6. In de voorzienigheid, als onderhouding of als medewerking gedacht ligt de regeering reeds opgesloten. Wie zoo de dingen in stand houdt, dat hij niet alleen het zijn maar zelfs de krachten en werkingen draagt door zijn wil,en zijn wezen, die is absoluut souverein, koning in waren zin. De regeering is daarom geen nieuw element, dat bij onderhouding en medewerking bijkomt; zij is, evenals elk van deze beide, op zichzelve de gansche voorzienigheid, alleen nu maar beschouwd van uit het standpunt van het einddoel, waar God al het geschapene door zijne voorzienigheid henenleidt. Het is eene schoone, rijke gedachte, als de H. Schrift God telkenmale Koning noemt en zijne voorzienigheid als eene regeering beschrijft. Er zijn er velen in dezen tijd, die elk denkbeeld van souvereiniteit in gezin, staat, maatschappij verwerpen en van niets willen weten dan van democratie en anarchie. Onder invloed van deze beschouwingen zijn er ook, die in de theologie de voorstelling van God als Koning oud-testamentisch en verouderd |29| vinden en hoogstens nog van God als Vader willen spreken. Maar dit oordeel is oppervlakkig en onwaar. Vooreerst is de Vadernaam voor God niet nieuwtestamentisch maar ook reeds in het Oude Testament en zelfs bij de Heidenen gebruikelijk; het N. Test. moge de beteekenis ervan rijker en dieper hebben opgevat, het heeft dien naam niet het eerst aan God gegeven, cf. deel II 113. Omgekeerd komt de naam van Koning voor het Goddelijk wezen niet alleen in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voor, Mt. 6 : 10, 13, 33, 1 Tim. 1 : 17, 6 : 15, Op. 19 : 6 enz. En ten tweede is de benaming van Koning Gode niet minder waardig dan die van Vader. Alle patria in hemel en op aarde wordt genoemd uit Hem, die de Vader is van onzen Heere Jezus Christus, Ef. 3 : 15. Alle verhoudingen, die er onder schepselen tusschen meerderen en minderen bestaan, zijn eene gelijkenis van die ééne oorspronkelijke relatie, waarin God staat tot de werken zijner handen. Wat een vader is voor zijn gezin, wat een opvoeder is voor de jeugd, wat een bevelhebber is voor het leger, wat een vorst is voor zijn volk, dat alles en zooveel meer is God op gansch oorspronkelijke wijze voor zijne schepselen. Niet ééne, maar al zijne deugden komen in de wereld tot openbaring en behooren dus door ons te worden geeerd. En nu is vooral ook het koningschap eene heerlijke Goddelijke instelling. Het geeft aan het volk niet alleen eene persoonlijke eenheid, maar neemt als erfelijk koningschap ook liet karakter van oorspronkelijkheid, verhevenheid, onafhankelijkheid en onveranderlijkheid aan. In dit alles is het een schoon, zij het dan ook zwak, beeld van het koningschap Gods. Alle souvereiniteit op aarde is ontleend, afgeleid, tijdelijk, beperkt, menigmaal niet ten zegen maar ten vloek. Maar God is Koning in volstrekten en in waarachtigen zin. De regeering der wereld is niet democratisch en niet aristocratisch, niet republikeinsch en niet constitutioneel, maar monarchaal. Godes is de ééne, ongedeelde, wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht; zijne souvereiniteit is oorspronkelijk, eeuwig, onbeperkt, zegenrijk. Hij is de Koning der koningen en de Heer der heeren, 1 Tim. 6 : 15, Op. 19 : 6. Zijn koninkrijk is het gansch heelal. Zijns is hemel en aarde, Ex. 19 : 5, Ps. 8 : 2, 103 : 19, 148 : 13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82 : 8, regeert over de Heidenen, Ps. 22 : 29, 47 : 9, 96 : 10, Jer. 10 : 7, Mal. 1 : 