§ 36. De oorsprong der zonde

1. De voorzienigheid Gods gaat als regeering der zonde het verst al ons denken en begrijpen te boven en viert tegelijk als zoodanig haar hoogsten triumf. Nauwelijks had God de wereld goed en volmaakt geschapen, of de zonde drong in haar in. Het mysterie van het zijn wordt nog onbegrijpelijker door het mysterie van het kwaad. Bijna op hetzelfde oogenblik, als de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven en onrein voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansche schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in onreinheid, haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende, haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong der zonde? De Schrift rechtvaardigt God, en geeft eene doorloopende theodicee, als zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen geval God de oorzaak der zonde is. Immers, Hij is rechtvaardig en heilig en verre van goddeloosheid, Deut. 32 : 4, Job 34 : 10, Ps. 92 : 16, Jes. 6 : 3, Hab. 1 : 13, een licht zonder duisternis, 1 Joh. 1 : 5, niemand verzoekende, Jak. 1 : 13, overvloedige fontein van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36 : 10, Jak. 1 : 17; Hij verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten van iederen mensch, Rom. 2 : 14, 15, heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5 : 5, maar haat ze, en toornt er tegen, Ps. 45 : 8, |35| Rom. 1 : 18; Hij oordeelt en verzoent ze in Christus, Rom. 3 vs. 24-26, reinigt er zijn volk van door vergeving en heiligmaking, 1 Cor. 1 : 30, en wil ze beide tijdelijk en eeuwiglijk straffen, Rom. 1 : 18, 2 : 8. Voor den oorsprong der zonde wijst de Schrift ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is Gods bestuur van de zonde, ook in haar oorsprong, niet uitgesloten. Het is God zelf, die de mogelijkheid der zonde schiep. Niet alleen formeerde Hij den mensch zoo, dat hij vallen kon. Maar Hij plantte ook den boom der kennis des goeds en des kwaads, stelde den mensch door het proefgebod voor de keuze tusschen goed en kwaad, en liet de verleiding door de slang toe. Het was zijn wil, om met den mensch den gevaarlijken weg der vrijheid te bewandelen, liever dan hem in eens boven de mogelijkheid der zonde te verheffen. De boom der kennis des goeds en des kwaads heet ongetwijfeld zoo, wijl de mensch, daarvan etende, eene kennis van goed en kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet bezat, die hem verboden was en die hij niet krijgen mocht. De vraag is, wat onder die kennis van goed en kwaad te verstaan zij. De gewone verklaring is, dat de mensch door het eten van den boom eene proefondervindelijke kennis van het goede en kwade zou krijgen; maar terecht is daartegen het bezwaar ingebracht, dat deze kennis van goed en kwaad den mensch Gode gelijk zou maken, Gen. 3 : 5 en God toch geen empirische kennis van het kwade heeft of hebben kan; voorts, dat de mensch door het eten van den boom juist de proefondervindelijke kennis van het goede verloren heeft; en eindelijk, dat Gen. 3 : 22a dan als ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf reeds onaannemelijk en met vs. 22b bepaald in strijd is. Anderen hebben daarom gemeend, dat Gen. 3 de ontwikkeling des menschen verhaalde uit den dierlijken toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben daarom in den val het eerste waagstuk der rede, den aanvang van het zedelijke leven, den oorsprong der cultuur, de gelukkigste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid gezien; zoo reeds in vroeger tijd sommige Ophieten, die de slang hielden voor eene incarnatie van den Logos, en later Kant, Mutmassl. Anfang der Menschengesch. 