Hoofdstuk VI.

Over de wereld in haar gevallen staat.


§ 35. De Voorzienigheid

1. Als God op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij gemaakt had, Gen. 2 : 2, Ex. 20 : 11, 31 : 17. Zoo duidt de Schrift den overgang aan van het werk der schepping tot dat der onderhouding. Dat dit rusten Gods zijn oorzaak niet heeft in vermoeienis noch ook in een ledig toezien bestaat, wordt door de H. Schrift telkens klaar en duidelijk uitgesproken, Jes. 40 : 28, Joh. 5 : 17. Het scheppen is voor God geen werk en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde maakte, Pred. 1 : 9, 10; dat het werk der schepping in eigenlijken en engeren zin, als productio rerum e nihilo, was afgeloopen; en dat Hij in dit voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich verlustigde, Gen. 1 : 31, Ex. 31 : 17, Ps. 104 : 31, cf. August., de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad lit. IV 8 sq. Lombardus, Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73. Calvijn op Gen. 2 : 2. Zanchius, Op. III 537 enz. Het scheppen gaat nu in onderhouden over. Beide zijn in de Schrift zoo wezenlijk onderscheiden, dat ze als arbeid en rust tegenover elkander kunnen worden geplaatst. En zij zijn toch ook zoo innig verwant en verbonden, dat het onderhouden zelf een scheppen kan heeten, Ps. 104 : 30, 148 : 5, Jes. 45 : 7, Am. 4 : 13. De onderhouding is immers zelve ook een Goddelijk werk, niet minder groot en heerlijk dan de schepping. God is geen Deus otiosus, Hij werkt altijd, Joh. 5 : 17, |2| en de wereld heeft geen bestand in zichzelve. Van het oogenblik van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot God, Neh. 9 : 6, Ps. 104 : 30, Hd. 17 : 28, Rom. 11 : 36, Col. 1 : 15, Hebr. 1 : 3, Op. 4 : 11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen, is ze in haar bestaan nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid ware niet-zijn. De gansche wereld met alwat in haar is en geschiedt, staat onder Gods bestuur; zomer en winter, dag en nacht, vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en duisternis, alles is zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8 : 22, 9 : 14, Lev. 26 : 3v Deut. 11 : 12v., Job 38, Ps. 8, 29, 65, 104, 107, 147, Jer. 3 : 3, 5 : 24, Mt. 5 : 45 enz. De Schrift kent geen onafhankelijk schepsel; het ware eene tegenspraak in zichzelve. God zorgt voor alle schepselen, voor dieren, Gen. 1 : 30, 6 : 19, 7 : 2, 9 : 10, Job 38 : 41, Ps. 36 : 7, 104 : 27, 147 : 9, Joël 1 : 20, Mt. 6 : 26 enz., en inzonderheid ook voor menschen. Hij ziet hen allen, Job 34 : 21, Ps. 33 : 13, 14, Spr. 15 : 3, formeert hun aller hart en let op al hunne werken, Ps. 33 : 15, Spr. 5 : 21; zij zijn allen zijner handen werk, Job 34 : 19, de armen en de rijken, Spr. 22 : 2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32 : 8, Hd. 17 : 26, neigt aller hart, Spr. 21 : 1, bestuurt aller gangen, Spr. 5 : 21, 16 : 9, 19 : 21, Jer. 10 : 23 enz. doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar zijn welgevallen, Dan. 4 : 35. Zij zijn in zijne handen als leem in de hand des pottebakkers, als eene zaag in de hand desgenen, die haar trekt, Jes. 29 : 16, 45 : 9, Jer. 18 : 5, Rom. 9 : 20, 21. Zeer bijzonder gaat zijn voorzienig bestuur nog over zijn volk. Heel de geschiedenis van de aartsvaders, van Israel, van de gemeente, en van ieder geloovige is daarvoor ten bewijze. Wat menschen hun ten kwade hebben gedacht, denkt God hun ten goede, Gen. 50 : 20; alle instrument, tegen hen bereid, zal niet gelukken, Jes. 54 : 17; zelfs de haren huns hoofds zijn alle geteld, Mt. 10 : 30; alles werkt hun ten goede mede, Rom. 8 : 28. Zoo staat al het geschapene in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval en noodlot, zijn der Schrift onbetend, Ex. 21 : 13, Spr. 16 : 33. Het is God, die alles werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1 : 11,en alles dienstbaar maakt aan de openbaring zijner deugden, aan de eere zijns naams, Spr. 16 : 4, Rom. 11 : 36. Dit alles vat de Schrift op schoone wijze daarin saam, dat zij telkenmale van God spreekt als van een Koning, die alle dingen regeert, Ps. 10 : 16, |3| 24 : 7, 8, 29 : 10, 44 : 5, 47 : 7, 74 : 12, 115 : 3, Jes. 33 : 22 enz. God is een Koning, de Koning der koningen en de Heere der heeren; een Koning, die in Christus een vader is voor zijne onderdanen, en een Vader, die tevens koning is over zijne kinderen. Alwat er onder schepselen, in dieren- en menschen- en engelenwereld, in gezin en maatschappij en staat gevonden wordt van zorge voor, van liefde tot, van bescherming van den een door den ander, is eene zwakke afschaduwing van Gods voorzienig bestel over alle werken zijner handen. Zijne volstrekte macht en zijne volmaakte liefde zijn het eigenlijk object van het voorzienigheidsgeloof in de H. Schrift.

Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De leer van de voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit Gods openbaring in de natuur aan alle menschen ten deele bekend. Zij is een geloofsartikel in iederen, ook in den meest verbasterden godsdienst; wie haar ontkent, ondermijnt de religie; zonder haar is er voor gebed en offerande, voor geloof en hope, voor vertrouwen en liefde geen plaatse meer. Waarom God dienen, vraagt Cicero, Nat. D. I 2, indien Hij zich in het geheel niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in met het woord van Sophocles, Elect. 173: sti megav n oÇranû Zeuv, év for‹ panta kai kratunei. En ook de wijsbegeerte heeft deze voorzienigheid Gods menigmaal erkend en verdedigd, b.v. Socrates bij Xenophon, Mem. I 4 IV 3. Plato in Timaeus, Leges X 901, Rep. X 613 A. Aristoteles in Eth. Nic. X 9. de Stoa bij Cicero, Nat. D. II. Seneca, de providentia en de beneficiis, Cicero, Nat. D. I 2 III 26, Plutarchus, de fato, Plotinus, peri e³marmenjv en peri pronoiav, cf. ook Philo’s geschrift peri pronoiav, Wendland, Philo’s Schrift über die Vorsehung, Berlin 1892. Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidensche religie en philosophie niet dezelfde, welke ze in het Christendom is. Bij de Heidenen was het voorzienigheidsgeloof meer theorie dan practijk, meer wijsgeerige beschouwing dan religieus dogma; het reikte niet toe in nood en in dood; het slingerde tusschen toeval en noodlot altijd heen en weer. Wijl God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen formeerder der wereld was, vond zijne macht in de eindige materie haar grens, Zeller, Philos. d. Gr. II4 928. Ofschoon Aristoteles zijn geloof aan Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch |4| voor hem geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de Godheid als nojsiv nojsewv staat in eenzame zelfbeschouwing buiten de wereld, zonder wil, zonder handeling, en het schepsel heeft van haar geen hulpe of liefde te wachten, ib. III 368 f. 790 f. Bij de Stoa was de pronoia met de e³marmenj en de fusiv identisch, ib. IV 143; en volgens Epicurus was de voorzienigheid met de zaligheid der Goden in strijd, ib. 428. En wel spanden sommigen, zooals Plutarchus en Plotinus, zich in, om aan toeval en noodlot beide te ontkomen; maar feitelijk verhief zich het noodlot altijd weer achter en boven de Godheid, en drong het toeval van beneden weer in de lagere sehepselen en de kleinere gebeurtenissen in; magna Dii curant, parva negligunt, Cicero, Nat. D. II 167. Cf. Pfanner, Syst. theol. gent. c. 8. Creutzer, Philosophorum veterum loci de provid. divina ac de fato 1806. Schneider, Christl. Klänge aus den gr. u. röm. Klassikern, 1865 S. 231 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004