§ 34. De Bestemming van den Mensch.


1. Ofschoon Adam naar Gods beeld geschapen was, hij was het toch niet aanstonds in den volsten zin en hij was het ook niet alleen op zichzelf. Eerst dan staat het beeld Gods in zijn ganschen rijkdom voor ons, als wij daarin ook opnemen de bestemming van den mensch, zoowel voor dit als voor het toekomende leven. In 1 Cor. 15 : 45-49 stelt Paulus de beide verbondshoofden, Adam en Christus, tegenover elkander en vergelijkt hen, niet zoozeer, gelijk in Rom. 5 : 12-21 en 1 Cor. 15 : 22, ten opzichte van wat zij teweegbrachten, als wel met betrekking tot hun natuur en persoon. De vergelijking daalt hier het diepste af en dringt tot den wortel van beider onderscheid door. De gansche Adam, zoo vr als na den val, wordt tegengesteld aan den ganschen Christus, zoo na als vr de opstanding. De eerste mensch is krachtens de schepping yucj zwsa, yucikov, k gjv coikov; maar de tweede mensch is door zijne opstanding pneuma |546| zwopoioun, pneumatikov, x oÇranou, cf. W. Ltgert, Der Mensch aus dem Himmel, Greifswalder Studien, H. Cremer zum 25 j. Prof. dargebracht u.s.w. Gtersloh 1895 S. 207-228. Ofschoon Adam naar Gods beeld werd geschapen, hij was, wijl aardsch uit de aarde, van de aarde afhankelijk; hij had immers behoefte aan spijs en drank, licht en lucht, dag en nacht, en had dus nog geen pneumatisch, verheerlijkt, boven al die behoeften verheven lichaam; zijn psychisch lichaam was nog niet ten volle geworden orgaan van den geest. Als zoodanig staat Adam beneden Christus: Adam is de eerste, Christus is de tweede en laatste, die Adam onderstelt en op Adam volgt; Adam is de mindere en lagere, Christus is de meerdere en hoogere; Adam wees dus naar Christus henen, hij was ook vr den val reeds type van Christus; bij de schepping van Adam werd reeds op Christus gerekend; de gansche schepping, ook die van den mensch, was infralapsarisch; het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Wat Paulus hier breed en diep uiteenzet, is in Gen. 1-2 zelf gegrond. De mensch, schoon pneuma en een adem des levens in zich dragende, werd, evenals de dieren, eene levende ziel. Hij kreeg vrucht van kruid en boom tot spijze, Gen. 1 : 29, een paradijs tot woonplaats, Gen. 2 : 8v., eene vrouw tot hulpe, Gen. 2 : 18v., een gebod tot richtsnoer, Gen. 2 : 16, 17, eene bedreiging van straf in geval van overtreding, Gen. 2 : 17. Uit alles blijkt, dat de eerste mensch, hoe hoog ook geplaatst, het hoogste nog niet had. Er is een zeer groot verschil tusschen het psychische en het pneumatische, tusschen den status integritatis en den status gloriae. Na de opstanding zullen buik en spijze teniet gedaan worden, 1 Cor. 6 :13, maar bij Adam waren beide aanwezig; in den hemel zullen de kinderen Gods niet meer huwen maar den engelen gelijk zijn, Mt. 22 : 30, doch Adam had de hulpe eener vrouw van noode. Adam stond dus niet aan het einde maar aan het begin van den weg; zijn toestand was een voorloopige en tijdelijke, die zoo niet blijven kon, en overgaan moest of tot hooger heerlijkheid of tot een val in zonde en dood. Op overtreding toch van het gebod stond de dood, maar dus stond ook bij tegenstelling op de onderhouding daarvan het leven, en wel het eeuwige leven. Want niet alleen getuigt ons aller conscientie, dat in het houden van Gods geboden groote loon is en de overtreding ervan straf medebrengt, maar de H. Schrift spreekt dit ook telkens uit; zij vat alle |547| zaligheid, aan het doen van Gods geboden verbonden, onder den naam van leven, van eeuwig leven, samen, en kent beide in werk- en in genadeverbond maar n hoogste ideaal voor den mensch, en dat is het eeuwige leven, Lev. 18 : 5, Ezech. 20 : 11, Ps. 19 : 12, Mt. 19 : 17, Luk. 10 : 28, Gal. 3 : 12. Zoo stond Adam dus nog aan den ingang; hij had dit loon, het eeuwige leven, nog niet, maar moest het verwerven, hij kon nog dwalen, zondigen, vallen, sterven. Zijne verhouding tot God was z, dat hij in zijne gemeenschap hoe langer hoe meer toenemen, maar ook daaruit nog vervallen kon. Deze eigenaardige verhouding wordt in de Schrift misschien op ne plaats met een verbond vergeleken. In Hos. 6 : 7 zegt de Heere van Israel en Juda, dat zij, in weerwil van al den arbeid aan hen ten koste gelegd tyrb wrbv £d'k, LXX óv ‡nqrwpov, Vulg., sicut Adam. De vertaling: als een mensch, wordt gedrukt door het bezwaar, dat juist van menschen in het algemeen gezegd wordt, dat zij het verbond overtraden; en de overzetting: als eens menschen (verbond), zou in elk geval vereischen, dat het woord £d'k niet achter het subject hmh, maar achter het te bepalen woord tyrb was geplaatst. En zoo blijft alleen de vertaling: als Adam, over. Er ligt dan in opgesloten, dat het gebod, aan Adam gegeven, in het wezen der zaak een verbond was, omdat het evenals dat van God met Israel, bedoelde, om Adam in den weg van gehoorzaamheid het eeuwige leven te schenken. Dit wordt nu nog versterkt, door den parallel, dien Paulus in Rom. 5 : 12-21 tusschen Adam en Christus trekt. Gelijk de gehoorzaamheid van n mensch, nl. Christus en de in Hem geschonken genade voor de menschheid vrijspraak, gerechtigheid en leven bracht, zoo is ook de ne overtreding en misdaad van den nen mensch voor de menschheid oorzaak van veroordeeling, zonde en dood. Het is met Adam als met Christus. Wij staan feitelijk tot hem in dezelfde verhouding. Hij is een type van Christus, ons hoofd, uit wien om zijne overtreding de schuld en de dood ons toekomt. Hij is de oorzaak van ons aller dood; wij sterven allen in Adam, 1 Cor. 15 : 22. Ook hier is de verhouding van Adam tot God eene verbondsrelatie, maar nu niet zoozeer beschreven naar de zijde van God, als wel naar de zijde van hen, die onder Adam als hoofd in dat verbond zijn begrepen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001