1786. Schiller, Ueber die erste Menschengesellschaft 1790. Hegel, Werke VII 1 S. 14 f. IX 390 f. XI 194. Strauss, Gl. II 29, cf. Bretschneider, Syst. Entw. § 89. Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal |36| zoozeer in strijd, dat ze tegenwoordig schier algemeen wordt prijs gegeven. Immers zou ze onderstellen, dat God den mensch in een toestand van kinderlijke, zelfs dierlijke onnoozelheid schiep en hem daarin steeds had willen houden; maar de kennis, ook de zedelijke, was den mensch reeds bij zijne schepping geschonken, gelijk de schepping naar' Gods beeld, de naamgeving aan de dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst; en die kennis, welke de mensch door zijn val verwierf, was eene gansch andere, die door God verboden was en hem allerlei straf waardig maakte. Gen. 3 verhaalt geen Riesenfortschritt maar een val van den mensch, Wellhausen, Gesch. Israels 1878 S. 344 f. Rütschi, Gesch, u. Krit. der k. Lehre v.d. urspr. Vollkommenheit, Leiden 1881 S. 8. Smend, Altt. Relig. 120. Marti, Gesch. d. israel. Relig. 1897 S. 179. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 151 f. Dezen staan dan ook het gevoelen voor, dat onder de kennis van goed en kwaad niet de allereerste verstandelijke of zedelijke kennis is te verstaan, maar wel, met beroep op 2 Sam. 19 : 35, 36 die intellectuelle Welterkenntniss, die metaphysische Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange, ihrem Werth oder Unwerth, ihrem Nutzen oder Schaden für den Menschen, m.a.w. de wijsheid, de kunst der wereldbeheersching, die feitelijk den mensch zelfstandig en Gode gelijk maken en dezen de heerschappij ontnemen zou. Dit gevoelen wordt echter door dezelfde bezwaren als het vorige gedrukt; alleen bevat de wijze, waarop Marti het ontwikkelt, eene vingerwijzing naar de juiste uitlegging. Het komt n.l. in Gen. 3 niet allereerst op den inhoud der kennis aan, welke de mensch door ongehoorzaamheid verwerven zou, maar op de wijze, waarop hij haar verkrijgen zou, cf. Kuyper, Heraut 950. 951. Duidelijk wordt de aard van de kennis van goed en kwaad, hier bedoeld, daardoor omschreven, dat de mensch erdoor gelijk zou worden aan God, Gen. 3 : 5, 22. Door te eten van den boom, zou hij zich van God losmaken, zelf oordeelen en bepalen, wat goed en wat kwaad was, zijn inzicht en zijne wijsheid stellen tegenover de wijsheid Gods, en zoo zichzelven Gode gelijk maken. In plaats van in afhankelijkheid van God, in onderwerping aan zijne wet te leven en te handelen, zou de mensch, etende van den boom en het gebod overtredende, op eigen voeten gaan staan, zelf den weg kiezen, dien hij gaan wilde, en zelf zijn eigen geluk zoeken. |37| Toen de mensch viel, kreeg hij dan ook wat hij wenschte, hij maakte zich Gode gelijk, zelfstandig, door eigen inzicht en oordeel kennende het goed en het kwaad; Gen. 3 : 22 is ontzettende ernst. Maar deze emancipatie van God leidde niet en kan niet leiden tot het ware geluk. Daarom verbiedt God in het proefgebod dezen vrijheidsdrang, deze zucht naar onafhankelijkheid. Maar de mensch bezweek voor de proef en sloeg vrijwillig en moedwillig zijn eigen weg in.