14, en is de Allerhoogste over de gansche aarde, Ps. 47 : 3, 8, |30| 83 : 19, 97 : 9. Hij is Koning in eeuwigheid, Ps. 29 : 10, 1 Tim. 1 : 17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te beduiden, Ps. 93 : 3, 4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6 : 10, 1 Cor. 15 : 24, Op. 12 : 10; zijne heerlijkheid zal geopenbaard en zijn naam gevreesd worden van den opgang tot den ondergang der zon, Jes. 40 : 5, 59 : 19; Hij zal Koning over de gansche aarde zijn, Zach. 14 : 9. Ook in deze regeering handelt God met ieder ding naar zijn aard. Deus regit res, naturae ipsarum convenienter, Alsted, Theol. schol. 301. En daarom wordt die regeering Gods ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld en met verschillende namen genoemd. Door zijne regeering houdt Hij de wereld staande en bevestigt ze, zoodat zij niet wankelen zal, Ps. 93 : 1; Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104 vs. 19, 20, gebiedt den regen en houdt hem in, Gen. 7 : 4, 8 : 2, Job 26 : 8, 38 : 22v., geeft rijm en sneeuw en ijs, Ps: 147 : 16, scheldt, d.i. bestraft en stilt de zee, Nah. 1 : 4f. Ps. 65 : 8, 107 : 29, zendt vloek en verderf, Deut. 28 : 15v., alles doet zijn woord, Ps. 148 : 8. Even machtig en souverein regeert Hij in de wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de Heidenen en bezit alle natiën, Ps. 22 : 29, 82 : 8, acht de volken minder dan niets en ijdelheid, Jes. 40 : 17, doet met de inwoners der aarde naar zijn welgevallen, Dan. 4 : 35, en leidt aller hart en gedachte, Spr. 21 : 1.

En deze regeering Gods over zijne redelijke schepselen strekt zich niet alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur en genade de Gever is, Jak. 1 : 17, en ook niet alleen tot zijne gunstgenooten, die Hij verkiest, roept, bewaart, verzorgt en tot die eeuwige zaligheid leidt, maar strekt zich ook uit tot het kwade en tot degenen, die het kwade liefhebben en doen. Wel staat het vast door de gansche Schrift heen, dat God de zonde met zijn gansche wezen haat, Deut. 32 : 4, Ps. 5 : 5-7, Job 34 : 10, 1 Joh. 1 : 5 enz.; en zijne regeering legt door het verbod der zonde in wet en conscientie, door haar oordeelen en gerichten daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin leert de gansche Schrift tevens, dat de zonde van het begin tot het einde onder Zijn Goddelijk regiment staat, cf. Clemen, Die christl. Lehre von der Sünde, Göttingen 1897 I 123-151. Bij haar aanvang treedt God soms verhinderend op; Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20 : 6, 31 : 7, vernietigt den |31| raad der goddeloozen, Ps. 33 : 10, schenkt kracht om in de verzoeking staande te blijven, 1 Cor. 10 : 13, en houdt in zoover altijd de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en den zondaar door eenige angst en vreeze in de conscientie intoomt. Maar deze impeditio is lang niet de eenige vorm, waarin God de zonde regeert. Menigmaal laal Hij ze toe en verhindert ze niet. Hij heeft Israel overgegeven in ’t goeddunken zijns harten, Ps. 81 : 13, liet de Heidepen wandelen in hunne eigene wegen, Hd. 14 : 16, 17 : 30 en gaf ze over in een verkeerden zin, Rom. 1 : 24, 28; en zoo kan gezegd worden, dat God toeliet den val van Adam, den moord van Abel, de ongerechtigheid der menschen, vóór den zondvloed, Gen. 6 : 3, den verkoop van Jozef, Gen. 37, de veroordeeling van Jezus enz. Maar deze permissio is zoo weinig negatief, dat de zonde, ook in haar allereersten aanvang onder Gods besturende macht en souvereiniteit staat. Hij schept en ordent de gelegenheden en aanleidingen tot zondigen, om den mensch te beproeven en daardoor òf te sterken en te bevestigen òf ook te straffen en te verharden, Gen. 2 : 7, 2 Chr. 32 : 31, Job 1, Mt. 4 : 1, 6 : 13, 1 Cor. 10 : 13. Ofschoon de zonde eerst niets anders scheen dan eene willekeurige daad van menschen, blijkt het toch later, dat God er zijn hand in had en dat ze geschiedde naar zijn raad, Gen. 46 : 8, 2 Chron. 