleen aan den wil des menschen, fH Ómin de kai Ó ‡retj, émoiwv de kai Ó kakia, Zeller, Philos. d. Gr. II4 852 III3 588. De Stoa kon op haar pantheistisch en deterministisch standpunt de oorzaak der zonde niet zoeken in den wil van den mensch en trachtte daarom het physische en moreele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid van het geheel. Het was zelfs der Godheid niet mogelijk, om de menschelijke natuur vrij van alle gebrek te houden; de zonde is even noodzakelijk als ziekten en rampen, en is in zooverre iets goeds, als zij het goede dient en dit tot openbaring brengt, Zeller, ib. IV3 175 f. Toch wist ook de Stoa geen anderen weg, om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan des menschen wil, ib. 167 f. En ten slotte keerde bij Cicero, Seneca, Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde eene daad was van den wil en ook door den wil weer kon te niet gedaan worden, ib. 667. 717. 722. V3 585. Buiten het gebied |43| der bijzondere openbaring werd de zonde daarom altijd of deistisch uit ’s menschen wil verklaard en als eene zuivere wilsdaad opgevat, of ook pantheistisch uit het wezen der dingen afgeleid en als iets noodzakelijks in de orde van het geheel begrepen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004