Nog maar korten tijd had hij waarschijnlijk in den staat der onschuld verkeerd, toen hij van buitenaf door eene slang, die schranderder (£ûrv, LXX fronimov, prudens, cf. Mt. 10 : 16, 2 Cor. 11 : 3) was dan al het gedierte des velds, verzocht en ten val gebracht werd. De slang richt zich niet tot den man maar tot de vrouw, die het verbod van het eten van den boom niet zelve rechtstreeks van God maar door middel van haar man had ontvangen en daarom ontvankelijker was voor redeneering en twijfel. Allereerst beproeft de slang dan ook in het hart der vrouw twijfel te wekken aan het gebod Gods, en stelt dit daartoe ook voor, als door God uit hardheid en zelfzucht gegeven. De vrouw toont in de wijze, waarop zij het gebod teruggeeft en uitbreidt, duidelijk, dat haar dat gebod Gods als eene scherpe grens en als eene beperkende bepaling tot het bewustzijn gekomen is. Nadat de twijfel gewekt en de lastigheid van het gebod tot het bewustzijn gebracht is, gaat de slang voort, om beide ongeloof en hoogmoed te zaaien in het toebereide gemoed van de vrouw; zij ontkent nu beslist, dat de overtreding van dat gebod den dood ten gevolge zal hebben en ze geeft te verstaan, dat God dat gebod slechts uit zelfzucht heeft gegeven; als de mensch eet van den boom zal hij, in plaats van te sterven, Gode gelijk worden en eene volmaakte, Goddelijke kennis ontvangen. De verzekering van de slang en de hooge verwachting, die zij opwekte, deden de vrouw zien naar den boom; en naarmate zij langer zag, werd ze bekoord door zijne vrucht. Begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches, grootschheid des levens maakten de verzoeking onweerstaanbaar; ten slotte nam zij van de vrucht en zij at, en zij gaf ook haren man met haar en hij at. Het spreken der slang heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit verhaal eene allegorie was, of dat althans de slang geen werkelijk dier was, maar een naam en beeld voor de begeerlijkheid, Philo, |38| Clemens Alex., Strom. III 14. 17; of voor den geslachtslust, Schopenhauer, Die Welt als W.u.V.6 II 654. 666; of voor de dwalende rede, Bunsen in zijn Bibelwerk; of ook voor Satan, Cajetanus, Eugubinus, Jurius, Rivetus, Amyraldus, Vitringa vader en zoon, Venema e.a., cf. Marck, Hist. Parad. III 5, 5. M. Vitringa, II 256, en ook J.P. Val d’Eremas, The serpent of Eden, a philol. and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various interpretations, London 1888. Maar deze verklaring is niet aannemelijk; de slang wordt in Gen. 3 : 1 onder de dieren gerekend; de straf vs. 14, 15 onderstelt eene werkelijke slang, en 2 Cor. 3 : 11 is Paulus van dezelfde meening. Ook de mythische opvatting, die later opkwam en bij velen ingang vond, is met de bedoeling van het verhaal, met heel de omgeving, waarin het voorkomt, en met de doorloopende leer der Schrift in strijd; bovendien loopen de mythische verklaringen onderling ook zeer uiteen, Hengstenberg, Christol. I2 5. Köhler, Bibl. Gesch. I 6. Delitzsch op Gen. 3 : 1. Het spreken der slang is daarom op eene andere wijze te verklaren; echter niet met Josephus, Ant. I 1, 4, uit de meening van den verhaler, dat de dieren vóór den val de gave der taal hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mensch wezenlijk van de dieren onderscheiden is, hun namen gaf en onder hen geen hulpe vond, maar ongetwijfeld uit de inwerking eener geestelijke, bovenaardsche macht. Van welken aard die macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen woord gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft maar verklaart niet. Velen zijn nu wel van meening geweest, dat Gen. 3 niets anders verhaalt dan het ontstaan der vijandschap tusschen mensch en dier. Maar behalve dat deze verklaring om hare platheid niet bevredigt, is ze in strijd met wat in Gen. 2 over de verhouding van mensch en dier is verhaald, en zegt zij ons niet, hoe en waarom de slang als eene verleidende macht tegenover den mensch optrad. Vandaar dat velen thans weer, tot de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat deze in de aprocriefe litteratuur des O.T. gehuldigd wordt, Clemen, Chr. Lehre v.d. Sünde I 158 f. Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3 van den geestelijken achtergrond der gebeurtenissen geen gewag maakt. Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht der openbaring de diepte der duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt de zonde in haar wezen en macht eerst |39| in den loop der geschiedenis bekend. De afwijking van den rechten weg is bij den aanvang gering en nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in eene geheel verkeerde richting en leidt tot eene gansch tegenovergestelde uitkomst. Daaruit is ook te verklaren, dat de Schrift, beide in Oud en Nieuw Testament, betrekkelijk zoo zelden naar het verhaal van den val terugziet; de voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn Job 31 : 33, Spr. 3 : 18, Jes. 43 : 27, Hos. 6 : 7, Ezech. 28 vs 13-15, Rom. 5 : 12v., 8 : 20, 1 Cor. 15 : 21v., 42v., 2 Cor 11 : 3, 1 Tim. 2 : 14, Op. 2 : 7, 22 : 2, cf. Krabbe, Die Lehre v.d. Sünde und vom Tode, Hamburg 1836 S. 83-100. Hofmann, Schriftbeweis, I 364 f. Kurtz, Gesch. d. A. Bundes I2 1853 S. 69 en voor de aanhalingen in de aproeriefe litteratuur, Clemen t.a.p. 169 f. 173. Eerst Paulus stelt tegenover den persoon van Christus de beteekenis van Adam in het licht. Zoo wordt ook eerst allengs in de geschiedenis der openbaring de geestelijke macht bekend, die achter de verschijning en verleiding der slang zich verbergt. Dan wordt langzamerhand onthuld, dat in de worsteling van het kwaad hier op aarde ook een strijd der geesten gemengd is, en dat de menschheid en de wereld de buit is, om welke tusschen God en Satan, tusschen hemel en hel wordt gekampt.

