§ 33. Het wezen van den mensch

1. Het wezen van den mensch ligt daarin, dat hij Gods beeld is. De gansche wereld is eene openbaring Gods, een spiegel van zijne deugden en volmaaktheden; elk schepsel is op zijne wijze en in zijne mate belichaming van eene Goddelijke gedachte. Maar onder alle schepselen is alleen de mensch beeld Gods, de hoogste en rijkste openbaring Gods en tegelijk daardoor het hoofd en de kroon der gansche schepping, imago Dei en compendium naturae, mikroqeov en mikrokosmov te zamen. Zelfs Heidenen hebben deze waarheid erkend en den mensch Gods beeld genoemd. Pythagoras bij Cicero, de senect. c. 21. Plato, de Leg. IV 713 C. de Rep. III 415 A. X 517. Ovidius, Met. I. Cicero, de Leg. 18. Seneca, de cons. ad Helv. 6 en anderen spreken het klaar en duidelijk uit, dat de mensch of althans zijne ziel naar Gods beeld geschapen is, dat hij Gode verwant en zijn geslacht is, cf. Pfanner, Syst. theol. gent. 1679 p. 189 sq. En dat niet alleen, maar schier alle volken hebben tradities van een gouden tijdvak, een aurea aetas. Bij Chineezen, Indiërs, Eraniërs, Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken, Romeinen enz. treft men verhalen aan van een vroegeren tijd, waarin de mensch in onschuld en zaligheid leefde en in gemeenschap stond met de goden. Ze werden door de dichters bezongen, Hesiodus, Op. et dies 109 sq. Ovidius, Met. I 89 sq. Verg. Georg. I 125 sq. Aen. VIII 315 sq. en door de wijsgeeren in hun waarheid erkend, Plato, Pol.. 272 A. cf. J.G. Friderici, diss. de aurea aetate quam poetae finxerunt, Lips. 1736. Lüken, Traditionen des Menschengeschl. 1869. Zöckler, Lehre v. Urstand des Menschen 1879 S. 84 f. Oswald, Relig. Urgesch. der Menschheit 1887 S. 37 f. E.L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung, Mainz 1878. Zöckler, Bibl. u. Kirchenhist. Studien, 1893 V 1 f. Toch stelt de H. Schrift deze leer van ’s menschen Ebenbildlichkeit met God eerst in het ware, volle licht. Het eerste scheppingsverhaal bericht, dat God na opzettelijke beraadslaging den mensch schiep ûntûmdk ûnmlcb, katH e¸kona Ómeteran kai kaqH émoiwsin, ad imaginem et similitudinem nostram, Gen. 1 : 26, 27. Voorts wordt Gen. 5 : 1 en 9 : 6 nog herhaald, dat God den mensch schiep £yxn' tûmdb, en £yhl' £lcb; Psalm 8 bezingt den mensch als heer van het geschapene, |509| en Pred. 7 : 29 herinnert, dat God den mensch rHy, heeft gemaakt. Overigens spreekt het O. Test. weinig van den status integritatis; Israel was meer dan eenig ander volk een volk der hope; zijn oog was niet naar het verleden maar naar de toekomst gericht. Zelfs het N. Test. spreekt betrekkelijk zelden over het beeld Gods, waarnaar de mensch oorspronkelijk geschapen werd. Rechtstreeks vinden we daarvan alleen melding in 1 Cor. 11 : 7, waar de man e¸kwn kai doxa qeou heet, en Jak 3 : 9, waar van de menschen gezegd wordt, dat ze kaqH émoiwsin qeou gegonotav; terwijl Lukas 3 : 38 Adam den zoon van God noemt en Paulus met een heidensch dichter zegt: tou gar kai genov smen, Hd. 17 : 28. Zijdelings echter is ook Ef. 4 : 24 en Col. 3 : 10 hier van groote beteekenis; er is daar sprake van den kainov of neov ‡nqrwpov, dien de geloovigen moeten aandoen; en van dezen heet het, dat hij in overeenstemming met God, kata qeon, geschapen werd, ktisqenta, in gerechtigheid en heiligheid der waarheid, en tot kennis vernieuwd wordt katH e¸kona tou ktisantov aÇton. Er ligt hier in 1º dat de nieuwe mensch, dien de geloovigen aandoen, door God geschapen werd; 2º dat deze nieuwe mensch in overeenstemming met God en naar zijn beeld is gemaakt, en 3º dat die overeenstemming bepaaldelijk uitkomt in de gerechtigheid en heiligheid als vrucht der gekende waarheid. Dit slaat echter in zooverre op de oorspronkelijke schepping terug, als de woorden, waarvan Paulus zich bedient, duidelijk daaraan zijn ontleend; als de tweede schepping naar heel de leer der Schrift, geen creatio ex nihilo is maar eene vernieuwing van wat bestond; en als het ‡nakainousqai van den geloovige deze schepping duidelijk als eene bernieuwing beschrijft. Aan Ef. 4: 24 en Col. 3 : 10 ligt daarom de gedachte ten grondslag, dat de mensch oorspronkelijk naar Gods beeld werd geschapen en nu in de herschepping daarnaar vernieuwd wordt. Maar de Schrift verhaalt niet alleen het feit van de schepping des menschen naar Gods beeld, zij verklaart er ons ook de beteekenis van. De beide woorden £lc en twmd, e¸kwn en émoiwsiv, zijn zeker niet identisch, maar een wezenlijk, zakelijk onderscheid is er toch niet tusschen aan te wijzen. Zij worden promiscue gebruikt en wisselen zonder bepaalde reden met elkander af. In Gen 