11 : 4, Luk. 24 : 26, Hd. 2 : 23, 3 : 17, 18, 4 : 28. Zelfs wordt zij in haar aanvang wel niet formaliter en subjective maar toch materialiter Gode toegeschreven. God is de pottebakker en de mensch is het leem, Jer. 18 : 5, Klaagl. 3 : 38, Jes. 45 : 7, 9, 64 : 7, Am. 3 : 6; Hij verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4 : 21, 7 : 3, 9 : 12, 10 vs. 20, 27, 11 : 10, 14 : 4, Deut. 2 : 30, Jos. 11 : 20, Jes, 6 : 10, 63 : 17, Mt. 13 : 13, Mk. 4 : 12, Luk. 8 : 10, Joh. 12 : 40, Hd. 28 : 26, Rom. 9 : 18, 11 : 8; Hij wendt het hart zoo, dat het haat en ongehoorzaam is, 1 Sam. 2 : 25, 1 Kon. 12 : 25, 2 Chron. 25 : 20. Ps. 105 : 24, Ezech. 14 : 9. Hij zendt een boozen geest, een leugengeest, Richt. 9 : 23, 1 Sam. 16 : 14, 1 Kon. 22 : 23, 2 Chron. 18 : 22, port door Satan David aan, 2 Sam. 24 : 1, 1 Chr. 21 : 1, doet Simei vloeken, 2 Sam. 16 : 10, geeft de menschen over aan hunne zonden, laat de maat hunner ongerechtigheid vol worden, Gen. 15 : 16, Rom. 1 : 24, zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess. 2 : 11, stelt Christus tot een val en opstanding, tot eene reuke des doods en des levens, Luk. 2 vs 34, |32| Joh. 3 : 19, 9 : 39, 2 Cor. 2 : 16, 1 Petr. 2 : 8 enz., cf. deel II 315v., 369v. En niet alleen bij den aanvang maar ook bij den voortgang houdt God de zonde onder zijn almachtig bestuur; menigmaal bindt Hij ze in, beperkt ze, stuit ze in haar vaart en maakt er door oordeelen en gerichten een einde aan, Gen. 7 : 11, Ex. 15 enz., Mt. 24 : 22, 2 Petr. 2 : 9, maar ook waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16 : 9, 21 : 1, en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering van zijn raad, aan de verheerlijking van zijn naam, Gen. 45 : 7, 8, 50 : 20, Ps. 51 : 6, Jes. 10 : 5-7, Job 1 : 20, 22, Spr. 16 : 4, Hd. 3 : 13, Rom. 8 : 28, 11 : 36. Evenals de zonde, het malum culpae, staat ook het lijden, het malum poenae, onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3 : 6, Jes. 45 : 7, Job 2 : 10. De dood is zijne straf en ingetreden op zijn bevel, Gen. 2 : 17, en alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden, alle bezoekingen en oordeelén komen den menschen toe van Gods almachtige hand, Gen. 3 : 14v., Deut. 28 : 15v. enz. Reeds onder Israel echter werd de disharmonie opgemerkt, die in dit leven tusschen zonde en straf, heiligheid en zaligheid bestaat, Ps. 73, Job, Pred. Het geloof worstelde met dit ontzettend probleem, maar het hief daaruit toch weer zegevierend het hoofd op, niet omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke liefde des Heeren. De voorspoed der goddeloozen is slechts schijn en in elk geval slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook in het zwaarste lijden nog Gods liefde en gunst deelachtig, Ps. 73, Job. Het lijden der vromen heeft menigmaal niet in hun persoonlijke zonde maar in de zonde der menschheid zijn grond en in het heil der menschheid en in de eere Gods zijn doel. Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1 : 18, 27, 2 : 5, 6, 2 Thess. 