Heel de macht der zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der duisternis in de wereld der geesten. Ook daar heeft een val plaats gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8 : 44, dat de duivel een menschenmoorder is ‡pH ‡rcjv, d.i. van den aanvang van het bestaan der menschheid af, dat hij in de waarheid oÇc ›stjken, zich niet gesteld heeft en dus niet staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen sprekende, k twn ¸diwn spreekt. Evenzoo leert 1 Joh. 3 : 8, dat hij zondigt van den beginne; in 1 Tim. 3 : 6 waarschuwt Paulus den neophyt tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle e¸v krima tou diabolou, in eenzelfde oordeel, als den duivel getroffen heeft; en Judas spreekt in vs. 6 van ‡ggelouv touv mj tjrjsantav tjn ›autwn rcjn ‡lla ‡polipontav to ¸dion o¸kjtjrion, d.i. van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of ook heerschappij niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten hebben. Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet tevreden waren met den staat, waarin zij door God waren geplaatst. |40| Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een anderen, hoogeren stand. De zonde is het eerst uitgebroken in de wereld der geesten; zij is opgekomen in het hart van wezens, van wie wij slechts geringe kennis bezitten; onder verhoudingen, die ons zoo goed als geheel onbekend zijn. Maar dit is op grond der H. Schrift zeker, dat de zonde niet eerst op aarde maar in den hemel is aangevangen, aan den voet van Gods troon, in zijne onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de val der engelen heeft plaats gehad vóór dien van den mensch. De Schrift zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der engelen en de schepping van den mensch; zij zegt ook niet, wat de gevallen engelen dreef, om den mensch te verleiden. Maar om wat reden dan ook, Satan is é satanav, é peirazwn, é diabolov van het menschelijk geslacht, ‡nqrwpoktonov, Mt. 4 : 3, Joh. 8 : 44, Ef. 6 : 11, 1 Thess. 3 : 5, 2 Tim. 2 : 26, é drakwn é megav, é ìfiv é ‡rcaiov, Op. 12 : 9, 14, 15, 20 : 2. Zoo kwam hij tot Christus, den tweeden Adam; en zoo kwam bij ook tot den eersten mensch. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot hem kwam, maar zich bediende van eene slang, is wel daaruit te verklaren, dat hij beter hoopte te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat aan den mensch als goed bekend was. Zonder twijfel moet het spreken der slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde sterkte de verleiding; zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam tot hoogere volmaaktheid. Overigens leert ons de Schrift, dat ook de onreine geesten bovenmenschelijke dingen kunnen doen en van lichamen en spraakorganen zich tijdelijk kunnen meester maken, Mt. 8 : 28v., Mk. 5 : 7v., Luk. 8 : 28v., Hd. 19 : 15. De verleiding door Satan had bij den mensch den val ten gevolge. De Schrift zoekt den oorsprong der zonde alleen in den wil van het redelijk schepsel.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004