1 : 26, cf. 5 : 3 staan ze beide; in Gen. 1 : 27 en 9 : 6, cf. Col. 3 : 10 staat alleen beeld; in |510| Gen. 5 : 1, Jak. 3 : 9 alleen gelijkenis. Het onderscheid, dat er tusschen beide bestaat komt hierop neer: £lc beteekent beeld, zoowel Urbild als Abbild, twmd beteekent gelijkheid, zoowel, Vorbild als Nachbild. Der Begriff von £lc ist starrer, der von twmd fiüsziger und so zu sagen geistiger; in jenem überwiegt die Vorstellung des Urbilds, in diesem die Vorstellung des Ideals, Delitzsch, op Gen. 1 : 26. De gelijkenis is eene nadere bepaling, eene versterking en aanvulling van het beeld. Gelijkenis is op zichzelf zwakker en ruimer dan beeld; een dier heeft wel eenige trekken van gelijkheid en overeenkomst met, maar is toch geen beeld van den mensch. Beeld drukt uit, dat God archetype en de mensch ectype is; gelijkenis voegt er aan toe, dat het beeld in allen deele met het origineel overeenkomt, Augustinus, quaest. 83 qu. 74. Thomas, S. Theol. I. qu. 93 art. 9. Gerhard, Loci theol. VIII § 18. Polanus, Synt. Theol. V. 10 enz. Even weinig als tusschen deze beide begrippen, is er een wezenlijk onderscheid tusschen de praeposities b en k, die hierbij gebruikt worden. Ook deze wisselen met elkaar af; in Gen. 5 : 1 staat b bij twmd in vers 3 evenzoo en tevens k bij £lc; in het N.T. staat kata bij e¸kwn, Col. 3 : 10, maar ook bij émoiwsiv, Jak. 3 : 9. Er kan hier dus niets op gebouwd worden; alleen laat zich met Delitzsch zeggen: bei b denkt man sich die Urform, gleichsam als Gussform, bei k als Vorgehaltenes Muster. Er bestaat daarom geen grond, om met Böhl, Dogm. 154 f. uit die praepositie b af te leiden, dat het beeld Gods een sfeer en element is, waarin de mensch geschapen werd, cf. daartegen Kuyper, De Vleeschwording des Woords, 1887 bl. VIII v. Daubanton, Theol. Stud. 1887 bl. 429-444. Behalve deze woorden, biedt de Schrift voor den inhoud van het beeld Gods de volgende gegevens. Vooreerst is het duidelijk, dat de woorden beeld en gelijkenis niet iets uitdrukken in God maar in den mensch, niet aanduiden de imago increata maar de imago creata. De bedoeling is niet, dat de mensch geschapen is naar iets in God, dat den naam van beeld en gelijkenis draagt, zoodat b.v. daarmede de Zoon zou zijn aangeduid; maar de mensch is zoo naar God geschapen, dat hij zijn beeld en gelijkenis is. Vervolgens wordt deze schepping naar Gods beeld in geen enkel opzicht beperkt, noch naar de zijde der archetype noch naar die der ectype. Er wordt niet gezegd, dat de mensch alleen naar enkele deugden of ook naar één persoon |511| in het Goddelijk wezen is geschapen, noch ook, dat de mensch slechts voor een deel, naar de ziel of naar het verstand of naar de heiligheid alleen, Gods beeld en gelijkenis draagt. Veeleer is de gansche mensch beeld der gansche Godheid. Ten derde wordt de beteekenis van het beeld Gods ons nader verklaard door den Zoon, die in geheel eenigen zin logov, u³ov, e¸kwn, caraktjr tou qeou heet, Joh. 1 : 1, 14, 2 Cor. 4 : 4, Col. 1 : 15, Hebr. 1 : 3, en wien wij weder gelijk moeten worden, Rom. 1 : 29, 1 Cor. 15 : 49, Phil. 3 : 21, Ef. 4 : 23 v., 1 Joh. 3 : 2. De zoon draagt nu al deze namen, omdat Hij God uit God en licht uit licht is, hetzelfde wezen en dezelfde deugden met den Vader deelachtig. Hij heet alzoo niet van wege een deel of stuk van zijn wezen, maar omdat Hij absoluut met den Vader overeenkomt. Dit nu geldt op zijne beurt ook van den mensch. Gelijk de Zoon, zoo is de mensch als zoodanig, geheel en al, beeld Gods. Hij draagt maar niet, hij is het beeld Gods. Echter natuurlijk met dit verschil, dat wat de Zoon in absoluten zin is, de mensch is in relatieven zin. Gene is de eeuwige, eeniggeboren Zoon; deze is de geschapen zoon Gods. Gene is het beeld Gods binnen, deze buiten het Goddelijk wezen. Gene is het beeld Gods op Goddelijke, deze op creatuurlijke wijze. Maar zoo is de mensch dan ook in zijne mate beeld en gelijkenis Gods. Eindelijk ten vierde wordt hier en daar ook aangewezen, waarin dat beeld zich openbaart en naar buiten treedt. Nergens wordt de volle inhoud van dat beeld Gods ontvouwd. Maar Gen. 1 : 26 wijst duidelijk aan, dat dat beeld Gods uitkomt in zijne heerschappij over al het geschapene, cf. Ps. 8, 1 Cor. 11 : 7. De schildering van den paradijstoestand in Gen. 1 en 2 toont, dat dat beeld Gods ook de overeenstemming met den wil Gods insluit, cf. Pred. 7 : 29. En de herschepping naar het beeld van God of Christus wordt voornamelijk gesteld in het aandoen van den nieuwen mensch, die o.a. bestaat in gerechtigheid en heiligheid der waarheid.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004