4. In verband met deze leer over den oorsprong des menschen komt de evolutie ook met de Schrift in strijd ten aanzien van den ouderdom, de eenheid en de oorspronkelijke woonplaats van den mensch. Een hooge ouderdom werd aan het menschelijk geslacht toegeschreven door vele volken, zooals de Japanneezen, de Indiërs, de Babyloniërs, de Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen, die van verschillende wereldtijden en van 10 en 100 duizenden jaren spraken. De nieuwere anthropologie is meermalen tot deze fabelachtige getallen teruggekeerd, maar blijft zich evenmin als de heidensche mythologie gelijk: ze varieert tusschen 10 en 250 duizend jaren en meer. Over het bestaan van den mensch in de tertiaire periode heerscht groot verschil van gevoelen; het wordt door de meesten, ook door velen, die overigens darwinist zijn, ontkend, zooals Virchow, Mor, Wagner, Oskar Schmidt, Häckel, Zittel e.a. De vraag is daarom ook zoo moeilijk te beantwoorden, wijl de grenzen tusschen tertiaire en quaternaire periode niet zijn aan te wijzen. Maar ook al heeft de mensch in de tertiaire periode geleefd en al is hij een tijdgenoot van den mammuth geweest, dan bewijst dit niet dat de mensch zoo oud, is, maar dat die periode veel jonger is, dan men oorspronkelijk heeft gedacht. Veel onzekerder zijn de berekeningen, welke gebouwd zijn op de paalwoningen die men in Zwitserland en elders vond, op de beenderen en schedels die in holen bij Luik, Amiens, Dusseldorf enz. werden ontdekt, op de deltavormingen van Nijl |499| en Mississippi en op de steen-, brons- en ijzerperiode, die volgens sommigen elkander chronologisch opvolgden. Al de berekeningen, hierop gebouwd, zijn dan ook telkenmale door bezadigde natuuronderzoekers weersproken en weerlegd, zooals Fraas, Quenstedt, Pfaff, Dawson, Tylor, Virchow, Schaaffhausen, Kjerulf, zelfs Hellwald, Culturgesch. I 10. Hier nog meer dan bij den ouderdom der aarde geldt het, dat men wel getallen noemen kan, maar dat men geen stof heeft voor eene geschiedenis in zoo langen tijd. Van veel meer waarde voor de bepaling van den ouderdom van het menschelijk geslacht zijn de chronologische gegevens, welke door de historie en de monumenten van verschillende volken worden aan de hand gedaan. De geschiedenis van Indië en China levert geen vaste basis voor de chronologie en klimt slechts enkele eeuwen vóór Christus op. Maar met de geschiedenis van Egypte en Babylonië is het eenigszins anders gesteld. Hier is ongetwijfeld eene oude beschaving; ze bestaat reeds zoover wij in de historie terug kunnen gaan. De Schrift zelve leert dat ook duidelijk. Maar toch is de chronologie nog zoo onzeker, dat er niets op te bouwen valt. Dit blijkt afdoende daaruit, dat de regeering van den egyptischen koning Menes volgens Boeckh begint in 5702, volgens Brugsch in 4455, volgens Lepsius in 3893, volgens Bunsen in 3623, volgens Wilkinson in 2691 enz.; en dat Bunsen den historischen tijd voor Babylon laat beginnen in 3784, v. Gutschmid in 2447, Brandis in 2458, Oppert in 3540 enz., Hettinger, Apol. III 258 f. Ieder beoefenaar der oude geschiedenis heeft zijn eigen chronologie; het is een labyrinth, waarbij de draad ontbreekt; alleen bij het volk van Israel is er in eigenlijken zin van eene geschiedenis en van eene tijdrekening sprake. Fritz Hommel zegt daarom terecht, dat de chronologie voor de eerste duizend jaren vóór Christus vrij vast staat, soms tot in bijzonderheden toe; dat in de tweede duizend jaren vóór Christus slechts enkele vaste punten schijnen gegeven te zijn, en dat in de derde duizend jaren, d.i. vóór 2000 v. Chr.. alles onzeker is, Gesch. des alten Morgenlandes, Stuttgart 1895 S. 38. Trouwens, het menschelijk geslacht kan ook om andere redenen geen vele duizenden jaren vóór Christus hebben bestaan. De bevolking der aarde zou dan ten tijde van Christus veel grooter zijn geweest en veel meer zijn verspreid. En toch duizend jaren v.C. was het grootste deel der |500| aarde nog onbewoond, Noord-Azië, Midden- en Noord-Europa, Africa ten Z. van de Sahara, Australië, de Zuidzee-eilanden, Amerika. Zelfs ten tijde van Christus was, behalve in Azië, de menschheid voornamelijk nog wonende rondom de Middellandsche zee. Indien de menschheid zoo oud ware, zouden er ook veel meer ruïnen van steden en overblijfsels van menschen gevonden zijn, die nu slechts schaarsch in getal zijn en tot een deel der aarde beperkt. De betrouwbaarste getallen gaan daarom niet hooger op dan tot vijf à zeven duizend jaren v. Chr., Pfaff, Schöpf. 710-728. Gander, Die Sündflut 1896 S. 78-90. Upham haalt in een artikel over Die Zeitdauer der geolog. Epochen in het tijdschrift Gaea XXX 1894 S. 621 f. verschillende geleerden aan, die den ijstijd omstreeks zeven of acht duizend jaren vóór Christus plaatsen. Indien wij daarbij bedenken, dat er ook over de chronologie des bijbels nog alles behalve overeenstemming bestaat, dan is er ook bij dit punt geen belangrijk verschil tusschen Schrift en wetenschap. Maar zelfs indien naar de gewone berekening de zondvloed plaats had in 2348 v. Chr., was er tot de roeping van Abraham in 1900 een tijdperk van 450 jaren, dat voldoende is om aan Eufraat en Nijl vrij machtige rijken te doen opkomen. Noach en zijne drie zonen konden, elk huwelijk gerekend op zes kinderen, in veertien generaties van 33 jaren, dat is in 462 jaren, meer dan twaalf millioen afstammelingen hebben. Verg. verder over den ouderdom van het menschelijk, geslacht: Zöckler, Gesch. der Bez. II 755 f. Id. Lehre vom Urstand 87 f. Id. Herzog2 9, 583. Vigouroux, Les livres saints etc. III 452 s. Schanz, Apol. des Christ. I 333 f. Dessailly, L’antiquité de la race humaine d’après les sciences contemporaines, Paris 1893. P. Schanz, Das Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896. Reusch, Bibel u. Natur 518 f. Hettinger, Apol. der Christ. I7 281-310.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004