1 : 9, maar het dient ook ter beproeving en kastijding, Deut. 8 : 5, Job 1 : 12, Ps. 118 : 8, Spr. 3 : 12, Jer. 10 : 24, 30 : 11, Hebr. 12 : 6v., Op. 3 : 19; ter versterking en bevestiging, Ps. 119 : 67, 71, Rom. 5 : 3-5, Hebr. 12 : 10, Jak. 1 : 2-4; tot getuigenis voor de waarheid, Ps. 44 : 23, Hd. 5 : 41. Phil. 1 : 29, 2 Tim. 4 : 6; ter verheerlijking Gods, Joh. 9 : 2. In Christus is recht en genade met elkander verzoend; |33| het lijden is de weg tot de heerlijkheid, het kruis wijst heen naar de kroon, lignum crucis arbor vitae. Het einde, waartoe alle dingen door de voorzienigheid Gods worden heengeleid, is de stichting van zijn rijk, de openbaring zijner deugden, de eere van zijn naam, Rom. 11 : 32-36, 1 Cor. 15 : 18, Op. 11 : 15, 12 : 13 enz. Op deze vertroostende wijze handelt de Schrift over de voorzienigheid Gods. Raadselen blijven er genoeg over, zoowel in het individueele leven als in de geschiedenis van wereld en menschheid; de dogmatiek houdt zich van nu voortaan met niets anders bezig dan met de mysteriën, welke de voorzienigheid Gods in zonde, vrijheid, verantwoordelijkheid, straf, lijden, dood, genade, verzoening, gebed enz. voor ons aan de orde heeft gesteld en behoeft hier dus op al die onderwerpen niet in te gaan. Maar over al die raadselen en mysteriën laat God schijnen het licht van zijn Woord, niet om ze op te lossen, maar opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden, Rom. 15 : 4. De leer der voorzienigheid is geen wijsgeerig systeem maar eene belijdenis des geloofs, eene belijdenis, dat, in weerwil dat de schijn der dingen er dikwerf tegen spreke, toch geen Satan en geen mensch en geen enkel creatuur maar God en Hij alleen door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en regeert. Zulk eene belijdenis is in staat, om ons te bewaren zoowel voor een oppervlakkig optimisme, dat de raadselen des levens miskent, als voor een hoogmoedig pessimisme, dat vertwijfelt aan wereld en lot. Want de voorzienigheid Gods gaat over alle dingen, over het goede niet alleen, maar ook over de zonde en het lijden, de smart en den dood; want indien deze aan Gods leiding waren onttrokken, wat bleef er dan nog in deze wereld voor zijne regeering over? Zij openbaart zich niet alleen en niet voornamelijk in de buitengewone gebeurtenissen en in de wonderen, maar evenzeer in de vaste orde der natuur en in de gewone voorvallen van het dagelijksch leven; want welk arm geloof zou het zijn, dat Gods hand en raad wel van verre zag in enkele gewichtige gebeurtenissen, maar niet bespeurde in elgen leven en lot? En zij leidt alle deze dingen, niet tegen maar overeenkomstig hun natuur, niet buiten de middelen om maar door deze heen; want welke kracht zou er schuilen in een geloof, dat stoicijnsche onverschilligheid of fatatistische berusting als de ware Godsvrucht prees? Zoo echter, als de almachtige en |34| alomtegenwoordige kracht Gods, maakt zij ons in voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig; doet zij ons met kinderlijke onderwerping in de leiding des Heeren berusten en wekt zij toch tegelijk uit onze traagheid tot de hoogste activiteit ons op; en schenkt zij ons onder alles een goed toevoorzicht op onzen getrouwen God en Vader, dat Hij ons met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en dat Hij al het kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal toeschikt, ons ten beste keeren zal, wijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004